Posts tonen met het label Rusland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rusland. Alle posts tonen

donderdag 8 augustus 2019

De vastgelopen Europese integratie


Deel 1: integratie is geopolitiek van levensbelang.

The second edition of the Huawei Story, November 29, 2017.
Photo: Huawei Gallery
 

De grootste dreiging voor de EU komt uit de VS. Trump’s druk op Europese bondgenoten wordt in Washington breed gedragen. Europa moet zijn trans-Atlantische reflex overwinnen en focussen op een Euraziatisch bondgenootschap. De Europese kwetsbaarheid voor Amerikaanse digitale kolonisatie wordt duidelijk. Het debat rond Russische dreiging staat integratie in de weg.

In zijn artikel Be Afraid of the World, Be Very Afraid’ somt de Amerikaanse professor internationale betrekkingen Stephen Walt vijf mondiale problemen op die steeds verder ontaarden en misschien nooit opgelost raken. In Bad Thing #3, The End of the European Union, toont hij zich niet optimistisch over het Europese project. Dat de pogingen tot een uniform buitenlands beleid en een Europees leger tot niets hebben geleid blijkt volgens Walt ook uit de ruggengraatloze Europese reactie op de Amerikaanse indirecte sancties. Inclusief de druk op de open grenzen lijkt de beoogde “steeds verder geïntegreerde Unie” terug te glijden naar de oude gemeenschappelijke markt, aldus Walt.

In twee delen gaan wij in op de problematiek die Walt aansnijdt. Vandaag belichten we de geopolitieke aspecten van de Europese integratie. In deel 2 kijken we naar het begrip “integratie”, stellen we vast dat de Europese integratie is vastgelopen en lichten we de meest voor de hand liggende uitweg voor de EU toe: Europa met twee snelheden.

De kolossale uitdagingen waar de Unie voor staat vergen uitzonderlijk leiderschap. De nieuwe Europese bestuursploeg zal zich moeten bewijzen, maar vooral de staatshoofden en regeringsleiders die zich in het besluitvormingsproces van de Europese Raad maar al te graag achter ‘Brussel’ verschuilen.

De grootste bedreiging voor de EU komt uit de Verenigde Staten

De EU mag dan een economische reus zijn, het is maar de vraag of de Unie kan uitgroeien tot een geopolitieke wereldspeler in een multipolaire wereld of satelliet blijft van de VS. Lidstaten als Duitsland en Frankrijk mogen op het wereldtoneel hun zegje doen, maar individueel kunnen zij het niet opnemen tegen grootmachten als de VS, China of zelfs Rusland. Europese landen kijken terug op hun koloniale verleden dat hen tot grote mogendheid maakte, maar vandaag kunnen zij zo’n status enkel herwinnen door het slechten van economische en politieke grenzen in Europa.

Afgezien van de tegenstrijdigheden eigen aan het Europese economische en politieke weefsel, komt de grootste bedreiging voor de Unie uit onverwachte hoek: de Verenigde Staten. Misschien heeft enkel een Europese leider als Charles de Gaulle het Europese project gezien als bedreiging voor de VS. Maar algemeen wordt de VS gezien als een genereuze hegemoon die bijdroeg aan de naoorlogse Europese wederopbouw en integratie. Dat Washington Europa ooit zou kunnen zien als tegenstrever, ja zelfs rivaal, kwam bij niemand op.

Vier decennia mondialisering en neoliberaal beleid hebben de Amerikaanse middenklasse ondergraven. Overheidsbeleid als laagdrempelig consumentenkrediet moest de welvaartsdroom in stand houden, maar leidde tot economische zeepbellen ongezien sinds de crisis van 1929. Om de welvaart van de Amerikaanse burgers te vrijwaren meende de regering-Trump dat de beste aanpak was om economische concurrenten te gronde te richten. Olie- en aardgasexporteur Rusland moest eraan geloven. De economische oorlog tegen China volgde. Zelfs traditionele bondgenoten als Europa, Japan en Korea werden stevig aangepakt.

De harde Amerikaanse aanpak van Europa wordt gedragen door het Congres

Vandaag staat Europa voor de vraag of het klaar is voor een confrontatie met de VS. Heffingen op Europese producten, de sancties op handel met Iran, de druk op het Duitse gasleidingsproject Nord Stream 2 en de aanschaf van Huawei-systemen, het protest tegen een Europese defensie en buitenlands beleid, en de pressie om Amerikaans wapentuig aan te schaffen, het zijn allemaal Amerikaanse initiatieven die Europese leiders toeschrijven aan Trumps grillige persoonlijkheid. Maar die maatregelen worden wel gedragen door het Congres, en geïnitieerd en uitgevoerd door een batterij bureaucraten afkomstig uit de regering-Obama.

Het succes van Europese integratie valt en staat met de opstelling van Duitsland. De steeds hardere Amerikaanse aanpak van zijn bondgenoten helpt om over de psychologische drempel te stappen om daar tegen in te gaan. Zelfs Merkel komt schoorvoetend tot de conclusie dat de VS niet langer kan worden vertrouwd, Europa zijn eigen weg moet inslaan en niet moet denken dat het na Trump wel weer beter gaat. Geen Amerikaanse president kan op tegen de lobby van het Amerikaanse militair-industrieel complex. Europa moet naar de pijpen van Washington blijven dansen, Amerika moet zijn kansen in het conflict met China en Rusland optimaliseren.

Focus eerder op Euraziatisch dan trans-Atlantisch bondgenootschap

Voor Europa betekent dat om eerder te focussen op een Euraziatisch bondgenootschap dan op een trans-Atlantisch. De eerste tekenen wijzen erop dat Europese landen weerstaan aan de Amerikaanse druk. Het besef groeit dat Europa kwetsbaar is voor Amerikaanse digitale kolonisatie. Huawei komt dus niet op de zwarte lijst, Europa stelt zich open voor niet-Amerikaanse technologie. Duitsland zet zijn Nord Stream 2 project met Franse steun door.

De VS mag dan hameren op de Russische dreiging, Europa telt maar weinig politici die echt in zo’n dreiging geloven. De Zweedse, Poolse en Baltische politici die toch nog spreken over een nakende Russische invasie trekken misschien deze kaart om Amerikaanse steun tegen Duitsland te krijgen in hun Europese machtsspelletjes. Het Europese debat rond de houding ten opzichte van Rusland is één van de vele tegenstellingen binnen de Unie die een verdere integratie in de weg staan.

Het dilemma waar de EU voor staat is te kiezen tussen dwang om de weerspannige lidstaten in het gareel te krijgen, of voor het concept van een EU van twee snelheden dat de dwarsliggers links laat liggen.

dinsdag 16 juli 2019

De de-dollarisatie van het Amerikaanse financiële imperium


New York Stock Exchange entrance. Photo: Alan Kotok (Wikimedia Commons)


Tot voor kort moest de wereld deviezenreserves investeren in Amerikaans schatkistpapier. Vandaag verbiedt Trump dat, uit angst voor een sterke dollar. Een lage dollar doet echter niets voor de Amerikaanse economie die draait op diensten. China en Rusland kopen goud om los te komen van de dollar. Het beleid van Trump leidt tot een economie die zich steeds minder kan meten met het buitenland.

In een recent interview definieert de Amerikaanse econoom en historicus Michael Hudson imperialisme als je iets toe-eigenen zonder daarvoor te betalen, op handelsvlak een strategie om het deviezenoverschot van een land in te palmen zonder een productieve rol te moeten spelen. Eenvoudig door te eisen dat het investeert in Amerikaans schatkistpapier. Met zo’n treasury-bill stelsel wordt het mondiale monetaire systeem een Amerikaanse free lunch, een retributiesysteem waarmee de VS bijvoorbeeld zijn complete militaire apparaat kan financieren, aldus Hudson.

De VS heeft een structureel tekort op zijn handelsbalans. Dat tekort wordt gefinancierd door staatsobligaties die het buitenland aankoopt. De VS maakt er geen geheim van dat hij zijn schuld aan het buitenland niet terugbetaalt. Wie weigert om Amerikaans schatkistpapier te kopen pleegt een oorlogsdaad. Dat is de opstelling waaraan de VS het label exceptional ontleent. Amerikaans schatkistpapier mag dan rentedragend zijn, het is wel oninbaar. Executeren bij de uitgever zou leiden tot insolventie waarbij de stukken hun waarde verliezen.

Aan de dollardominantie komt een einde

Hudson laat zien hoe de VS de wereld economisch kon domineren, eerst als de grootste crediteur, later als de grootste debiteur, en hoe aan de dollardominantie een einde komt. Zijn uiteenzetting spoort met zijn boek van 1972 Super Imperialism: The Economic Strategy of American Empire’, waarvan een pdf-versie online beschikbaar is. Wie het boek te technisch vindt kan eens kijken naar het persbericht, het hoofdstuk ‘How America will get Europe to finance its 2002-03 oil war with Iraq’ en de ‘Preface to the second edition (2002)’ (p. 3-14), en eventueel de introductie (p. 15-37).

In het boek levert Hudson kritiek op de manier waarop de VS buitenlandse economieën uitbuit via de IMF en de Wereldbank. Ook het feit dat president Trump druk uitoefent op de Amerikaanse centrale bank om de rente te laten zakken komt aan de orde. Hudson meent dat Trump speculanten wil helpen arbitragewinsten te maken met goedkoop geld, en de huizen- en aandelenmarkt oppeppen, alsof men daarmee de reële economie helpt. Een lage rente moet ook de dollarkoers drukken waardoor de Amerikaanse uitvoer beter kan concurreren met het buitenland.

Trump zegt dat China de Yuan manipuleert door dollars te recycleren in Amerikaans schatkistpapier en daarmee de koers van de dollar opdrijft. Hij wil dat China het Amerikaanse schatkistpapier links laat liggen. Maar daarmee verliest hij de free lunch die China hem voorschotelt en legt hij de kiem voor het einde van de dollardominantie. China heeft geprobeerd zijn dollarreserves te investeren in Amerikaanse ondernemingen, waaronder een keten benzinestations, maar dat stuitte op Amerikaans verzet onder het mom van nationale veiligheid. Wat kan China dan anders doen dan Amerikaans schatkistpapier kopen?

China en Rusland kopen goud

Door China te verbieden zijn deviezenreserves om te zetten in Amerikaans schatkistpapier drijft Trump China buiten de dollarzone, en dus koopt China goud. Rusland doet dat ook. Ook andere landen vallen terug op de gouden wisselstandaard, waarbij goud wordt gebruikt in het internationaal handelsverkeer maar geen link heeft met binnenlandse geldcreatie. De gouden wisselstandaard heeft een belangrijke pre: de wereldgoudvoorraad bij centrale banken is beperkt. Een land dat oorlog voert raakt snel door zijn goudreserve. Herinvoering van de gouden standaard zet dus een rem op oorlog voeren.

Trump maakt dus komaf met het “gratis geld” in Amerika, met het monetaire imperialisme. Hij laat het buitenland afkicken van de dollar. Maar daarmee worden buitenlandse economieën onafhankelijk van de VS. Daar komt nog bij dat Trump geen handelsakkoorden tekent die hij niet kan winnen. Zo’n houding drijft niet enkel China, maar o.a. ook Rusland en Europa buiten de Amerikaanse invloedssfeer. Per saldo isoleert de VS zich op een moment waarop hij zijn maakindustrieën in belangrijke mate naar lagelonenlanden heeft overgeheveld.

Muntmanipulatie haalt de Amerikaanse maakindustrie niet terug

Trump denkt dat een lagere dollar leidt tot lagere loonkosten. Maar met nog maar weinig maakindustrie in de VS zet dat geen zoden aan de dijk. Volgens The World Factbook’ van de Amerikaanse geheime dienst CIA droeg in 2017 manufacturing voor 19,1% bij in het Amerikaanse BBP en services voor 80,0%. Voor China waren deze cijfers 40,5%, resp. 51,6%. Tenminste 1,2% (bron: Sipri) van het Amerikaanse BBP betreft de zwaar gesubsidieerde wapenindustrie (Boeing, Lockheed Martin, Raytheon, General Dynamics, Northrop Grumman, …) waarmee de VS de wereld onveilig maakt.

Een lagere dollar doet niets aan grondstofkosten, energie, kapitaal en krediet. En een lagere dollar is een serieuze strop voor werknemers. Die moeten meer betalen voor geïmporteerde goederen, en dat terwijl ze al zuchten onder hoge woonlasten, dure medische verzekering en zware fiscale lasten. De infrastructuur is in verval en de arbeidsmarkt verworden tot een gig economy, een klusjeseconomie, waarin vast werk plaats maakt voor klussen, een fenomeen dat we ook in Nederland zien met de zzp’ers, zelfstandigen zonder personeel.

De Amerikaanse kostenstructuur moet serieus omlaag

Muntmanipulatie helpt niet om de maakindustrie herop te bouwen. Een lagere dollar doet niets aan binnenlandse grondstofkosten of kosten voor energie, kapitaal en krediet. Amerika krijgt zijn maakindustrieën maar terug als de factor arbeid goedkoper wordt door lagere woonlasten en lagere transport- en infrastructuurkosten. Gezondheidszorg moet tenminste 50% goedkoper worden. Gebeurt dat alles niet, dan blijft een duur, geïsoleerd Amerika over, met een groot tekort op zijn handelsbalans en een even groot probleem om zijn wereldwijde militaire inspanningen te financieren.

Het Amerika van Trump kijkt aan tegen steeds minder “gratis geld”, een toenemend tekort op de federale begroting, een munt die steeds minder waard wordt en dus steeds duurdere import. Tegelijk gaat Trump voor maximale privatisering van maatschappelijke dienstverlening, de financiële sector en infrastructuur. De kloof tussen arm en rijk wordt nog groter dan die al is. Het is een neoliberaal beleid dat niet leidt tot een gezonde economie, maar tot een economie die zich steeds minder kan meten met het buitenland. En dat voorspelt niet veel goeds.

zaterdag 22 juni 2019

Iran and friends use bombs and missiles to give a taste of war to come


GULF OF OMAN (May 22, 2019). F/A-18F Super Hornet making an arrested landing on the flight deck
of the Nimitz-class aircraft carrier USS Abraham Lincoln (CVN 72). Photo: United States Navy.


Power vacuums in the Pentagon as a pattern of attacks across the Middle East look suspiciously like a demonstration of Iranian ‘irregular’ power.

The evolution of the US-Iran confrontation gets more complex by the day, a matter of smoke and mirrors with multiple accusations and uncertainties, and domestic politics constantly driving international actions.

For Trump, the current complication is that his Acting Secretary of Defense, Patrick Shanahan, has suddenly withdrawn his application for the permanent job because of family issues dating back some years. Not only does this leave a leadership vacuum at the top of the Pentagon but Trump’s intended replacement for Shanahan, army secretary Mark Esper, leaves a gap in the army job only a month after the air force secretary, Heather Wilson, herself stepped down.

In spite of this uncertainty, the military rhetoric coming out of Washington is growing tougher. Much is being made of the air force and navy firepower being moved towards the Gulf just as the White House insists that Iran has been responsible for the recent attacks on tankers in the Gulf of Oman.

Iran is not the only country that the US is berating. One of the most senior US military commanders, Paul Selva – an air force general and vice-chair of the Joint Chiefs of Staff – this week reminded other states which import oil and gas via the Strait of Hormuz that keeping the sea lanes open is not just a US responsibility. If a war comes, other countries will be expected to play a substantial role. Selva pointed out that the Gulf is far less important to the US than it was during the ‘tanker war’ of the 1980s, with fracking and other new technologies tapping more fossil fuels at home.

Interestingly the one country that could contribute almost overnight – the UK (as explained here a couple of weeks ago) – is in the middle of internal political upheavals. The rivals to replace Theresa May at Number 10 are vying with each other to be the most macho and pro-Trump. This is hardly likely to aid rational policy development, as both remaining candidates claim to want to make Britain great again.

Trump’s own rhetoric has been toned down but his problem with Iran remains and is made worse by that country’s own behaviour. It may be difficult to accept that almost everything that Iran is currently doing speaks of a canny assessment of Trump and a coordinated approach, but it is a possibility that does deserves examining.

Iran’s show of strength?

Earlier this week Iran announced that it would step up low-level uranium enrichment. This is the process that produces fuel for nuclear power stations; weapons-grade uranium must be enriched much further. [JR1] The nuclear deal that Iran signed in 2015 with China, France, Germany, Russia, the UK and the US – the US withdrew from the agreement last year – limits the amount of uranium it can enrich. Iran said that it would exceed that limit on 27 June. Meanwhile, consider the military and paramilitary happenings of the past couple of weeks.

All the tanker attacks have been low-level, typically using small limpet mines placed above the water line: enough to have an obvious effect but unlikely to cause serious casualties or sink ships. The attacks have all been outside the Persian Gulf, off the coast of the Arabian Sea and in the vicinity of Fujairah. This is the terminus for a pipeline that bypasses the Strait of Hormuz, with its Iranian coastline, to bring oil overland from Abu Dhabi.

Another pipeline that avoids the strait runs across Saudi Arabia from its eastern oilfields to a terminal on its Red Sea coast: the Saudis report that this was recently hit by an armed drone believed fired by the Houthi rebels in Yemen, allied to Iran.

In other developments this week, three Katyusha rockets were fired at Camp Taji, an Iraqi army base north of Baghdad where US trainers work. The Balad air base, also north of Baghdad, was hit by mortar fire in a separate attack.

Thus, tankers are attacked outside the Strait of Hormuz showing that bypassing the strait through Fujairah is still vulnerable to disruption, and an alternative pipeline route across Saudi Arabia is also attacked. Add to this the paramilitary attacks in Iraq on two bases used by US trainers of the Iraqi army, along with Iran threatening to respond to Trump’s abandonment of the nuclear deal, and you get a picture of a country not willing to buckle and also ready to send reminders of how an ‘irregular’ war could be waged.

This could all be coincidence, but it really is stretching things a bit when you put it together. Moreover, the risk of paramilitary attacks is certainly taken seriously by the Pentagon: witness the decision to send 2,500 extra troops to the region to help protect US bases and facilities.

Also being taken seriously is the shooting down of a US navy drone in what Tehran claims was Iranian airspace. The drone in question, a Northrop Grumman MQ-4C Triton, is one of the largest and most expensive uncrewed aircraft in the world, the size of a strike aircraft and costs $182 million apiece. It has a range of over 9,000 miles, can fly for 30 hours and reach an altitude of 60,000 feet. If it was flying anything like that high there will be questions asked in the Pentagon and the White House over how the Iranians could have managed to destroy it.

On the US side, Trump’s unpredictability and bombast, coupled with personnel upheavals in the Pentagon, do not make for sound judgement. Yesterday’s approval and then aborting of attacks on Iran in retaliation for the drone strike could have been a warning, or indecision, or both.

However, there are signs of Washington drawing back. One key indicator is that the US Special Representative for Iran, Brian Hook, travels to Paris early next week to meet senior French, German and British officials. Hook is an experienced White House advisor going back two decades. If the Europeans put serious pressure on the Trump administration to reduce tension, that might just have an effect. The bigger issue, though, is that it may be Iran rather than the US setting the agenda.

Paul Rogers is professor in the department of peace studies at Bradford University, northern England. He is openDemocracy's international-security editor, and has been writing a weekly column on global security since 28 September 2001; he also writes a monthly briefing for the Oxford Research Group. His books include Why We’re Losing the War on Terror (Polity, 2007), and Losing Control: Global Security in the 21st Century (Pluto Press, 3rd edition, 2010). He is on twitter at: @ProfPRogers

This article first appeared on openDemocracy 21 June 2019

dinsdag 28 mei 2019

US Army tweet provokes outpouring of antiwar sentiment



Cityscape of Qayyarah town on fire.The Mosul District, Northern Iraq, Western Asia. 09 November, 2016
Photo: Mstyslav Chernov (Wikimedia Commons)

by George Marlowe

It’s been hell for the world”

The United States Army did not get the response it intended when it asked in a tweet last week, “How has serving impacted you?” Instead of paeans to the military, the horrific reality of war on a world scale broke through the annual celebration of American militarism over the Memorial Day weekend.

By Monday night, there were over 11,000 comments in response to the US Army’s question. The official lies and platitudes employed by the ruling elite and the media to exalt war were shattered by stories detailing the living hell that has been imposed on millions of lives.

So massive was the outpouring of sentiment on social media that the response was covered by the mainstream news Monday night, a singular rarity on a day usually devoted to mindless jingoism. The incident even made headlines around the world, an expression of the vast global impact of US militarism.

Veteran suicides, depression, violence, recurring nightmares, post-traumatic stress disorder, drug abuse, addiction, alcoholism, rape and sexual assault by commanding officers, inadequate health care, generational trauma, exposure to chemical agents, war crimes. These were just some of the nightmarish tales that emerged.

Heartbreaking stories of veteran suicides were all too common. Shane Burley’s story was repeated in various forms by numerous people. “My best friend from high school was denied his mental health treatment and forced to return to a third tour in Iraq, despite having such deep trauma that he could barely function,” Shane wrote. “He took a handful of sleeping pills and shot himself in the head two weeks before deploying.”

Sean described what he called “the ‘Combat Cocktail’: PTSD, severe depression, anxiety. Isolation. Suicide attempts. Never ending rage. It cost me my relationship with my eldest son and my grandson. It cost some of my men so much more. How did serving impact me? Ask my family.”

Lies used to manufacture public consent for war were also opposed. “Don’t fabricate enemies and shove innocent Americans into wars that kill innocent civilians,” wrote one person. “You’ve gained nothing from all the wars combined. It’s been hell for the world.”

For all the nauseating glorification of the military by the media and the political establishment, those that serve in the military as cannon fodder are generally economic conscripts looking for a way out of poverty and the chance for a college degree. The reality is that they end up maimed, broken and scarred, with generations of families and friends affected by the trauma.

More than 5,500 veterans killed themselves last year, and active-duty military suicides were at an all-time high in 2018. More than 321 of those in active duty in the military killed themselves in 2018, with 138 in the US Army alone.

A 2018 study by the Council on Foreign Relations found that recruits from families with annual incomes less than $38,400 a year made up 19 percent of soldiers. Over 60 percent of recruits come from families with annual incomes less than $61,403, and over 80 percent come from families who make less than $80,912. The study did not show the levels at which the top 5 percent or the top 1 percent participated in the wars, but they no doubt constitute a tiny minority.

Numerous commenters on the US Army Twitter thread referred to the statements of Major-General Smedley Butler, who famously confessed in 1933, “War is just a racket. Only a small inside group knows what it is about. It is conducted for the benefit of the very few at the expense of the masses.”

There is deep opposition to war in the working class in the United States and internationally. As with every other political issue, however, the real interests of the vast majority of the population are excluded from official political life.

In the run-up to the 2003 invasion of Iraq, this sentiment found expression in mass demonstrations of millions of people throughout the world. Opposition to the Iraq war was channeled behind the Democratic Party, culminating in the election of Barack Obama in 2008. Extending the Bush administration’s “war on terror” in Iraq and Afghanistan, Obama attacked more than seven countries, including Libya and Syria, and killed thousands of innocent civilians through drone warfare.

The Trump administration now plans to dispatch 1,500 new troops to the Middle East and has threatened to “end” Iran. His administration also announced the doctrine of “great power” conflict, preparing even bigger military conflagrations against Russia and China that hurtle the world towards a third world war.

In 2017, the Department of Veterans Affairs under the Trump administration proposed to close more than 1,100 facilities in an effort to privatize health care. While only $220 billion was allotted to Veterans Affairs for the 2020 budget, more than $718 billion was requested by the Pentagon, a five percent increase over the previous year. If the trend continues, more than $7 trillion will be spent on war over the next decade.

With the support of the Democratic Party, moreover, the Trump administration is intensifying its campaign against WikiLeaks founder Julian Assange for exposing the crimes of American imperialism.

The Democrats have waged their opposition to Trump largely on the demand that the administration adopt a more aggressive position against Russia and expand the war in Syria and the Middle East. The Democrats have sought to position themselves as the party of the military and the intelligence agencies, hailing as heroes such arch warmongers as the late Republican Senator John McCain.

And the organizations of the complacent and privileged upper-middle class that surround the Democratic Party have become the most adamant supporters of American imperialism.

The sentiments expressed in the response to the US Army tweet must and will find organized form. The mass opposition to war must be connected to the growing struggles of workers, in the United States and internationally, against inequality and exploitation. The growing support for socialism must be connected to a conscious political movement of the international working class against capitalism and imperialism.

This article first appeared on World Socialist Web Site (WSWS) on 28 May 2019, and was republished with permission.

vrijdag 10 mei 2019

Wordt Europa een geopolitieke wereldspeler, of blijft het aan de leiband van de VS lopen?


Before departure from Shanghai to Beijing, China, 3 February 2018 (author: Karlbrix, Wikimedia Commons)


In een recent artikel dat ook op De Wereld Morgen verscheen stelden we dat Europa zich uit de NAVO moet terugtrekken en een eigen veiligheidsorganisatie stichten waarin ook plaats is voor Rusland. Zo’n stap is niet voor morgen. Wil de EU de boot niet missen, dan moet het haast maken met zich te onttrekken aan het Amerikaanse juk.

Het idee van een Europese defensie ontstond na de Tweede Wereldoorlog als reactie op wat werd gezien als de stalinistische dreiging. Onderhandelingen tussen de Britse buitenlandminister Ernest Bevin en zijn Belgische collega Paul-Henri Spaak leidden op 17 maart 1948 tot het Verdrag van Brussel, waarmee het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Nederland en Luxemburg het eerste Europese defensieverdrag sloten. Vervolgens vonden de Amerikanen de tijd rijp om te onderhandelen over een trans-Atlantische defensie, wat een jaar later uitmondde in het Verdrag van Washington van 4 april 1949, de oprichtingsakte van de NAVO.

In het wereldbeeld van vandaag zou hervorming van de EU in een geopolitiek onafhankelijke Unie met een eigen defensie, los van de VS, de doelstelling moeten zijn. De Antwerpse politicoloog Tom Sauer pleit voor een regionale collectieve veiligheidsorganisatie, mogelijk in de vorm van een versterkte OVSE, met schrapping van NAVO-artikel 5 (een gewapende aanval tegen één lid is een aanval tegen allen) en opname van Rusland. Voor Sauer vergt een ééngemaakt Europees leger de transformatie van de EU tot één federale Europese politieke unie. Of zo’n federaal Europa zich zou moeten beperken tot buitenlands beleid en defensie of alle beleidsdomeinen omvatten zegt Sauer er niet bij.

Verdeeldheid over buitenlands beleid

Sommige analisten denken dat er best eerst een Europees leger komt en dat het gemeenschappelijke buitenlandse beleid er dan wel stap voor stap zal komen. Meer theoretisch ingestelde analisten stellen dat een uniform buitenlands beleid in handen van “Brussel” er eerst moet komen. Hoe het ook zij, de realiteit is dat de 28 Europese lidstaten uiterst verdeeld zijn over het buitenlands beleid. Het koloniale verleden van een aantal landen, de terughoudendheid van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog en de angst voor Rusland bij de ex-Sovjetlanden speelt daarin mee. We geven een tweetal voorbeelden van die verdeeldheid.

Het Sykes-Picotverdrag van 1916 staat aan de wieg van de staat Israel. De EU moet zich dan vandaag het lot aantrekken van de Palestijnen. Sinds de Basic Law: Israel as the Nation State of the Jewish People is Israel als staat enkel voor de Joden. Arabieren zijn niet gelijkwaardig. Maar voor Europees hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken Federica Mogherini gaat die wet “eerst en vooral over de vraag hoe Israel zich definieert”, een aangelegenheid “waarover we het Israelisch binnenlands debat volledig respecteren”. Geen enkele kanttekening, geen veroordeling van een staat waar de ene etnische groep de andere domineert, in het jargon “apartheid”.

Op reis in Latijns Amerika bevestigde de Duitse buitenlandminister Heiko Maas de onvoorwaardelijke steun van zijn land aan de couppoging tegen de democratisch herverkozen Venezolaanse president Nicolas Maduro. Dat geeft frictie in de EU: Italië, Griekenland, Slowakije en Cyprus hebben hun steun aan Guaido onthouden, en ook niet-EU-leden Noorwegen en Turkije hebben dat gedaan. Of de Europese publieke opinie akkoord gaat met de steun van hun land aan de zoveelste Amerikaanse couppoging is lang niet zeker. Dat zelfs Venezolanen die Maduro kwijt willen niet akkoord gaat met Amerikaans militair ingrijpen waar Guaido openlijk op aandringt is ook in Europa geen geheim.

Recent gooit Duitsland het blijkbaar over een andere boeg. Het weigerde Guaido’s “ambassadeur” te erkennen nu Guaido er niet niet in geslaagd is om binnen 30 dagen verkiezingen te organiseren. De Spaanse regering had er bij de EU-collega’s op aangedrongen geen diplomatieke status te verlenen aan Guaido’s vertegenwoordigers nu de regering-Maduro duidelijk de controle bleef houden over de meeste overheidsinstellingen. Blijkbaar vreesde Spanje voor de 180.000 Spanjaarden en de Spaanse economische belangen in Venezuela zoals de multinationals Repsol, Telefonica, BBVA en Mapfre. Op wereldniveau maakt de EU in het Venezuela-dossier geen goede beurt.

Gebrek aan militaire capaciteiten

Om een volwaardig leger op de been te brengen zal Europa het gebrek aan militaire capaciteiten moeten invullen. Vandaag zijn de lidstaten voor veel zaken afhankelijk van de NAVO en het Amerikaanse militaire apparaat. Een Europees leger zal moeten investeren in eenheden voor militair transport, logistieke planning, air-to-air refueling, drones, militaire inlichtingen, enz. Er moet komaf worden gemaakt met de versnippering van de individuele defensie-uitgaven. De Europese legers moeten worden omgevormd tot een slagkrachtig militair apparaat dat zich kan meten met andere grote mogendheden. En er moet een Europees Pentagon komen dat dat leger beheert, met als sluitstuk een Europese minister van defensie.

Voor wat Europese nucleaire afschrikking betreft zouden tijdelijk de Franse en Britse kernwapens kunnen worden gebundeld, om die vervolgens in het kader van nucleaire non-proliferatie te ontmantelen. September 2018 kwam er op dit vlak goed nieuws uit Spanje: in ruil voor hun steun aan de begroting 2019 kreeg Podemos van de Spaanse regering de toezegging dat Spanje als eerste NAVO-lid het VN-verdrag tot verbod van kernwapens (TPNW) zal tekenen. Dat zou een belangrijke doorbraak betekenen binnen de NAVO en een impuls voor een Europese collectieve veiligheidsorganisatie.

NAVO-leden worden zich steeds meer bewust van het valse argument dat de NAVO enkel een nucleaire NAVO kan zijn. Spanje heeft laten weten dat het als NAVO-lid voornemens is om het VN-verdrag tot verbod van kernwapens (TPNW) te ondertekenen. Zelfs een land als Italië dat kernwapens op zijn grondgebied heeft overweegt het Spaanse voorbeeld te volgen en zijn verdragsrelatie met de VS te heronderhandelen.

Is de bijstandsclausule van art. 42 echt wel zo automatisch?

De eveneens Antwerpse professor David Criekemans spreekt zich over een uitstap uit de NAVO niet expliciet uit. Onze defensie wordt volgens hem wellicht” steeds meer Europees, met een eigen Europese defensie-industrie zodat we onze middelen niet richting Washington moeten laten weglekken. Niet alle Europese lidstaten beseffen dat het zonder “een meer geïntegreerd buitenlands beleid” niet zal gaan, zodat Europese strategische autonomie nog wel een generatie op zich zal laten wachten, aldus Criekemans.

Aanvullend wijst Criekemans erop dat de veiligheidsgarantie in het Verdrag van Brussel (art. V), die thans verankerd is in art. 42 van het Verdrag van Lissabon, veel sterker is dan die van de NAVO (het befaamde art. 5) en zou neerkomen op een automatische militaire bijstandsclausule. Wie art. 42 onder de loep neemt kan zich daar toch wel enkele vragen bij stellen. Zonder gemeenschappelijk buitenlands beleid kan het “operationeel vermogen” van §1 enkel ad-hoc ter beschikking worden gesteld, blijft een EU-defensiebeleid (§2) dode letter en houdt de VS/NAVO een stevige vinger in de pap. Eenparige besluitvorming (§4) rond het defensiebeleid in een verdeelde Unie is niet evident. De bijstandsclausule blijft afhankelijk (§7) van “het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten”, lees NAVO-leden. Opnieuw: Washington heeft het laatste woord.

Intussen staat de wereld niet stil

De EU mag dan een economische reus zijn, maar blijft in de schaduw van de VS een politieke dwerg. Politieke geloofwaardigheid in de wereld vergt een uniform Europees defensie- en buitenlands beleid. Daartoe zal het Verdrag van Lissabon moeten worden heronderhandeld. Elke link met de NAVO moet er uit. Maar 28 EU-leden op één lijn brengen is niet evident. Er zal hard onderhandeld moeten worden. In het proces vallen er misschien lidstaten af.

Intussen staat de wereld niet stil. Tot dusverre haalt de VS de schouders op over het Belt and Road Initiative (BRI) van China, de grote strategische rivaal. Daarmee slaat Washington de plank serieus mis. BRI biedt kansen voor Amerikaanse bedrijven. Deelnemende landen moeten niet noodzakelijk te afhankelijk worden van China. China wil met zijn BRI niet de grote winnaar zijn. Als de VS niet langs de zijlijn blijft staan kan BRI een Eurazië teweegbrengen dat eerder multipolair is dan een door China gedomineerd continent.

Vandaag bedraagt de handel in Afroeurasië meer dan $2 biljoen. De trans-Atlantische handel bedraagt “maar” $1,1 biljoen. Daarmee vormt Afroeurasië met zijn bijna 6 miljard inwoners nu al het zwaartepunt van de wereldeconomie. Saoedi Arabië, Rusland en Turkije zijn belangrijke spelers in deze nieuwe netwerken. Rusland, centraal in het trans-Euraziatische goederenvervoer, profiteert van Chinese investeringen om Siberië, dat rijk is aan natuurlijke hulpbronnen, te ontwikkelen. Turkije rolt zijn vrachtspoorlijnen naar China uit. Saoedi Arabië stelt zijn gigantische oliereserves ter beschikking van het BRI-netwerk, in ruil voor steun bij de diversificatie van zijn economie.

Europa stelt zich meer en meer open voor samenwerking met China. De EU mag dan China een “systemische rivaal” noemen, Europa sluit zich niet aan bij de Amerikaanse handelsoorlog. Europa doet ruim $500 miljard meer handel met Azië dan met de VS en ziet waar de opportuniteiten liggen. Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben zich dan niet aangesloten bij BRI, deze Europese toplanden zijn in 2015 wel lid geworden van de Aziatische Infrastructuurinvesteringsbank. Siemens heeft al tientallen handelsakkoorden gesloten met Chinese partners en een twaalftal Europese landen heeft zich intussen aangesloten bij BRI, waaronder recent ook Italië.

Wie trekt zich terug uit de NAVO, Europa of de VS?

De wereld van de 21e eeuw moet niet kiezen tussen Amerikaans of Chinees leiderschap. Het aandeel van Amerika in de wereldeconomie neemt af, het leger is overbelast en de geloofwaardigheid van de supermogendheid is in het gedrang. Al wat China ambieert is een plaats in een multipolaire wereld. Voor China is de ontwikkeling van handelsroutes naar Afroeurazië van existentieel belang. BRI moet het economisch verkeer tussen zo’n 100 postkoloniale en post-Sovjetrepublieken bevorderen. Dat kan enkel leiden tot meer welvaart in de derde wereld, betere zakenkansen in snelgroeiende markten en een multipolair Azië.

Zo’n toekomstbeeld sluit aan op een Amerikaans beleid waarin het niet meer overal moet ingrijpen, maar in het reine komt met zijn eigen beperkingen en tegelijk meeprofiteert van de economische groei die zich afspeelt aan de andere zijde van de planeet. China domineerde niet de historische Zijderoute en is niet van plan de toekomstige Zijderoute te dicteren, hoewel het wel het initiatief heeft genomen die te creëren. De EU moet geen kant kiezen maar zich openstellen voor elke grootmacht, een onafhankelijke koers varen en zich losmaken van de knellende overheersing van de VS.

Treedt Europa uit de NAVO, of trekt de VS zich terug uit het trans-Atlantisch bondgenootschap?

Dit artikel verscheen eerder op De Wereld Morgen