maandag 26 april 2010

Hoe de Afghanistan oorlog kan aflopen

The New York Review of Books publiceert het artikel How to end the war in Afghanistan van de hand van David Miliband, minister van Buitenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk. Dat begint plomp-verloren met de stelling: “Het Verenigd Koninkrijk, noch de VS, waren de aanstichters van de oorlog in Afghanistan. In de jaren 90 verleende de toenmalige Talibanregering onderdak en steun aan Al Qaida”. Miliband impliceert daarmee dat Afghanistan na 9/11 weigerde Bin Laden aan de VS uit te leveren.

In een interview met Stephen Sackur in HARDtalk op BBC World News op 3/11/2009 schetst de Amerikaanse mediacriticus en politiek activist Noam Chomsky een ander beeld. Die noemde  de invasie in Afghanistan de immoreelste daad in de moderne geschiedenis. De aanleiding was de eis van president George W. Bush om Bin Laden onmiddellijk uit te leveren. In het diplomatieke verkeer tussen beschaafde landen kan uitlevering van misdadigers worden gevraagd, mits bewijzen. Toen de Afghaanse overheid reageerde dat men het uitleveringsverzoek in overweging wilde nemen maar eerst bewijzen wilde, begon de VS de oorlog dan maar zonder bewijzen, "om Bin Laden op te pakken”. In 2002, na de inval in Afghanistan, zei Chomsky in HARDtalk tegen Tim Sebastian, de voorganger van Stephen Sackur, dat de VS door zijn houding duidelijk maakt dat het het internationaal recht niet wenst na te leven. “Wij [Amerikanen] onderwerpen ons [internationaal] aan geen enkele autoriteit”, zo voegde hij daar aan toe.

Na 8 jaar militaire aanwezigheid in Afghanistan en nu Al Qaida is verdreven naar Pakistan moet ik niet meer uitleggen waarom de oorlog uitbrak, zo stelt Miliband droogjes. De vraag is hoe die kan worden beëindigd en hoe datgene dat werd bereikt in stand kan blijven. Miliband meent dat de relatie tussen de Taliban en Al Qaida eigenlijk vooral regionaal en tactisch van aard is, “hoewel Al Qaida nog altijd vanuit andere landen zoals Yemen dodelijke aanvallen kan plannen en uitvoeren over de gehele wereld”. Hij wijst op de bereikte resultaten en bevestigt dat de Britten zich de komende jaren zullen blijven inzetten om "de doelstellingen" te realiseren. Die omschrijft hij met de woorden: “Een Afghanistan dat niet opnieuw mag worden gebruikt als uitvalsbasis voor internationaal terrorisme”. De minister komt dan tot de kern van zijn betoog: hoe beëindigen we de oorlog? Het antwoord is verrassend eenvoudig: bekeer “gematigde” Taliban militanten tot burgers, zorg dat ze werk en een inkomen krijgen en bescherm ze tegen wraak van voormalige medestanders. En laat iedereen toe tot het bestuur die zijn banden met Al Qaida verbreekt, de wapens neerlegt en de Afghaanse grondwet aanvaardt.

Voor wat de toekomstige geopolitieke plaats van Afghanistan betreft meent Miliband dat buurlanden, noch de internationale gemeenschap, mogen toestaan dat het land opnieuw wordt gedomineerd of strategisch gebruikt. Tegelijk moet het komaf maken met misdaad, drugs, terrorisme en vluchtelingen, allemaal zaken die het nationale niveau overstijgen. Er is vooral een rol weggelegd voor Pakistan, dat de opbouw van het Afghaanse leger met argusogen bekijkt. Want Afghanistan heeft ook banden met Pakistan’s aartsvijand India. Daarom moeten ook India, Rusland, Turkije en China hun steentje bijdragen, aldus Miliband.

De Amerikaan Tom Hayden, voormalig senator voor California, bekijkt in The Nation van 7/4/2010 de situatie door de bril van de binnenlandse politiek van de VS. Hij wijst op de wetgevende initiatieven van parlementariërs Russ Feingold en Jim McGovern, die aansturen op een “flexibel tijdschema” voor de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Afghanistan. Voor hem doet dit eerste gecoördineerde initiatief rond de oorlog in Afghanistan denken aan de House-Senate voorstellen die indertijd leidden tot een meerderheidsstandpunt over de Vietnamoorlog. Onder congresleden groeit de onrust over de gesneuvelde Amerikaanse militairen en de gigantische financiële overheidsinvesteringen in een corrupte en dwarse regering Karzai. Hij gunt het Witte Huis nog wat tijd voor de inzet van extra troepen. “Misschien is dat niet de juiste strategie, maar het komt de meeste van de parlementariërs politiek het beste uit”, aldus een cynische Hayden.

Een datum voor terugtrekking kan de Taliban aansporen aan het vredesproces deel te nemen. Achter de schermen wordt nagedacht over pasjes waarmee Talibanleiders voor politiek overleg naar Kabul kunnen, of naar het buitenland. Ook voormalig UN-gezant Kai Eide gelooft in onderhandelen met de Taliban, maar het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en het Pentagon zijn nog altijd tegen onderhandelingen en pasjes. De Afghanistan-specialist Gilles Dorronsoro, verbonden aan de Carnegie Endowment for International Peace, zegt dat de vorming van een eenheidsregering met de Taliban de enige manier is om de problematiek in Afghanistan tot een goed einde te brengen.

Ondertussen wordt in kringen van het Congres in het kader van de begrotingsonderhandelingen een exit strategie ontworpen die voorziet in verkiezingen voor een nieuwe regering waarin de Taliban een plaats krijgen, vervanging van de ISAF troepen door vredessoldaten uit Moslimlanden en beëindiging van de inzet van onbemande vliegtuigen in Pakistan. McGovern kijkt vooral naar het kostenplaatje. Hij zet de middelen die nu naar de Amerikaanse oorlogen gaan af tegen de uitblijvende Amerikaanse investeringen in onderhoud van wegen, in ziekenhuisfaciliteiten en in werkgelegenheid. Welke visie het haalt, die van de Brit David Miliband of de Amerikaan Tom Hayden, valt af te wachten. Maar één ding staat vast: de aanwezigheid van "coalitietroepen" in Afghanistan heeft zijn langste tijd gehad.

dinsdag 20 april 2010

God bless America

De VS blijft militair oppermachtig, maar krijgt steeds minder gedaan. Het verliest invloed door onbekwaam diplomatiek optreden en militarisme. Internationaal lijkt niemand de kar te trekken. Een herrijzing van het Amerikaans leiderschap is mogelijk, maar weinig waarschijnlijk.

Dat zei voormalig VS ambassadeur in Saudi Arabië Chas Freeman in een vlammende toespraak voor gepensioneerde medewerkers van Buitenlandse Zaken in Arlington. Volgens Freeman moet de Amerikaanse diplomatie dringend worden gereorganiseerd. Er moet een realistisch beeld van het buitenland ontstaan. Het beleid moet gericht zijn op onze nationale belangen, niet op individuele. De diplomatieke dienst moet door professionals worden bemand, Washington moet investeren in kwaliteit, aldus Freeman. Freeman meent dat het verlies aan standing van de VS begon na de Koude Oorlog. In Amerika dacht men dat het Westen had gezegevierd door de militaire macht en het ideologische blufpoker van Reagan. Men vergat de stille diplomatie en de bondgenootschappen. Nu militaire macht in de Koude Oorlog had geleid tot de "overwinning” moet die toch in stand worden gehouden, zo dachten velen. Een idee dat het militair-industriële complex graag hoorde. Zo werd het behoud van militaire wereldhegemonie de doelstelling. En het lukte: de defensie-uitgaven stegen, ondanks het verdwijnen van de Sovjetdreiging.

De defensie-uitgaven van de VS bedragen $1,2 biljoen, 8% van het BNP. Daarvan is 60% ingeschreven op de defensiebegroting. Naar buiten toe spreekt men over “slechts” $685 miljard (4,6% van het BNP). Daarmee zijn de militaire uitgaven van VS groter dan die van de rest van de wereld bij elkaar. Niemand betwist deze gigantische bestedingen. Die militaire macht moet dus gebruikt worden om Amerikaanse waarden op te leggen. Dat is althans de neoconservatieve theorie. Vandaar Operation Iraqi Freedom en de oorlog in Afghanistan. De VS ziet niet in dat gewapende bekering alleen maar meer vijanden oplevert. De diplomatie volgt een voorspelbaar patroon: eerst verbale agressie en CIA optreden. Als sancties zoals steeds falen is het de beurt aan bommenwerpers en tanks. En zo verliest de VS zijn hegemonie en winnen andere landen aan invloed. En toch blijft de VS de enige macht die wereldwijd militair kan ingrijpen, veilige haven voor investeerders, de belangrijkste reservemunt en veruit de grootste economie en afzetmarkt. Nog altijd niet geëvenaard, maar het verval komt van binnenuit, net als het verlies van het zelfvertrouwen. Het Congres is corrupt, wijdt zich vooral aan douceurtjes namens “speciale belangen”.

Het buitenlandse beleid van de VS is gemilitariseerd. Het land wordt rampzalig geleid door de politiek en heeft tientallen jaren te weinig geïnvesteerd in het overheidsapparaat. Het heeft dilettanten in de buitenlandse dienst die niet in de schaduw kunnen staan van hun buitenlandse collega’s. Op de moeilijkste ambassadeursposten worden geen geschoolde diplomaten benoemd maar gepensioneerde legerofficieren, de militarisering van de diplomatie ten voeten uit. Onderzoek leert dat het buiten-land veel Amerikanen weinig zegt. Het nieuws wordt dus gefilterd, wat de blinde vlekken en stereo-tiepen versterkt. Men stelt geen vragen bij de Amerikaanse vraag naar drugs, de wapenverkopen aan Mexicaanse drugbendes, de subsidies aan Israel, de bezetting van Moslimlanden die de vijandig-heid jegens de VS alleen maar aanwakkert. De afwezigheid van Amerikaans leiderschap baart opzien: de precaire toestand van de dollar, het doodgelopen vredesproces in het Midden Oosten, het tanende respect voor internationaal recht. Ook het verlies aan nationaal zelf-vertrouwen is een probleem. Pessimisme, partijrancune en cynisme zijn troef. Ondertussen steekt China de VS monetair de loef af. Na het mislukken van Doha worden bilateraal en regionaal handelsakkoorden afgesloten, langs de VS om. Het buitenland vaardigt arrestatie-bevelen uit tegen Amerikaanse functionarissen wegens schendingen van het internationaal recht nu de VS verzuimt om dat zelf te doen.

Sinds het einde van de Koude Oorlog is Amerika verslaafd aan militaire macht. Maar dat werkt niet in de 21e eeuw. John Maynard Keynes zei het al: “Het probleem is niet om nieuwe ideeën te ontwikkelen, maar om van oude af te raken”. Om vrijheid en welvaart in stand te houden moet Amerika zijn waarden herontdekken, het bestuur hervormen en de militaristische benadering van internationale vraagstukken heroverwegen. Amerika kan zichzelf nog altijd vernieuwen. Het is nog niet te laat zich een nieuwe rol aan te meten in het centrum van wereldaangelegenheden. Maar dan moet het dringend in gang schieten. Tot hier een samenvatting van de toespraak van Freeman.

Ambassadeur Chas Freeman volgde Latijns Amerikaanse studies in Mexico. Hij heeft een diploma Chinees van de Foreign Service Institute field school in Taiwan, een BA van Yale en is JD van Harvard Law School. Zijn professionele loopbaan is indrukwekkend: Assistant Secretary of Defense for International Security Affairs (1993-94). Ambassadeur in Saudi Arabië (1989-92). Deputy Assistant Secretary of State for African Affairs (1986-89) tijdens de historische VS bemiddeling tussen Namibië en Zuid Afrika en rond de terugtrekking van Cubaanse troepen uit Angola. Deputy Chief of Mission en Chargé d'Affaires bij de ambassades in Bangkok (1984-1986) en Beijing (1981-1984). Director for Chinese Affairs op Buitenlandse Zaken (1979-1981). Tolk tijdens Nixon's baanbrekende bezoek aan China in 1972. Sinds 1995 bestuursvoorzitter van Projects International Inc., een firma in internationale joint ventures en acquisities.


Freeman werd recent op de korrel genomen door de Israel Lobby. Door Admiraal Dennis Blair gevraagd als voorzitter van de National Intelligence Council, liet hij in een persbericht weten zijn aanvaarding in te trekken. Hij zegt daar o.a. het volgende over: “Het spervuur aan lasterlijke verdraaiingen over mijn loopbaan, de pogingen om mij te besmeuren en mijn geloofwaardigheid onderuit te halen zullen na mijn aantreden niet stoppen. Een machtige lobby is vastbesloten om elke afwijkende mening in de kiem te smoren. Amerika mag geen inzicht krijgen in het gebeuren in het Midden Oosten. De tactiek van de Israel Lobby tart elke notie van eer en fatsoen. Karaktermoord, zaken uit hun context halen, doelbewuste verdraaiing van de stukken, het verkondigen van onwaarheden en een volstrekt negeren van de waarheid zijn daar onderdeel van. Controle over het besluitvormingsproces door het verwerpen van de benoeming van kritische mensen, dat beoogt de Lobby”. “For the record”, zo vervolgt Freeman, “ik heb nooit geld gevraagd of aanvaard van - of opgetreden namens - een buitenlandse regering. Ik heb nooit een Amerikaanse overheidsinstelling bewerkt. Nu ik terugkeer naar de privé zal ik mij blijven uitspreken over zaken die mij en andere Amerikanen aangaan”.

donderdag 15 april 2010

Iran bombarderen haalt niets uit, er zijn alternatieven

Israel kan het regime in Iran de wind uit de zeilen nemen door het Arabisch vredesinitiatief te steunen. Dat zegt Tony Klug in The Guardian van 11/1/2010. Men mag van het Iraanse regime denken wat men wil. Maar strategisch denkt het rationeel, het heeft legitieme belangen op het gebied van nationale veiligheid, en het - nog altijd niet bevestigde - kernwapenprogramma vormt geen extentiële bedreiging voor andere landen, inclusief Israel. Sommige Westerse analisten versimpelen de kwestie Iran door die op één hoop te gooien met terrorisme. Een eenzijdige, misleidende zienswijze, vaak gericht op het eigen belang. Waarmee niet gezegd is dat het Iraanse regime zich niet van terroristische tactieken bedient. Maar door een Iraanse bril zien de zaken er anders uit, aldus Klug.

Iran is een groot land, 70 miljoen inwoners, een rijke geschiedenis. Als het al oorlog voerde was dat om zich te verdedigen. Het land ziet zich vandaag omsingeld door Amerikaanse basissen in Irak, Afghanistan en de Golf, en omringd door kernmogendheden Pakistan, India, Rusland en China. En door Israel, dat met een aanval dreigt. Iran was van nabij getuige van de inval in Irak om een regeringswissel door te drukken. Indien de wereld zich al zorgen maakt over nucleaire ambities van Iran, kan men dan ook eens nadenken over wat er bij de Iraanse leiders leeft? Hoe verdeeld het land ook is, er is nationale consensus over het kernenergie programma. Het heeft daartoe het recht onder de nucleaire Non Proliferation Treaty (NPT), die het - anders dan India, Pakistan en Israel - heeft ondertekend. Een duurzame koerswijziging in Iran moet van binnenuit komen. Wil men de Iraanse dissidentie de kop in drukken, dan zijn bommen het probate middel. Niets verenigt de bevolking beter.

De gevolgen van zo’n aanval zullen vérstrekkend zijn. Iran zal terugslaan, in de Golf, in Irak, in Afghanistan, vanuit Libanon en Gaza, in Europa, de VS en elders. Als Israel de aanval uitvoert, noodzakelijkerwijs met VS medeplichtigheid en openlijk gesteund door de Joodse wereldgemeen-schap, zal de populariteit van de Joden, toch al niet groot, daar nog verder onder leiden. In zijn artikel The Iran Trap in Truthdig van 8/6/2008 voorziet Chris Hedges nog andere gevolgen. De olieprijzen gaan maal 2 à 3, de wereldeconomie stort in. De Sjiieten in de regio, van Saudi Arabië tot Pakistan, zien een aanval op Iran als een aanval op het Sjiietisme en keren zich woedend tegen het Westen. En de Irak oorlog dreigt een langgerekte regionale oorlog te worden die wereldmacht Amerika op de knieën brengt.

En dan Israel’s kernwapens. Hoe kan het die anders gebruiken dan als afschrikking? Dat werkte voor de VS in de Koude Oorlog en tegenwoordig als afschrikking tussen India en Pakistan. Allemaal niet ideaal, maar nucleaire afdreiging is toch beter dan het ontketenen van de 3e Wereldoorlog. Iran is een heel wat geduchtere macht dan een tiental jaar geleden. Met de Westerse inval in Irak is Iran verlost van zijn traditionele vijand en is het machtsevenwicht in de regio afdoend in zijn voordeel verschoven. De wereld zit niet te wachten op het zoveelste militaire avontuur. En ook sancties zijn niet het antwoord. Die konden wel eens een tegenactie van Iran uitlokken, bijvoorbeeld het leggen van mijnen in de Straat van Hormuz, met uit de pan vliegende olieprijzen en ontwrichting van de wereldeconomie als gevolg.

Wat Israel wel kan ondernemen is ernst maken met het vredesproces met de Palestijnen en dat tot een goed einde brengen. Daarmee neemt het de wind uit de zeilen van Iran, dat zich opwierp als fervent verdediger van de Palestijnse rechten. Dat lost misschien niet alle problemen op, maar het opent een etterende wonde en kon wel eens veel doeltreffend zijn dan elke andere optie.

maandag 12 april 2010

Hoe Israel een nucleaire mogendheid werd

Wat was in de VS bekend over de nucleaire ambities van Israel? Had de VS er belang bij om het naadje van de kous te weten? Wie wist wat? Wat vertelde Israel over dit uiterst gevoelige onderwerp? Avner Cohen geeft daar in zijn boek Israel and the Bomb uitvoerige informatie over. In het kader van zijn wetenschappelijk onderzoek bekeek hij een groot aantal recent gedeclassificeerde Amerikaanse documenten. Hieronder zijn kernconclusies.

Het document News & Findings beschrijft hoe in de periode 1955-1957 in Israelische wetenschappelijke en politieke kringen werd gedebatteerd over de haalbaarheid en wenselijkheid van een nucleaire optie. Toen Shimon Peres in 1957 de Dimona overeenkomst had opgesteld en zich van omvangrijke Franse steun verzekerd gaf Ben Gurion het groene licht aan het project. De VS “ontdekten” het Dimona project pas in 1960, 3 jaar na de start. Een kolossale blunder van de CIA. Kennedy was de enige Amerikaanse president die serieuze pogingen ondernam om het Israëlische atoomprogramma te beteugelen. Druk van Kennedy zou hebben bijgedragen tot het aftreden van Ben Gurion in 1963.

Onderzoek ter plaatse door Amerikaanse wetenschappers heeft nooit bewijzen voor de ontwikkeling van kernwapens opgeleverd. De CIA was wel op de hoogte. Zo rapporteerde het eind 1966 dat Israel de ontwikkelingsfase had afgerond en binnen enkele weken over een operationele bom zou beschikken. Die kennis werd echter niet gedeeld met de inspectieteams die Dimona bezochten, en Buitenlandse Zaken verwierp het nieuws.

Na afronding van de ontwikkelingsfase wees premier Eshkol een nucleaire test van de hand. Zo’n test zou immers de stilzwijgende afspraken met de VS schenden. Maar met de zesdaagse oorlog van juni 1967 kwam de zaak in een stroomversnelling. Volgens nieuwe bronnen had Israel twee geïmproviseerde kernbommen in paraatheid gebracht.

Aan de vooravond van de Non-Proliferation Treaty (NPT) in 1968, ten tijde van Johnson, ontstond de meest directe confrontatie tussen de VS en Israel over het kernwapenprogramma. Daarbij stonden Ambassadeur Yitzhak Rabin en Onderminister van Defensie Paul Warnke lijnrecht tegenover elkaar. Warnke probeerde de levering van Phantom straaljagers te koppelen aan ondertekening door Israel van de NPT. Op het cruciale moment kreeg Warnke echter onvoldoende rugdekking van Nixon. De strijd was beslist in het voordeel van Israel.

In 1969 waren verschillende functionarissen uit de regering Nixon van plan Israel alsnog te confronteren over het nucleaire wapenprogramma. President Richard Nixon bedankte daar echter voor. De president was van mening dat de VS kon leven met een niet bekendgemaakte Israëlische bom. In 1970 kwamen tussen president Nixon en premier Golda Meir een aantal nieuwe afspraken tot stand. De VS zou Israel niet langer onder druk zetten om de NPT te tekenen en beëindigde de inspectiebezoeken aan Dimona. In ruil moest Israel geen ruchtbaarheid geven aan zijn atoomprogramma: geen tests, geen verklaringen, geen bevestigingen. Met deze “vraag niets en zeg niets” afspraken was de nucleaire mist geboren. Afspraken die tot op vandaag bestaan.

In de Special National Intelligence Assessment (SNIA74) "Prospects for Further Proliferation of Nuclear Weapons” van 23/8/1974 vermeldt de CIA dat Israel inmiddels al beschikte over een  kernwapenarsenaal en dat spoedig “veel landen” kernwapens zouden kunnen ontwikkelen. Twintig jaar geleden, op 26/1/1978, verscheen een samenvatting van SNIA74 in de The New York Times onder de kop: "C.I.A. said in 1974 Israel had A-Bombs." De CIA gaf als commentaar dat het bericht een vergissing was omdat het geclassificeerde gegevens bevatte.

Israel mist een kans op mondiale erkenning als nucleaire mogendheid

Vandaag begint de nucleaire top in Washington. Een select gezelschap. “Schurkenstaten” Iran, Noord-Korea en Syrië zijn niet uitgenodigd. Israel, dat zijn nucleaire status in nevelen blijft hullen, trok op het laatste moment zijn delegatieleider, premier Benjamin Netanyahu, terug. Avner Cohen, auteur van het boek Israel and the Bomb, meldt 11/4/2010 in Haaretz dat Israel daarmee een kans mist om aan prestige te winnen. Door als nucleaire mogendheid mee te praten over nucleair terrorisme, waarschijnlijk de grootste bedreiging in onze wereld van vandaag.

Israel had van de organisatoren al lang de verzekering gekregen dat het als niet-ondertekenaar van de Non-Proliferation Treaty (NPT) zou worden gevrijwaard van een “nucleaire mangel”. De top was bedoeld om een nieuw forum in het leven te roepen, naast de NPT, om zo de drie landen die de NPT niet hebben ondertekend - Israel, Pakistan en India - mee aan tafel te krijgen. In de slotverklaring zou dan kunnen worden rekening gehouden met gevoeligheden van de zijde van Jeruzalem.

Zelfs indien Netanyahu zou vrezen voor Arabische kritiek op het nucleaire programma en de weigering van Israel om de NPT te ondertekenen, dan zou die tijdens de conferentie snel van tafel geveegd worden. Iedereen weet immers dat Israel, net als Pakistan en India, om juridische en politieke redenen het verdrag moeilijk kan ondertekenen.

Voor veel internationale waarnemers is het in nevelen gehulde Israëlische nucleaire beleid politiek hopeloos achterhaald. Voor hen is het probleem niet zozeer dat Israel een kernmogendheid is, maar de weigering van het land om dat te erkennen. Een terughoudende, verantwoordelijke nucleaire mogendheid heeft immers geen behoefte aan nevelen. En onderwerpt zich probleemloos aan inspectie door het Internationaal Atoomgenootschap. Zo bestendigt Israel zijn imago als een land dat zaken verbergt, dat geheimen heeft voor de internationale gemeenschap en de eigen bevolking. Nu het algemeen bekend is dat Israel nucleaire wapens heeft werkt het verbergen daarvan ook contraproductief in een situatie waarin duidelijkheid van een land als Iran wordt geëist.

vrijdag 9 april 2010

Wie haalt zakelijk voordeel uit de Israëlische bezetting?

JNews meldt dat Scandinavische beleggingsfondsen zich terugtrekken uit Israëlische ondernemingen die profiteren van de bezetting van Palestijns gebied. Na The Norwegian Oil Fund heeft nu ook Första AP-Fonden uit ethische overwegingen de Israëlische wapenproducent Elbit Systems uit zijn portefeuille verwijderd. Deze fondsen nemen geen geïsoleerd standpunt in. Vanuit het maatschappelijk middenveld worden steeds meer economische initiatieven ondernomen tegen de Israëlische bezetting. En met succes. Zo moest Veolia Environment verklaren dat zij het light rail contract in Oost Jeruzalem opgeeft; de Belgische Dexia Bank dat zij geen leningen meer verstrekt voor illegale nederzettingen; het Zweedse Assa Abloy dat het haar fabriek uit de West Bank terugtrekt; en de Nederlandse multinational Unilever dat het zijn participatie in Beigel & Beigel, dat is gevestigd in een industriegebied in een van de nederzettingen, terugtrekt.

Voor veel van deze initiatieven maakt men gebruik van de database Who Profits from the Occupation?. Sinds zijn lancering januari 2009 is die uitgegroeid tot de belangrijkste informatiebron over zakelijke belangen bij de bezetting. De site legt de belangen van Israëlische en buitenlandse ondernemingen bloot, en publiceert over honderden ondernemingen die in het kader van de bezetting internationale mensenrechtenwetten schenden. Van een inventarisatie van bezettingsproducten is het onderzoek geëvolueerd naar fundamentele betwisting van de bezettingsindustrie. Daarbij zijn grote Israëlische en internationale belangen gemoeid, die de nederzettingen bestendigen en Palestijnse bestaansbronnen uitbuiten.

De sectie “Economische uitbuiting” van de database is misschien de belangrijkste categorie. Israëlische ondernemingen die vestigingen openen in Palestijns bezet gebied genieten speciale overheidssteun, fiscale stimuli en een uiterst soepele toepassing van arbeids- en milieuwetgeving. Andere secties houden zich bezig met firma’s die instaan voor de bouw en onderhoud van het bezettingssysteem van wegversperringen, hekwerk, muren en slagbomen, grensovergangen en controleposten, alsook van Israëlische nederzettingen en wegen die enkel voor Israëli’s toegankelijk zijn. Zo zijn uitvoerige dossiers samengesteld over bij voorbeeld Hewlett Packard, Volvo en de IDB Group, de grootste holding in Israel. Deze ondernemingen leveren technologie aan het Israëlische leger en zijn betrokken bij de bouw van de scheidingsmuur, of leveren beveiligingsdiensten aan de Israëli’s in bezet Palestijns gebied.

Als voorbeeld wordt de Brits-Deense beveiligingsfirma Group4securicor (G4S) aangehaald. Deze is voor 91% eigenaar van Hashmira, die bewakingsdiensten aanbiedt en scanners levert die op controleposten en grensovergangen in de West Bank en Gaza worden ingezet. In 2002 meldde The Guardian dat Hashmira, onder het mom van “beveiliging”, stelselmatig Palestijnse burgers belet hun akkers te bewerken of zich te begeven naar school, de spoeddienst van het ziekenhuis of winkels in naburige steden. Na deze publicatie verklaarde G4S dat zij de bewakers van Hashmira uit de West Bank zou terugtrekken, iets dat nog altijd niet is gebeurd. Het meest opvallende over deze groeiende database is dat die wordt opgebouwd door tientallen vrijwilligers. De gemiddeld 20 aanvragen per dag worden prompt opgevolgd met betrouwbare informatie en verwijzen door naar andere organisaties. Zo wordt een nieuwe alliantie gesmeed tegen de bezetting.

donderdag 8 april 2010

Militaire steun VS aan Israel is onwettig

The Electronic Intifada bericht dat De Presbyterian Church (USA) in juli zijn 219e algemene vergadering houdt. Op de agenda staat het rapport Breaking Down the Walls, samengesteld door de Midden Oosten studiegroep van de kerk. Enkele van de aanbevelingen zijn door het Simon Wiesenthal Center al scherp bekritiseerd. Dat waarschuwt dat “aanvaarding van dit vergiftigde document neerkomt op een oorlogsverklaring aan Israel”. Een aanval die de zaken sterk overdrijft en de aanbevelingen van de studiegroep verkeerd voorstelt. De studiegroep stuurt immers niet aan op oorlog, maar op vrede.

De bewering van het Wiesenthal Center dat het rapport de VS oproept zijn financiële en militaire steun aan Israel op te schorten steunt niet op de feiten en is daarmee misleidend. In werkelijkheid roept het “de regering van de VS op om zijn internationale invloed strategisch aan te wenden, met inbegrip van een mogelijke opschorting van militaire steun als middel om Israel te bewegen zich te schikken naar het internationaal recht en [mee te werken aan] de vredesinitiatieven”. Een genuanceerde aanbeveling, die opschorting van militaire steun bepleit als laatste toevlucht. In deze context is het passend om zich af te vragen of de VS, in het licht van internationaal en binnenlands recht, zijn militaire hulp en wapenleveringen aan Israel niet moet stopzetten.

Volgens de International Law Commission (ILC), een VN-organisatie die het internationaal recht in kaart brengt, is “een staat die een andere staat helpt bij een onrechtmatige daad en bekend is met de omstandigheden, internationaal aansprakelijk”. Amnesty International meldt dat de VS sinds 2001 veruit de belangrijkste leverancier van conventionele wapens aan Israel is. Sinds datzelfde jaar viel Israel Libanon en Gaza binnen, ten koste van veel mensenlevens en de vernietiging van infrastructuur, waaronder huizen. Amerikaanse wetten bepalen dat geen militaire hulp mag worden verleend aan landen die regelmatig ernstige inbreuken plegen tegen internationaal erkende mensenrechten, en militaire uitrusting en training enkel mag worden geleverd voor interne veiligheid, wettige zelfverdediging of deelname aan VN vredesmissies.

Op basis van internationaal en binnenlands recht, en gelet op het Goldstone rapport dat wijst op ernstige inbreuken door Israel van de 4e Conventie van Genève, heeft de VS met de militaire steun en wapenleveringen aan Israel zijn plicht om af te zien van steun aan onrechtmatige daden van een andere staat geschonden. Tegen deze achtergrond kan men de aanbeveling van de Midden Oosten studiegroep van de Presbyterian Church om in laatste instantie de militaire steun aan Israel op te schorten slechts als zeer gematigd kwalificeren. Zeker als men die vergelijkt met de oproep van Amnesty International om te komen tot een Veiligheidsresolutie die partijen een wapenembargo oplegt.

De Midden Oosten studiegroep besluit met de opmerking: “Wij hechten aan onze relaties met Joden en Moslims in de VS, Israel en de overwegend Moslim landen in het Midden Oosten. Maar deze vriendschapsbanden mogen ons niet beletten mee te leven met het lijden van anderen en ons daarover uit te spreken. Want met een houding van passiviteit en stilzwijgen legitimeren wij optreden dat wij verwerpen en gevolgen die ons met afschuwen vervullen”.

dinsdag 6 april 2010

Amerika windt zich op over wapenleveringen aan Venezuela

Radiozender BBC World meldde gisteravond de wapenovereenkomst tussen Rusland en Venezuela ter waarde van $5 miljard. Die komt bovenop de $4 miljard wapenaankopen van Venezuela in Rusland sinds 2005, voor o.a. Sukhoi gevechtsvliegtuigen, helikopters, tanks en aanvalsgeweren. Het Amerikaanse State Department ziet niet in waar Venezuela die wapens voor nodig heeft, zo klonk het.

Geen naïeve stellingname, maar een hypocriete. Want tegenover de Amerikaanse defensiebegroting zinkt die van Venezuela in het niet. Uit cijfers van het Stockholm International Peace Research Institute blijkt dat de VS in militaire uitgaven elk ander land ver achter zich laat. In 2008 was dat de gigantische som van $607 miljard. Het tweede grootste land op het gebied van defensie-uitgaven is China, met $61 miljard slechts 10% van het VS defensiebudget. Direct na China komt het Verenigd Koninkrijk, trouw Atlantische bondgenoot van de VS, met $60 miljard. Op de 14e plaats staat Nederland met $10,9 miljard, België op de 31e plaats met $3,8 miljard en Venezuela op de 36e plaats met $3,3 miljard, 0,5% van dat van de VS.

De VS heeft al eerder zijn bezorgdheid geuit over de Russische wapenverkopen aan Chavez, een oude tegenstander van Washington. De Venezolaanse leider verwees tijdens het bezoek van Putin dit weekend de vrees van de VS naar de prullenbak. “We bouwen geen alliantie op tegen de VS”, aldus Chavez. Als iemand zich zorgen moet maken is het Chavez wel. November vorig jaar zei hij zijn troepen zich voor te bereiden op oorlog met buurland Colombia om een halt toe te roepen aan de opbouw van VS troepen daar. De VS heeft vorig jaar een militair akkoord met Colombia gesloten voor het gebruik van zeven militaire basissen in het buurland van Chavez. Daarmee wil Washington zijn dominante positie in de regio bestendigen. Waar dat toe kan leiden is maar al te duidelijk. De tientallen directe militaire ingrepen van de VS in zijn achtertuin Latijns Amerika, of de door de CIA geïnspireerde machtsovernames, zijn nog niet vergeten.

maandag 5 april 2010

De dubbelzinnigheid van Israel

Haaretz correspondent Gideon Levy vraagt zich af waar de Israëlische leiders naar toe willen. Die komen enkel met clichés en vage beloftes. De Arabieren zeggen wel waar het op staat: grenzen van 1967, eigen staat, oplossing vluchtelingenprobleem, recht op terugkeer. Wil de Israëlische regering de bezette gebieden annexeren? Ondervraagd over een bouwstop in Jeruzalem is het vrijwel unanieme antwoord “geen commentaar”. Een absoluut schandaal. Een minister die geen standpunt inneemt is nalatig, een premier is dat in het kwadraat.

Zoals steeds zijn wij daar allemaal debet aan, aldus Levy. Wij aanvaarden immers impliciet het bedrog van onze leiders, of toch tenminste de verdraaiing van de feiten. Het ritueel zeg-het-niet-hardop is consensus geworden, het nastreven van vrede door handjeklap zowat officieel beleid. Is de premier bereid de Golanhoogten op te geven in ruil voor vrede met Syrië? Welke gebieden op de Westelijke Jordaanoever wil hij ontruimen? Door de dubbelzinnigheid en stuurloosheid is het aanzien van Israel in de wereld op een absoluut dieptepunt beland. Zelfs de alwetende president van de VS weet niet meer wat zijn bondgenoot wil, zo bekreunt Levy zich.

Het artikel van Gideon Levy zal ongetwijfeld stof doen opwaaien. Hij vergelijkt immers de “slechte” Jood Shylock uit “De Koopman van Venetië” van Shakespeare met “de heel wat doortrapter kooplieden van het huidige Jeruzalem”. Voor heel wat mensen heeft dat stuk een antisemitische strekking. Een ander punt van kritiek is de retorische vraag: “Wil de Israëlische regering de bezette gebieden annexeren?”. Want wie twijfelt er na drieënveertig jaar bezetting van Palestijns grondgebied, het nederzettingenbeleid en de muur nog aan dat Israel met een sluipende annexatie bezig is?

zaterdag 3 april 2010

Hoe Obama druk kan zetten op Netanyahu

In de London Review of Books ontleden John Mearsheimer, professor politicologie aan de universiteit van Chicago, en Stephen Walt, professor Internationale Betrekkingen aan de Harvard Kennedy School of Government, de VS-steun aan Israel. Sinds de 2e Wereldoorlog heeft Israel bijna $200 miljard economische en militaire steun van de VS ontvangen. Het is jaarlijks de grootste ontvanger van VS-steun: $3 miljard in directe steun, 20% van het Amerikaanse budget voor buitenlandse hulp, $500 per Israëli. Een omvang die vragen oproept. Met een inkomen per hoofd gelijk aan dat van Zuid-Korea of Spanje is Israel immers een welvarende industriële natie.

Israel kreeg bijna $3 miljard voor de ontwikkeling van wapensystemen. Het krijgt toegang tot superieur wapentuig als Blackhawk helikopters en F-16’s. Het krijgt informatie van de CIA die de VS zijn NAVO bondgenoten onthoudt. En de VS knijpt een oogje dicht over Israel’s nucleaire wapens. Ontvangers van Amerikaanse militaire steun moeten die normaal in de VS besteden, maar Israel mag met 25% de eigen militaire industrie subsidiëren. Het hoeft daarvan geen rekenschap te geven. De VS kan dus vrijwel niet voorkomen dat de gelden worden gebruikt voor zaken waar de VS tegen gekant is, zoals nederzettingen in bezet gebied.

Israel kan ook rekenen op diplomatieke steun. Sinds 1982 heeft de VS 32 anti-Israel resoluties van de Veiligheidsraad getorpedeerd, meer dan alle veto’s ooit uitgebracht door andere leden van de Veiligheidsraad samen. De VS blokkeert elke Arabische poging om het nucleaire arsenaal van Israel op de agenda van het Internationaal Atoomagentschap (IAEI) te krijgen. En in oorlogstijd komt de VS het land te hulp, waarbij het partij kiest voor Israel bij vredesonderhandelingen.

Het argument dat Israel van vitaal belang is voor de VS overtuigt niet. De steun heeft ook repercussies gehad. Zo lokte de $2,2 miljard militaire noodhulp tijdens de Oktoberoorlog een OPEC embargo uit dat grote schade toebracht aan de Westerse economieën. In beide Golfoorlogen bleek Israel voor de VS eigenlijk een strategische last. De VS kon om politieke redenen geen gebruik maken van de Israëlische bases. Verdedigers van de hulp aan Israel wijzen op de bedreiging van beide landen door terroristen en “schurkenstaten” met massavernietigingswapens. Zo zou de VS zowel Israel de vrije hand moeten geven in het conflict met de Palestijnen, als afrekenen met landen als Iran en Syrië. Afgeschilderd als cruciale partner in de war on terror, in werkelijkheid is Israel een blok aan ’t been.

Met Obama lijkt de VS een wat minder agressieve houding aan te nemen, en een boodschap te hebben aan de rest van de wereld. Op dit moment staan de Joodse nederzettingen in bezet gebied centraal. Hoe kan Obama druk zetten op Netanyahu om tot een oplossing van het Israelisch-Palestijns conflict te komen? Een vermindering van de financiële of militaire steun krijgt de president er niet door. Dat zou onmiddellijk als een aanslag op Israel’s veiligheid worden afgeschilderd. Wat de president volgens Pierre Razoux in de New York Times dan wel kan doen:
  • geen systematische steun meer in de Veiligheidsraad, wat Israel diplomatiek isoleert
  • terugschroeven van militaire logistieke steun (inlichtingendienst, nuclaire aangelegenheden)
  • eisen dat Israel de non-proliferatieconferentie bijwoont en daarmee zijn nucleair arsenaal bevestigt
  • Israel aansporen een afschrikkingsdoctrine te publiceren
  • garanties terugschroeven op leningen (waarmee James Baker in het Oslo vredesproces Yitzhak Shamir onder druk zette)
Recent is de eerste stap gezet: Obama heeft Israel duidelijk gemaakt dat de strategische belangen elkaar niet langer overal meer overlappen. Vervolgens kan hij de Israeli’s buiten onderhandelingen met Iran houden. Zo geeft hij de boodschap af dat niet alles wat Israel bezighoudt de agenda van Washington domineert. En dat de VS de regie heeft in de onderhandelingen in het Midden-Oosten. Een eerste stap naar een ommekeer?

donderdag 1 april 2010

Het conflict Israël-Palestina

Samenvatting van de ontwikkelingen in de regio Palestina gedurende de laatste anderhalve eeuw
(auteur: Egbert Talens)

Deel 3: het lot van de niet-joodse gemeenschappen en het gebied waar Israël recht op heeft

Over het vraagstuk van de gevluchte of verdreven Palestijnen bestaan vele bronnen. Dat Israël hier een verantwoordelijk draagt mag men op gezag van Benny Morris en Ilan Pappé aannemen. Waarschijnlijk komt de term “verdreven” het meest in aanmerking. Vanaf Herzl werd er immers over gesproken om de niet-joodse gemeenschappen het land uit te zetten. Ben-Gurion sprak over “transfer”. Op de vraag van generaal Yigal Allon en kolonel Yitzhak Rabin wat te doen met de Arabieren volstond premier Ben-Gurion met een energiek wegwerp-gebaar, naar verluidt met de gemompelde woorden garesh otam (verdrijf ze). Als Israël part noch deel had aan het wegtrekken van de niet-joden, waarom stonden de Israëlische autoriteiten hen dan niet toe naar hun woonsteden terug te keren? Golda Me'ir spreekt zichzelf op dit punt tegen. Enerzijds haar bewering dat de Palestijnen op het strand bij Haifa met klem werd verzocht te blijven waar ze waren, anderzijds haar uitspraak: “de Palestijnen bestaan helemaal niet".

Een Joodse staat, publiekrechtelijk gegarandeerd, ziedaar het politiek-zionistische project; op het Zionistische Congres in 1897 omarmd. Toen kwam de 'Britse' Balfour Declaratie van 1917. Daarna schreef de Volkerenbond met het Britse Palestina-mandaat in 1922 het volgende hoofdstuk. Door de nationaal-socialistische ontwikkelingen in Duitsland op de Europese publieke Bühne, kwam Palestina nog maar sporadisch over het voetlicht. In 1945 namen de Verenigde Naties de plaats in van de gesneuvelde Volkerenbond. Nu zadelen de Britten de VN op met hun Palestina problemen inclusief de 'Britse' Balfour-observatie: "de inrichting van een nationaal tehuis in Palestina voor het Joodse volk te faciliteren". Een onhaalbaar gebleken opdracht... Er restte de Britten niets anders dan hun Palestina-opdracht aan de VN terug te geven (2 april 1947). Op 15 mei 1948 trekken ze zich uit de Palestijnse regio terug...

De VN vindt in geen enkele bestaande volkenrechtelijke instructie een antwoord op deze lastige materie. Er gaan stemmen op om het Internationale Gerechtshof (ICJ) in Den Haag om raad te vragen. De politieke zionisten, die vrezen dat de andere partij (de Palestijnen) daarmee macht verwerft, zijn mordicus tegen. Toch mislukt hun poging om overleg in de Algemene Vergadering (AV) hierover te blokkeren. Op 22 oktober 1947 buigt de AV zich over de vraag, het ICJ te vragen of het de VN bevoegd acht het Palestina-dossier te behandelen. Met het kleinst mogelijke verschil werd dit voorstel verworpen: 21 stemmen tegen 20, met 13 onthoudingen. Een beslissing die duidelijk in strijd was met de wensen van de meerderheid van de bevolking in Palestina.

Resolutie 181-II van 29 november 1947 is een aanbeveling van de Algemene Vergadering; en is dus niet bindend, willen sommigen waar hebben... De resolutie werd in Israël echter met gejuich begroet. Toen David Ben-Gurion 14 mei 1948 de Joodse Staat Israël uitriep werd in de Declaration of the Establishment of the State of Israel expliciet naar deze resolutie verwezen, met de uitleg dat die een oproep inhield tot het vestigen van een Joodse Staat in Eretz-Israel. Die uitleg, clausule no. 9, sluit met de woorden: deze erkenning door de Verenigde Naties van het recht van het Joodse volk hun Staat op te richten, is onherroepbaar. Wat opvalt is dat de Declaration wél spreekt over 'Eretz-Israel', een term die in resolutie 181-II niet voorkomt, maar zwijgt over de in de resolutie aanbevolen verdeling van Palestina in een Joodse Staat én een Arabische Staat. Nader te definiëren benamingen, overigens.

Resolutie 181-II verzoekt de Veiligheidsraad om de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering ervan. In dat proces werden de Palestijnen zelf nauwelijks gehoord; het Hoge Arabische Comité trad namens hen op. Toen duidelijk werd dat de westerse mogendheden in feite al klaar waren met de verdeling van Palestina, trok het Comité zich terug en weigerde nog verder mee te werken. Weliswaar een begrijpelijk besluit, maar politiek zeer onhandig, zo niet dom. Als Israël in 1949 bestandsakkoorden sluit met Libanon, Egypte, Jordanië en Syrië, blijkt dat Israël zich ca. 20% méér Palestijns gebied heeft toegeëigend, zodat nog slechts 22% van het voormalige Britse Mandaatsgebied Palestina resteert. De bestemming ervan is onduidelijk: koning Abdallah-I (Trans-Jordanië) heeft geheime afspraken met Ben-Gurion gemaakt en 'mag zich vestigen' op de Westelijke Jordaanoever; Egypte nestelt zich vrijpostig in de Gazastrook. Zijn de kaarten geschud? Allerminst. Met de Suez-crisis (1956) probeert 'Israël' de Westelijke Jordaanoever (Yesha) en de Gazastrook ('Aza) in Israëlisch bezit te krijgen; een premature bevrijdingsactie. Steekt ‘die domme’ president Eisenhower me daar toch een stokje voor...

In 1967 ontwaart Israël een door Gamaal Abd-al Nasser aangevoerd Egyptisch leger. Israël schildert ook dit treffen af als David (Israël) tegen Goliath. Onafhankelijke studies over de Zesdaagse Oorlog melden dat de krachtsverhoudingen in werkelijkheid nauwelijks uiteenliepen. En een Israëlische luchtmachtgeneraal liet zich ontvallen dat deze oorlog 16 jaar was voorbereid. Alles duidt erop dat 'Israël' in 1967 de politiek-zionistische doctrine ten uitvoer bracht. Israël had kunnen bewijzen dat aanvaarding van 181-II gemeend was geweest door het gebied, dat na de verdrijving van Jordanië en Egypte was vrijgekomen, aan de Palestijnen te laten. Maar Israël blijft zitten waar het zit: in Yesha (Judea en Samaria), in 'Aza (Gaza) en in Oost-Jeruzalem! Waarmee het 181-II herroept, wat weer haaks staat op de eigen Declaration of the Establishment of the State of Israel. Ruim vijf jaar nadat Ben-Gurion de Declaration uitsprak, geeft hij tegenover de New York Times te kennen dat VN-AV-resolutie 181-II null and void is.

De internationale gemeenschap hanteert o.a. Veiligheidsraad resolutie 242: Israël moet gebieden, bezet tijdens het jongste conflict ontruimen. Israël interpreteert 242 aldus: 242 wijst naar ‘gebieden’, niet naar ‘de gebieden’. Ja, maar Israël c.s. hanteert in dit verband óók, en wel nadrukkelijk, de term Zesdaagse Oórlog, en de preambule van 242 (ook nadrukkelijk) zegt: het zich toeëigenen van gebied door middel van óórlog is (o zo) ontoelaatbaar...

Interessant om vast te stellen dat resolutie 242 de betekenis van 181-II opwaardeert. Met VR-resolutie 242 wordt de legitimatie van de staat Israël onderschreven, overeenkomstig de oorspronkelijke wens van de politieke zionisten: een Joodse Staat, gelegitimeerd door internationaal recht.
     

Het conflict Israël-Palestina

Samenvatting van de ontwikkelingen in de regio Palestina gedurende de laatste anderhalve eeuw
(auteur: Egbert Talens)

Deel 2: de groeistuipen van de staat Israël

Na acht maanden driftig vergaderen werd in de Algemene Vergadering van de VN op 29 november 1947 resolutie 181-II met een twee-derde meerderheid aangenomen. Het betrof een aanbeveling tot het verdelen van het voormalige Britse mandaatgebied Palestina. Die verdeling zag er als volgt uit: een Joodse Staat (56,47%), een Arabische Staat (42,88%) en (voor de duur van tien jaar) een corpus separatum (0,65%) dat Groot-Jeruzalem omvatte. Die gekwalificeerde meerderheid was met het nodige kunst-en-vliegwerk verkregen en verdiende geen schoonheidsprijs... In Palestina zelf werd de sfeer er alleen maar grimmiger door. Aanslagen met dodelijke slachtoffers aan Joodse, niet-joodse en Britse kant bleven niet uit. De Britten zaten tussen twee vuren, want ze werden van zowel Joodse als van niet-joodse kant als partijdig beschouwd. Een bekend verschijnsel.

Was in Britse ogen aanvankelijk het verzet van Palestijns-Arabische kant het probleem, allengs zorgden ook Joodse akties ervoor dat de Mandaats-troepen daartegen moesten optreden. Daarbij stond hen een speciale wettelijke verordening ten dienste: de Palestine (Defence) Order in Council. Die stond de Britten toe tamelijk arbitrair Palestijnse Arabieren op te pakken. Duizenden belandden in het gevang. Geen politiek-zionistische Jood die zich er druk om maakte. Maar toen vanaf 27 september 1945 ook Joden ermee te maken kregen, waren de rapen gaar en protesteerde de Jewish Bar Association in het blad ha Praklit (de Jurist) met: "ontzegging van fundamentele mensenrechten" en "de individuele vrijheid is ernstig in gevaar".

Wij westerlingen hoorden tamelijk veel over malversaties van Palestijns-Arabische kant. Dat Joodse ondergrondse verzetsgroepen ook raad wisten met hun tegenstanders, moge blijken uit dit onderbelicht gebleven feit: twee Britse sergeants werden, na een dagje strand bij Netanya, opgewacht en opgehangen in een bananenplantage. Voorzien van boobytraps, hun afgesneden geslachtsdelen in de mond, vermeldde een bord om de nek: "Dit is de straf van het Irgun Hoge Tribunaal". Kort daarvoor hadden de Britten drie Joden wegens een geslaagde boobytrap-actie veroordeeld en opgehangen.

In de wetenschap dat de Britten op 15 mei 1948 hun mandaat in Palestina zouden beëindigen, bezonnen partijen zich op die nieuwe situatie. De Palestijnse Arabieren, de oorspronkelijke bewoners van dit gebied, voelden zich in de steek gelaten. Anders lag dit voor die Joden die er sinds jaar en dag ook woonden. Met de komst van ca. 253.798 Joden tussen 1931 en 1939, en het stichten van een Joodse staat zou hun plek in Palestina echter geen gevaar lopen. Wel volgden velen de ontwikkelingen met scepsis. De doorgaans goede relaties tussen autochtone Joden en niet-joden liepen grote deuken op als gevolg van de plannen van de politieke zionisten. Dat werd vrijwel unaniem bevestigd door de negen onderzoekscommissies tussen 1919 en 1939, onder welke de zionistisch ingestelde commissie Morrison-Grady. Want ook uit Joods-Palestijnse geledingen kwamen afkeurende geluiden over de houding van ingestroomde Joodse pioniers.

Tussen 29 november 1947 en 15 mei 1948 is Palestina het toneel van aanslagen en represailles. Onder de door de Britse ordemaatregelen gehandicapte niet-joodse Palestijnen duikt de naam Izz al-Din al-Qassim op. Hij kan uit duizenden gefrustreerde Palestijnse Arabieren vrij eenvoudig een verzetsgroep formeren. De politieke zionisten hebben intussen met paramilitaire organisaties als Palmach, Haganah, Irgun, Lehi, en Stern-Gang hun eigen verdediging weten op te bouwen. De tegenstanders doen aan wreedheid niet voor elkaar onder. De Arabische Liga informeerde de VN dat, na het vertrek van de Britten, van Arabische zijde stappen zullen worden ondernomen om in het als Arabische Staat aanbevolen deel van Palestina voor orde en rust te zorgen. Of dit het ware doel was blijft een vraagteken, zeker in het licht van de dreigende geluiden uit diverse Arabische hoeken. Dit gezwollen Arabisch vocabulaire is nogal bekend, maar de vraag hier is of men daarmee niet eigen onvermogen wilde verhullen. Hoe het ook zij, de Arabische opstelling stond in fel contrast met die van hun politiek-zionistische tegenpolen, die met zoetgevooisde geluiden hun plannen op erudiete wijze aan de man wisten te brengen. Of ook zij daarmee een zuiver beeld schetsten, is eveneens de vraag.

Op 14 mei 1948, 's middags om vier uur, roept David Ben-Gurion in een zaal van een museum in Tel-Aviv de onafhankelijke Joodse Staat uit, mede op basis van VN-AV-resolutie 181-II. Men kiest voor de naam Israël. De dag erna verlaten de Britten een grondgebied dat nu niet langer Palestina heet. Vanuit omliggende Arabische landen rukken legereenheden op. Maar Israël weet de aanvallers van zich af te houden. Het ontbreekt de Arabische legers aan samenhang. Elk opereert afzonderlijk; soms wordt verheugd gereageerd op een nederlaag van een ander Arabisch legeronderdeel. Na de wapenstilstand van 11 juni '48 kan Tsahal, het Israëlische leger, elke Arabische opponent aan.

Israël leverde geweldige militaire prestaties. Als vervolgens echter politieke resultaten uitblijven komt de Pruisische uitspraak Man kann sich totsiegen in beeld. Het huidige Israël lijkt de niet-joodse gemeenschappen uit het Britse Mandaatgebied Palestina van voor 14 mei 1948 geen politieke en geboorterechten te willen toekennen. De weggetrokken, gevluchte en/of verdreven Palestijnen mogen Israël niet meer binnen. Daarmee blijven de Joods-Israëlische en de Palestijnse c.q. niet-joodse kant in het conflict lijnrecht tegenover elkaar staan.

(wordt vervolgd)
  

Het conflict Israël-Palestina

Samenvatting van de ontwikkelingen in de regio Palestina gedurende de laatste anderhalve eeuw
(auteur: Egbert Talens)

Deel 1: de totstandkoming van de staat Israël

Een Joodse staat is een politieke ideologie die inspeelt op de wens van Joden te wonen in een eigen, Joods, gebied. Bij het moderne Israël gaat het om gebied waar Israëlitische (voor)ouders leefden en woonden. Sinds vele eeuwen hebben er Joden gewoond in dit gebied, dat diverse namen had: Judea, Samaria, Israel en daarvoor zelfs Canaän. De naam Palestina ontstond toen Romeinen het gebied verdeelden in Palestina I, II en III. Latere heersers (Kruisvaarders, Arabieren) leggen het gebied hun stempel op. Vanaf 1518 beheersen Ottomanen het gebied. Ze delen het gebied op in Vilayets en Sanjaks, terwijl Jeruzalem een Mutasarriflik (vrije vertaling van deze Turkse term: subprovincie, district) wordt. In 1917 wordt Jeruzalem ingenomen door generaal Allenby. Palestina was een soort zuidelijke provincie in Syrisch gebied. Van een staat Palestina was nooit sprake, maar de regio Palestina was onder die naam wel bekend.

Rond 1860 kwam in (Oost-)Europa een beweging op gang, die tot doel had een Joodse staat te stichten. Daarbij wordt vooral Theodor Herzl genoemd. Overleden in 1904 maakte Herzl de stichting van Israël (dus) niet mee. Maar Chaim Weizmann, in dit verband ook een veel voorkomende naam, werd de eerste president van Israël. David Ben-Gurion zal voor velen nog bekender klinken. Op het eerste Zionistische Congres (Basel 1897) was voor de stichting van de Joodse staat de keus gevallen op de regio Palestina. Het plan was deze regio, aan het eind van de 19e eeuw nog onderdeel van het Ottomaanse Rijk, aan deze sukkelende Reus op Lemen Voeten te onttrekken. Andere regio's als Argentinië en Uganda waren afgevallen wegens gebrek aan bijzondere relatie met Joden.

Ben-Gurion zoekt vanaf het begin van WO-I steun bij de Britten. Op 2 november 1917 laten die weten dat ze het idee van een Nationaal Tehuis in Palestina voor het Joodse volk steunen. Dat leidt tot de Balfour Declaration. Als na WO-I de Volkerenbond Groot-Brittannië een Mandaat voor Palestina verleent en in de statuten de Balfour Verklaring wordt meegenomen, lijkt het streven naar de Joodse staat in Palestina op weinig tegenstand meer te stuiten. Op dat moment viel nog nauwelijks iets te ontdekken van de grootste ramp ooit die het Joodse volk op het punt stond te overkomen...

Vanaf 1880 trokken Joodse pioniers naar Palestina, waar ze met nederzettingen een eigen bestaan probeerden op te bouwen. Financiële ondersteuning (van o.a. de Rotschilds) maakte deze ontwikkelingen mogelijk, al ging een en ander wel gepaard met tegenstand vanuit (de) niet-joodse geledingen in Palestina. Onlusten, waarbij ook doden vielen, beloofde weinig goeds voor de Palestijnse regio en voor de Britse mandataris, die verplichtingen had tegenover alle gemeenschappen. Het 'land' rijp maken voor zelfbestuur, zo luidde de richtlijn vanuit de Volkerenbond.

Als de Duitse Nazi’s het in tal van Europese landen voor het zeggen krijgen breekt voor de Joden een rampzalige periode aan. Nergens zijn ze veilig, hoewel velen erin slagen nog weg te komen, o.a. naar Palestina. Na de duizenden Joden die gedurende de eerste en tweede Aliya (emigratie) naar Palestina waren getrokken komen duizenden vluchtelingen hun gelederen versterken. Het wantrouwen bij de Palestijnse Arabieren groeit. Wat gebeurt er als zij geen meerderheid meer vormen? Nadat de nazi’s zijn verslagen pakken de Europese landen de draad weer op en slaan de hand aan de ploeg. Van het Joodse volk heeft slechts een handjevol de enorme ramp, de Sho'a, overleefd. Miljoenen werden vermoord, vertrapt, vergast. Wat nu?

Tijdens WO-II blijft Ben-Gurion c.s. volledig bij de les. Direct met het ter ziele gaan van de Volkerenbond (1939) voorziet hij de opvolger ervan, de Verenigde Naties. Dit politieke lichaam wordt opgericht in 1945. Die VN zal de erfenis van de Volkerenbond moeten overnemen, is de opvatting van de politieke zionisten. De Britten zien eindelijk in dat ze er niet in zullen slagen de Mandaatopdracht te vervullen, omdat de wederzijdse partijen er onverzoenlijke standpunten op na blijven houden. Palestina staat aan de vooravond van complete chaos. In februari 1947 besluit Groot-Brittannië het Palestina-mandaat terug te geven aan de VN. Vanaf 2 april 1947 zwoegen commissies en delegaties van de VN maanden dag en nacht aan een oplossing. Met een twee-derde meerderheid in de Algemene Vergadering voor VN-resolutie 181-II, slepen de politieke zionisten de zozeer gewenste internationaalrechtelijke steun voor hun Joodse Staat in de wacht. Grote vreugde alom in het Joodse kamp. Trieste grafstemming onder de niet-joodse Palestijnen.

Zouden de oorspronkelijke politieke zionisten hun project onder de maatschappelijke verhoudingen van vandaag nog realiseerbaar zien? In haar boek Land and Power stelt professor Anita Shapira: “Zionism was late in coming”. Ik waag mij aan de stelling dat de huidige staat Israël misschien te laat tot stand is gekomen. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan. Het feit dat Palestina een bewoond gebied was maakte het politiekzionistische project uitermate gecompliceerd. Herzl wilde af van de oorspronkelijke niet-joodse gemeenschappen. Sommigen bagatelliseren de aanwezigheid van deze gemeenschappen en verwijzen naar immigratie naar het gebied waar de Joodse pioniers een zekere welvaart hadden gebracht. Het staat vast dat voor de komst van de Joodse pioniers al Palestijnse 'Jaffa's', bananen en citroenen, de Europese markten bereikten. De plantages van de Palestijnse fellahin waren verre van onderontwikkeld.

(wordt vervolgd)