Photo: Huawei Gallery
Posts tonen met het label Rusland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rusland. Alle posts tonen
donderdag 8 augustus 2019
De vastgelopen Europese integratie
Deel
1: integratie is geopolitiek van levensbelang.
The second edition of the Huawei Story, November 29, 2017.
Photo: Huawei Gallery
Photo: Huawei Gallery
De
grootste dreiging voor de EU komt uit de VS. Trump’s
druk op Europese bondgenoten wordt in Washington breed
gedragen. Europa moet zijn trans-Atlantische reflex
overwinnen en focussen op een Euraziatisch
bondgenootschap. De Europese kwetsbaarheid voor Amerikaanse
digitale kolonisatie wordt duidelijk. Het debat
rond Russische dreiging staat integratie in de weg.
In
zijn artikel
‘Be
Afraid of the World, Be Very Afraid’
somt
de Amerikaanse professor internationale betrekkingen Stephen Walt
vijf mondiale problemen op die steeds verder ontaarden en misschien
nooit opgelost raken. In
Bad
Thing #3, The
End of the European Union,
toont
hij zich
niet
optimistisch over het Europese project. Dat
de
pogingen tot
een
uniform buitenlands beleid en een Europees leger tot niets hebben
geleid blijkt volgens Walt ook uit de ruggengraatloze Europese
reactie op de Amerikaanse indirecte sancties.
Inclusief de druk op de open grenzen lijkt de beoogde “steeds
verder geïntegreerde Unie” terug te glijden naar de oude
gemeenschappelijke markt, aldus Walt.
In
twee delen gaan wij in op de
problematiek die Walt
aansnijdt.
Vandaag belichten we de
geopolitieke
aspecten
van de Europese integratie. In
deel 2 kijken we naar het begrip “integratie”, stellen we
vast
dat de Europese integratie is vastgelopen en lichten we
de
meest voor de hand liggende uitweg voor de EU toe: Europa
met
twee snelheden.
De
kolossale
uitdagingen
waar de
Unie voor staat vergen uitzonderlijk leiderschap.
De
nieuwe Europese bestuursploeg zal zich moeten bewijzen, maar
vooral de
staatshoofden
en regeringsleiders
die
zich in
het besluitvormingsproces van de Europese Raad maar
al te graag achter
‘Brussel’
verschuilen.
De
grootste bedreiging voor de EU komt uit de Verenigde Staten
De
EU mag dan een economische reus zijn, het is maar
de
vraag of de Unie kan uitgroeien tot een geopolitieke
wereldspeler in
een multipolaire wereld of satelliet blijft van de
VS.
Lidstaten als Duitsland en Frankrijk mogen
op
het wereldtoneel hun
zegje doen,
maar
individueel
kunnen
zij
het
niet opnemen tegen grootmachten als de VS, China of zelfs Rusland.
Europese landen kijken terug op hun koloniale verleden dat hen tot
grote
mogendheid maakte,
maar vandaag kunnen
zij zo’n
status
enkel herwinnen
door het slechten van economische en politieke grenzen in Europa.
Afgezien
van de tegenstrijdigheden eigen aan het Europese economische en
politieke weefsel, komt de
grootste bedreiging voor de Unie uit onverwachte hoek: de
Verenigde Staten. Misschien heeft enkel een Europese leider als
Charles de Gaulle het Europese project gezien als bedreiging voor de
VS. Maar algemeen wordt de VS gezien als een genereuze hegemoon die
bijdroeg aan de naoorlogse Europese wederopbouw en integratie. Dat
Washington
Europa ooit
zou kunnen zien als tegenstrever,
ja zelfs rivaal, kwam bij niemand op.
Vier
decennia mondialisering en neoliberaal beleid hebben
de
Amerikaanse
middenklasse
ondergraven. Overheidsbeleid als laagdrempelig consumentenkrediet
moest de welvaartsdroom in stand houden, maar leidde tot economische
zeepbellen ongezien sinds de crisis van 1929. Om de welvaart van de
Amerikaanse burgers te vrijwaren meende de regering-Trump dat de
beste aanpak was om economische concurrenten te gronde te richten.
Olie- en aardgasexporteur Rusland moest eraan geloven. De economische
oorlog tegen China volgde. Zelfs traditionele bondgenoten als Europa,
Japan en Korea werden stevig aangepakt.
De
harde Amerikaanse aanpak van Europa wordt gedragen door het Congres
Vandaag
staat Europa voor de vraag of het klaar is voor een confrontatie met
de VS. Heffingen op Europese producten, de sancties op handel met
Iran, de druk op het Duitse gasleidingsproject Nord Stream 2 en de
aanschaf van Huawei-systemen, het protest tegen een Europese defensie
en buitenlands beleid, en de pressie om Amerikaans wapentuig aan te
schaffen, het zijn allemaal Amerikaanse initiatieven die Europese
leiders toeschrijven aan Trumps grillige persoonlijkheid. Maar die
maatregelen worden wel gedragen
door het Congres, en geïnitieerd en uitgevoerd door een batterij
bureaucraten
afkomstig uit de regering-Obama.
Het
succes van Europese integratie valt en staat met de opstelling van
Duitsland. De
steeds hardere Amerikaanse aanpak van zijn bondgenoten helpt om
over de
psychologische drempel te
stappen om
daar tegen in te gaan. Zelfs
Merkel komt schoorvoetend tot de conclusie dat de VS niet langer kan
worden vertrouwd, Europa zijn eigen weg moet inslaan en niet moet
denken dat het na Trump wel weer beter gaat. Geen Amerikaanse
president kan op tegen de lobby van het Amerikaanse
militair-industrieel
complex. Europa moet naar de pijpen van Washington blijven
dansen, Amerika moet zijn kansen in het conflict met China en Rusland
optimaliseren.
Focus
eerder op
Euraziatisch dan
trans-Atlantisch bondgenootschap
Voor
Europa betekent dat om
eerder
te focussen op een Euraziatisch bondgenootschap dan op een
trans-Atlantisch.
De eerste tekenen wijzen erop dat Europese landen weerstaan aan de
Amerikaanse druk. Het besef groeit dat Europa kwetsbaar is voor
Amerikaanse digitale
kolonisatie.
Huawei komt dus niet op de zwarte lijst, Europa stelt zich open voor
niet-Amerikaanse technologie. Duitsland zet zijn Nord Stream 2
project met Franse steun door.
De
VS mag dan hameren op de Russische dreiging, Europa telt maar weinig
politici die echt
in
zo’n dreiging
geloven. De
Zweedse, Poolse en Baltische politici die toch nog spreken over een
nakende Russische invasie trekken misschien deze kaart om Amerikaanse
steun tegen Duitsland te krijgen in hun Europese machtsspelletjes.
Het Europese debat rond
de houding ten opzichte van Rusland is één van de vele
tegenstellingen binnen de Unie die een verdere integratie in de weg
staan.
Het
dilemma waar de EU voor staat is te kiezen tussen dwang om de
weerspannige lidstaten in het gareel te krijgen, of voor het concept
van een EU van twee snelheden dat de dwarsliggers links laat liggen.
dinsdag 16 juli 2019
De de-dollarisatie van het Amerikaanse financiële imperium
Tot
voor kort moest de wereld deviezenreserves investeren in Amerikaans
schatkistpapier. Vandaag verbiedt Trump dat, uit angst voor een
sterke dollar. Een lage dollar doet echter niets voor de Amerikaanse
economie die draait op diensten. China en Rusland kopen goud om los
te komen van de dollar. Het beleid van Trump leidt tot een economie
die zich steeds minder kan meten met het buitenland.
In
een recent interview definieert
de Amerikaanse econoom en historicus Michael
Hudson imperialisme als
je iets toe-eigenen zonder daarvoor te betalen, op handelsvlak een
strategie om het deviezenoverschot van een land in te palmen zonder
een productieve rol te moeten spelen. Eenvoudig door te eisen dat het
investeert in Amerikaans schatkistpapier. Met zo’n treasury-bill
stelsel wordt het mondiale monetaire systeem een Amerikaanse free
lunch, een
retributiesysteem waarmee de VS bijvoorbeeld zijn complete militaire
apparaat kan financieren, aldus Hudson.
De
VS heeft een structureel tekort op zijn handelsbalans.
Dat tekort wordt gefinancierd door
staatsobligaties die
het buitenland aankoopt. De VS
maakt er geen geheim van dat hij zijn schuld aan het buitenland niet
terugbetaalt. Wie weigert om Amerikaans schatkistpapier te kopen
pleegt een oorlogsdaad. Dat is de opstelling waaraan de VS het label
exceptional ontleent. Amerikaans schatkistpapier mag
dan rentedragend zijn, het is wel oninbaar. Executeren bij de
uitgever zou leiden tot insolventie waarbij de stukken hun waarde
verliezen.
Aan
de dollardominantie komt een einde
Hudson
laat
zien hoe de
VS de wereld economisch kon domineren, eerst
als
de grootste crediteur,
later
als
de grootste debiteur,
en hoe aan de
dollardominantie
een
einde komt.
Zijn
uiteenzetting
spoort met zijn
boek
van 1972 ‘Super
Imperialism: The Economic Strategy of American Empire’,
waarvan
een pdf-versie
online
beschikbaar
is. Wie
het boek te technisch vindt kan
eens kijken
naar het persbericht, het hoofdstuk ‘How
America will get Europe to finance its 2002-03 oil war with Iraq’
en
de ‘Preface
to the second edition (2002)’
(p. 3-14),
en eventueel de introductie (p. 15-37).
In
het boek levert Hudson kritiek
op de manier waarop de VS buitenlandse
economieën
uitbuit via de IMF
en
de
Wereldbank.
Ook het feit dat president Trump druk uitoefent op de
Amerikaanse centrale bank om de rente te laten zakken komt aan de
orde. Hudson meent dat Trump speculanten wil helpen arbitragewinsten
te maken met goedkoop geld, en de huizen- en aandelenmarkt oppeppen,
alsof men daarmee de reële economie helpt. Een lage rente moet ook
de dollarkoers drukken waardoor de Amerikaanse uitvoer beter kan
concurreren met het buitenland.
Trump
zegt dat China de Yuan manipuleert door dollars te recycleren in
Amerikaans schatkistpapier en daarmee de koers van de dollar
opdrijft. Hij wil dat China het Amerikaanse schatkistpapier links
laat liggen. Maar daarmee verliest hij de free lunch die China
hem voorschotelt en legt hij de kiem voor het einde van de
dollardominantie. China heeft geprobeerd zijn dollarreserves te
investeren in Amerikaanse ondernemingen, waaronder een keten
benzinestations, maar dat stuitte op Amerikaans verzet onder het mom
van nationale veiligheid. Wat kan China dan anders doen dan
Amerikaans schatkistpapier kopen?
China
en Rusland kopen goud
Door
China te verbieden zijn deviezenreserves om te zetten in Amerikaans
schatkistpapier drijft Trump China buiten de dollarzone, en dus koopt
China goud. Rusland doet dat ook. Ook andere landen vallen terug op
de gouden wisselstandaard, waarbij goud wordt gebruikt in het
internationaal handelsverkeer maar geen link heeft met binnenlandse
geldcreatie. De gouden wisselstandaard heeft een belangrijke pre: de
wereldgoudvoorraad bij centrale banken is beperkt. Een land dat
oorlog voert raakt snel door zijn goudreserve. Herinvoering van de
gouden standaard zet dus een rem op oorlog voeren.
Trump
maakt dus komaf met het “gratis geld” in Amerika, met het
monetaire imperialisme. Hij laat het buitenland afkicken van de
dollar. Maar daarmee worden buitenlandse economieën onafhankelijk
van de VS. Daar komt nog bij dat Trump geen handelsakkoorden tekent
die hij niet kan winnen. Zo’n houding drijft niet enkel China, maar
o.a. ook Rusland en Europa buiten de Amerikaanse invloedssfeer. Per
saldo isoleert de VS zich op een moment waarop hij zijn
maakindustrieën in belangrijke mate naar
lagelonenlanden heeft
overgeheveld.
Muntmanipulatie
haalt de
Amerikaanse maakindustrie niet
terug
Trump
denkt dat een lagere dollar leidt tot lagere loonkosten. Maar met nog
maar weinig maakindustrie in de VS zet dat geen zoden aan de dijk.
Volgens ‘The World Factbook’ van de Amerikaanse
geheime dienst CIA droeg in 2017 manufacturing voor 19,1% bij
in het Amerikaanse BBP en services voor 80,0%. Voor China
waren deze cijfers 40,5%, resp. 51,6%. Tenminste
1,2%
(bron:
Sipri)
van
het Amerikaanse BBP
betreft
de
zwaar
gesubsidieerde wapenindustrie
(Boeing,
Lockheed Martin, Raytheon, General Dynamics, Northrop Grumman, …)
waarmee
de VS de wereld onveilig maakt.
Een
lagere dollar doet niets aan
grondstofkosten,
energie, kapitaal en krediet. En
een lagere dollar is een
serieuze strop
voor werknemers. Die moeten meer betalen voor geïmporteerde
goederen, en
dat terwijl ze al zuchten onder hoge woonlasten,
dure medische
verzekering en zware fiscale
lasten. De
infrastructuur is
in
verval en de arbeidsmarkt verworden tot een gig
economy,
een klusjeseconomie, waarin vast werk plaats maakt voor klussen, een
fenomeen dat we ook
in Nederland zien met de zzp’ers,
zelfstandigen
zonder personeel.
De
Amerikaanse kostenstructuur moet serieus omlaag
Muntmanipulatie
helpt
niet
om de maakindustrie herop te bouwen. Een
lagere dollar doet niets aan binnenlandse grondstofkosten of kosten
voor energie, kapitaal en krediet. Amerika krijgt zijn
maakindustrieën maar terug als de factor arbeid goedkoper wordt door
lagere woonlasten en lagere transport- en infrastructuurkosten.
Gezondheidszorg moet tenminste
50% goedkoper worden.
Gebeurt dat alles niet,
dan blijft een duur, geïsoleerd Amerika over, met een groot tekort
op zijn
handelsbalans en een even groot probleem om zijn wereldwijde
militaire inspanningen te financieren.
Het
Amerika van Trump kijkt aan
tegen steeds minder “gratis geld”, een toenemend tekort op de
federale begroting, een munt die steeds minder waard wordt en dus
steeds duurdere import. Tegelijk gaat Trump
voor maximale privatisering
van maatschappelijke dienstverlening, de financiële sector en
infrastructuur. De kloof tussen arm en rijk wordt nog groter dan
die al is. Het
is een neoliberaal beleid
dat niet leidt
tot een gezonde economie,
maar tot
een economie die zich steeds
minder kan meten met het
buitenland. En dat voorspelt
niet veel goeds.
zaterdag 22 juni 2019
Iran and friends use bombs and missiles to give a taste of war to come
GULF OF OMAN (May
22, 2019). F/A-18F Super Hornet making an arrested landing on the
flight deck
of the Nimitz-class aircraft carrier USS Abraham Lincoln
(CVN 72). Photo: United States Navy.
by Paul
Rogers
Power vacuums in
the Pentagon as a pattern of attacks across the Middle East look
suspiciously like a demonstration of Iranian ‘irregular’ power.
The evolution of the
US-Iran confrontation gets more complex by the day, a matter of smoke
and mirrors with multiple accusations and uncertainties, and domestic
politics constantly driving international actions.
For Trump, the
current complication is that his Acting Secretary of Defense, Patrick
Shanahan, has suddenly withdrawn
his application for the permanent job because of family issues
dating back some years. Not only does this leave a leadership vacuum
at the top of the Pentagon but Trump’s intended replacement for
Shanahan, army secretary Mark Esper, leaves a gap in the army job
only a month after the air force secretary, Heather Wilson, herself
stepped down.
In spite of this
uncertainty, the military rhetoric coming out of Washington is
growing tougher. Much is being made of the air
force and navy firepower being moved towards the Gulf just as the
White House insists that Iran has been responsible for the recent
attacks on tankers in the Gulf of Oman.
Iran is not the only
country that the US is berating. One of the most senior US military
commanders, Paul Selva – an air force general and vice-chair of the
Joint Chiefs of Staff – this week reminded
other states which import oil and gas via the Strait of Hormuz
that keeping the sea lanes open is not just a US responsibility. If a
war comes, other countries will be expected to play a substantial
role. Selva pointed out that the Gulf is far less important to the US
than it was during the ‘tanker war’ of the 1980s, with fracking
and other new technologies tapping more fossil fuels at home.
Interestingly the
one country that could contribute almost overnight – the UK (as
explained here a couple of weeks ago) – is in the middle of
internal political upheavals. The rivals to replace Theresa May at
Number 10 are vying with each other to be the most macho and
pro-Trump. This is hardly likely to aid rational policy development,
as both remaining candidates claim to want to make Britain great
again.
Trump’s own
rhetoric has been toned down but his problem with Iran remains and is
made worse by that country’s own behaviour. It may be difficult to
accept that almost everything that Iran is currently doing speaks of
a canny assessment of Trump and a coordinated approach, but it is a
possibility that does deserves examining.
Iran’s show of
strength?
Earlier this week
Iran announced that it would step up low-level uranium enrichment.
This is the process that produces fuel for nuclear power stations;
weapons-grade uranium must be enriched much further. [JR1] The
nuclear deal that Iran signed in 2015 with China, France, Germany,
Russia, the UK and the US – the US withdrew from the agreement last
year – limits the amount of uranium it can enrich. Iran said that
it would exceed that limit on 27 June. Meanwhile, consider the
military and paramilitary happenings of the past couple of weeks.
All the tanker
attacks have been low-level, typically using small limpet mines
placed above the water line: enough to have an obvious effect but
unlikely to cause serious casualties or sink ships. The attacks have
all been outside the Persian Gulf, off the coast of the Arabian Sea
and in the vicinity of Fujairah. This is the terminus for a pipeline
that bypasses the Strait of Hormuz, with its Iranian coastline, to
bring oil overland from Abu Dhabi.
Another pipeline
that avoids the strait runs across Saudi Arabia from its eastern
oilfields to a terminal on its Red Sea coast: the Saudis report that
this was recently
hit by an armed drone believed fired by the Houthi rebels in
Yemen, allied to Iran.
In other
developments this week, three
Katyusha rockets were fired at Camp Taji, an Iraqi army base
north of Baghdad where US trainers work. The Balad air base, also
north of Baghdad, was
hit by mortar fire in a separate attack.
Thus, tankers are
attacked outside the Strait of Hormuz showing that bypassing the
strait through Fujairah is still vulnerable to disruption, and an
alternative pipeline route across Saudi Arabia is also attacked. Add
to this the paramilitary attacks in Iraq on two bases used by US
trainers of the Iraqi army, along with Iran threatening to respond to
Trump’s abandonment of the nuclear deal, and you get a picture of a
country not willing to buckle and also ready to send reminders of how
an ‘irregular’ war could be waged.
This could all be
coincidence, but it really is stretching things a bit when you put it
together. Moreover, the risk of paramilitary attacks is certainly
taken seriously by the Pentagon: witness the decision to send 2,500
extra troops to the region to help protect US bases and facilities.
Also being taken
seriously is the shooting
down of a US navy drone in what Tehran claims was Iranian
airspace. The drone in question, a Northrop Grumman MQ-4C Triton, is
one of the largest and most expensive uncrewed aircraft in the world,
the size of a strike aircraft and costs $182 million apiece. It has a
range of over 9,000 miles, can fly for 30 hours and reach an altitude
of 60,000 feet. If it was flying anything like that high there will
be questions asked in the Pentagon and the White House over how the
Iranians could have managed to destroy it.
On the US side,
Trump’s unpredictability and bombast, coupled with personnel
upheavals in the Pentagon, do not make for sound judgement.
Yesterday’s approval and then aborting of attacks on Iran in
retaliation for the drone strike could have been a warning, or
indecision, or both.
However, there are
signs of Washington drawing back. One key indicator is that the US
Special Representative for Iran, Brian
Hook, travels to Paris early next week to meet senior French,
German and British officials. Hook is an experienced White House
advisor going back two decades. If the Europeans put serious pressure
on the Trump administration to reduce tension, that might just have
an effect. The bigger issue, though, is that it may be Iran rather
than the US setting the agenda.
Paul
Rogers is professor in the department
of peace studies at
Bradford University, northern England. He is openDemocracy's
international-security
editor, and has been writing a weekly column on global security since
28 September 2001; he also writes a monthly briefing for the Oxford
Research Group.
His books include Why
We’re Losing the War on Terror
(Polity,
2007), and Losing
Control: Global Security in the 21st Century
(Pluto
Press, 3rd edition, 2010). He is on twitter at: @ProfPRogers
Labels:
Article in English,
China,
Duitsland,
Frankrijk,
Groot-Brittannië,
Irak,
Iran,
Jemen,
Rusland,
Saudi Arabië,
UAE,
VS
dinsdag 28 mei 2019
US Army tweet provokes outpouring of antiwar sentiment
Cityscape
of Qayyarah town on fire.The Mosul District, Northern Iraq, Western
Asia. 09 November, 2016
by George Marlowe
“It’s
been hell for the world”
The United States
Army did not get the response it intended when it asked in a tweet
last week, “How has serving impacted you?” Instead of paeans to
the military, the horrific reality of war on a world scale broke
through the annual celebration of American militarism over the
Memorial Day weekend.
By Monday night,
there were over 11,000 comments in response to the US Army’s
question. The official lies and platitudes employed by the ruling
elite and the media to exalt war were shattered by stories detailing
the living hell that has been imposed on millions of lives.
So massive was the
outpouring of sentiment on social media that the
response was covered by the mainstream news Monday night, a
singular rarity on a day usually devoted to mindless jingoism. The
incident even made headlines around the world, an expression of the
vast global impact of US militarism.
Veteran suicides,
depression, violence, recurring nightmares, post-traumatic stress
disorder, drug abuse, addiction, alcoholism, rape and sexual assault
by commanding officers, inadequate health care, generational trauma,
exposure to chemical agents, war crimes. These were just some of the
nightmarish tales that emerged.
Heartbreaking
stories of veteran suicides were all too common. Shane Burley’s
story was repeated in various forms by numerous people. “My best
friend from high school was denied his mental health treatment and
forced to return to a third tour in Iraq, despite having such deep
trauma that he could barely function,” Shane wrote. “He took a
handful of sleeping pills and shot himself in the head two weeks
before deploying.”
Sean described what
he called “the ‘Combat Cocktail’: PTSD, severe depression,
anxiety. Isolation. Suicide attempts. Never ending rage. It cost me
my relationship with my eldest son and my grandson. It cost some of
my men so much more. How did serving impact me? Ask my family.”
Lies used to
manufacture public consent for war were also opposed. “Don’t
fabricate enemies and shove innocent Americans into wars that kill
innocent civilians,” wrote one person. “You’ve gained nothing
from all the wars combined. It’s been hell for the world.”
For all the
nauseating glorification of the military by the media and the
political establishment, those that serve in the military as cannon
fodder are generally economic conscripts looking for a way out of
poverty and the chance for a college degree. The reality is that they
end up maimed, broken and scarred, with generations of families and
friends affected by the trauma.
More than 5,500
veterans killed themselves last year, and active-duty military
suicides were at an all-time high in 2018. More than 321 of those in
active duty in the military killed themselves in 2018, with 138 in
the US Army alone.
A 2018 study by the
Council on Foreign Relations found that recruits from families with
annual incomes less than $38,400 a year made up 19 percent of
soldiers. Over 60 percent of recruits come from families with annual
incomes less than $61,403, and over 80 percent come from families who
make less than $80,912. The study did not show the levels at which
the top 5 percent or the top 1 percent participated in the wars, but
they no doubt constitute a tiny minority.
Numerous commenters
on the US Army Twitter thread referred to the statements of
Major-General Smedley Butler, who famously confessed in 1933, “War
is just a racket. Only a small inside group knows what it is about.
It is conducted for the benefit of the very few at the expense of the
masses.”
There is deep
opposition to war in the working class in the United States and
internationally. As with every other political issue, however, the
real interests of the vast majority of the population are excluded
from official political life.
In the run-up to the
2003 invasion of Iraq, this sentiment found expression in mass
demonstrations of millions of people throughout the world. Opposition
to the Iraq war was channeled behind the Democratic Party,
culminating in the election of Barack Obama in 2008. Extending the
Bush administration’s “war on terror” in Iraq and Afghanistan,
Obama attacked more than seven countries, including Libya and Syria,
and killed thousands of innocent civilians through drone warfare.
The Trump
administration now plans to dispatch 1,500 new troops to the Middle
East and has threatened to “end” Iran. His administration also
announced the doctrine of “great power” conflict, preparing even
bigger military conflagrations against Russia and China that hurtle
the world towards a third world war.
In 2017, the
Department of Veterans Affairs under the Trump administration
proposed to close more than 1,100 facilities in an effort to
privatize health care. While only $220 billion was allotted to
Veterans Affairs for the 2020 budget, more than $718 billion was
requested by the Pentagon, a five percent increase over the previous
year. If the trend continues, more than $7 trillion will be spent on
war over the next decade.
With the support of
the Democratic Party, moreover, the Trump administration is
intensifying its campaign against WikiLeaks founder Julian Assange
for exposing the crimes of American imperialism.
The Democrats have
waged their opposition to Trump largely on the demand that the
administration adopt a more aggressive position against Russia and
expand the war in Syria and the Middle East. The Democrats have
sought to position themselves as the party of the military and the
intelligence agencies, hailing as heroes such arch warmongers as the
late Republican Senator John McCain.
And the
organizations of the complacent and privileged upper-middle class
that surround the Democratic Party have become the most adamant
supporters of American imperialism.
The sentiments
expressed in the response to the US Army tweet must and will find
organized form. The mass opposition to war must be connected to the
growing struggles of workers, in the United States and
internationally, against inequality and exploitation. The growing
support for socialism must be connected to a conscious political
movement of the international working class against capitalism and
imperialism.
This
article first appeared on World
Socialist Web Site (WSWS)
on
28 May 2019, and was republished with permission.
Labels:
Afghanistan,
Article in English,
China,
Irak,
Iran,
Libië,
Rusland,
Syrië,
VS
vrijdag 10 mei 2019
Wordt Europa een geopolitieke wereldspeler, of blijft het aan de leiband van de VS lopen?
Before departure from Shanghai to Beijing, China, 3 February 2018 (author: Karlbrix, Wikimedia Commons)
In een recent artikel dat ook op De Wereld Morgen verscheen stelden we dat Europa zich uit de NAVO moet terugtrekken en een eigen veiligheidsorganisatie stichten waarin ook plaats is voor Rusland. Zo’n stap is niet voor morgen. Wil de EU de boot niet missen, dan moet het haast maken met zich te onttrekken aan het Amerikaanse juk.
Het idee van een Europese defensie ontstond na de Tweede Wereldoorlog als reactie op wat werd gezien als de stalinistische dreiging. Onderhandelingen tussen de Britse buitenlandminister Ernest Bevin en zijn Belgische collega Paul-Henri Spaak leidden op 17 maart 1948 tot het Verdrag van Brussel, waarmee het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Nederland en Luxemburg het eerste Europese defensieverdrag sloten. Vervolgens vonden de Amerikanen de tijd rijp om te onderhandelen over een trans-Atlantische defensie, wat een jaar later uitmondde in het Verdrag van Washington van 4 april 1949, de oprichtingsakte van de NAVO.
In het wereldbeeld van vandaag zou hervorming van de EU in een geopolitiek onafhankelijke Unie met een eigen defensie, los van de VS, de doelstelling moeten zijn. De Antwerpse politicoloog Tom Sauer pleit voor een regionale collectieve veiligheidsorganisatie, mogelijk in de vorm van een versterkte OVSE, met schrapping van NAVO-artikel 5 (een gewapende aanval tegen één lid is een aanval tegen allen) en opname van Rusland. Voor Sauer vergt een ééngemaakt Europees leger de transformatie van de EU tot één federale Europese politieke unie. Of zo’n federaal Europa zich zou moeten beperken tot buitenlands beleid en defensie of alle beleidsdomeinen omvatten zegt Sauer er niet bij.
Verdeeldheid over buitenlands beleid
Sommige analisten denken dat er best eerst een Europees leger komt en dat het gemeenschappelijke buitenlandse beleid er dan wel stap voor stap zal komen. Meer theoretisch ingestelde analisten stellen dat een uniform buitenlands beleid in handen van “Brussel” er eerst moet komen. Hoe het ook zij, de realiteit is dat de 28 Europese lidstaten uiterst verdeeld zijn over het buitenlands beleid. Het koloniale verleden van een aantal landen, de terughoudendheid van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog en de angst voor Rusland bij de ex-Sovjetlanden speelt daarin mee. We geven een tweetal voorbeelden van die verdeeldheid.
Het Sykes-Picotverdrag van 1916 staat aan de wieg van de staat Israel. De EU moet zich dan vandaag het lot aantrekken van de Palestijnen. Sinds de Basic Law: Israel as the Nation State of the Jewish People is Israel als staat enkel voor de Joden. Arabieren zijn niet gelijkwaardig. Maar voor Europees hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken Federica Mogherini gaat die wet “eerst en vooral over de vraag hoe Israel zich definieert”, een aangelegenheid “waarover we het Israelisch binnenlands debat volledig respecteren”. Geen enkele kanttekening, geen veroordeling van een staat waar de ene etnische groep de andere domineert, in het jargon “apartheid”.
Op reis in Latijns Amerika bevestigde de Duitse buitenlandminister Heiko Maas de onvoorwaardelijke steun van zijn land aan de couppoging tegen de democratisch herverkozen Venezolaanse president Nicolas Maduro. Dat geeft frictie in de EU: Italië, Griekenland, Slowakije en Cyprus hebben hun steun aan Guaido onthouden, en ook niet-EU-leden Noorwegen en Turkije hebben dat gedaan. Of de Europese publieke opinie akkoord gaat met de steun van hun land aan de zoveelste Amerikaanse couppoging is lang niet zeker. Dat zelfs Venezolanen die Maduro kwijt willen niet akkoord gaat met Amerikaans militair ingrijpen waar Guaido openlijk op aandringt is ook in Europa geen geheim.
Recent gooit Duitsland het blijkbaar over een andere boeg. Het weigerde Guaido’s “ambassadeur” te erkennen nu Guaido er niet niet in geslaagd is om binnen 30 dagen verkiezingen te organiseren. De Spaanse regering had er bij de EU-collega’s op aangedrongen geen diplomatieke status te verlenen aan Guaido’s vertegenwoordigers nu de regering-Maduro duidelijk de controle bleef houden over de meeste overheidsinstellingen. Blijkbaar vreesde Spanje voor de 180.000 Spanjaarden en de Spaanse economische belangen in Venezuela zoals de multinationals Repsol, Telefonica, BBVA en Mapfre. Op wereldniveau maakt de EU in het Venezuela-dossier geen goede beurt.
Gebrek aan militaire capaciteiten
Om een volwaardig leger op de been te brengen zal Europa het gebrek aan militaire capaciteiten moeten invullen. Vandaag zijn de lidstaten voor veel zaken afhankelijk van de NAVO en het Amerikaanse militaire apparaat. Een Europees leger zal moeten investeren in eenheden voor militair transport, logistieke planning, air-to-air refueling, drones, militaire inlichtingen, enz. Er moet komaf worden gemaakt met de versnippering van de individuele defensie-uitgaven. De Europese legers moeten worden omgevormd tot een slagkrachtig militair apparaat dat zich kan meten met andere grote mogendheden. En er moet een Europees Pentagon komen dat dat leger beheert, met als sluitstuk een Europese minister van defensie.
Voor wat Europese nucleaire afschrikking betreft zouden tijdelijk de Franse en Britse kernwapens kunnen worden gebundeld, om die vervolgens in het kader van nucleaire non-proliferatie te ontmantelen. September 2018 kwam er op dit vlak goed nieuws uit Spanje: in ruil voor hun steun aan de begroting 2019 kreeg Podemos van de Spaanse regering de toezegging dat Spanje als eerste NAVO-lid het VN-verdrag tot verbod van kernwapens (TPNW) zal tekenen. Dat zou een belangrijke doorbraak betekenen binnen de NAVO en een impuls voor een Europese collectieve veiligheidsorganisatie.
NAVO-leden worden zich steeds meer bewust van het valse argument dat de NAVO enkel een nucleaire NAVO kan zijn. Spanje heeft laten weten dat het als NAVO-lid voornemens is om het VN-verdrag tot verbod van kernwapens (TPNW) te ondertekenen. Zelfs een land als Italië dat kernwapens op zijn grondgebied heeft overweegt het Spaanse voorbeeld te volgen en zijn verdragsrelatie met de VS te heronderhandelen.
Is de bijstandsclausule van art. 42 echt wel zo automatisch?
De eveneens Antwerpse professor David Criekemans spreekt zich over een uitstap uit de NAVO niet expliciet uit. Onze defensie wordt volgens hem “wellicht” steeds meer Europees, met een eigen Europese defensie-industrie zodat we onze middelen niet richting Washington moeten laten weglekken. Niet alle Europese lidstaten beseffen dat het zonder “een meer geïntegreerd buitenlands beleid” niet zal gaan, zodat Europese strategische autonomie nog wel een generatie op zich zal laten wachten, aldus Criekemans.
Aanvullend wijst Criekemans erop dat de veiligheidsgarantie in het Verdrag van Brussel (art. V), die thans verankerd is in art. 42 van het Verdrag van Lissabon, veel sterker is dan die van de NAVO (het befaamde art. 5) en zou neerkomen op een automatische militaire bijstandsclausule. Wie art. 42 onder de loep neemt kan zich daar toch wel enkele vragen bij stellen. Zonder gemeenschappelijk buitenlands beleid kan het “operationeel vermogen” van §1 enkel ad-hoc ter beschikking worden gesteld, blijft een EU-defensiebeleid (§2) dode letter en houdt de VS/NAVO een stevige vinger in de pap. Eenparige besluitvorming (§4) rond het defensiebeleid in een verdeelde Unie is niet evident. De bijstandsclausule blijft afhankelijk (§7) van “het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten”, lees NAVO-leden. Opnieuw: Washington heeft het laatste woord.
Intussen staat de wereld niet stil
De EU mag dan een economische reus zijn, maar blijft in de schaduw van de VS een politieke dwerg. Politieke geloofwaardigheid in de wereld vergt een uniform Europees defensie- en buitenlands beleid. Daartoe zal het Verdrag van Lissabon moeten worden heronderhandeld. Elke link met de NAVO moet er uit. Maar 28 EU-leden op één lijn brengen is niet evident. Er zal hard onderhandeld moeten worden. In het proces vallen er misschien lidstaten af.
Intussen staat de wereld niet stil. Tot dusverre haalt de VS de schouders op over het Belt and Road Initiative (BRI) van China, de grote strategische rivaal. Daarmee slaat Washington de plank serieus mis. BRI biedt kansen voor Amerikaanse bedrijven. Deelnemende landen moeten niet noodzakelijk te afhankelijk worden van China. China wil met zijn BRI niet de grote winnaar zijn. Als de VS niet langs de zijlijn blijft staan kan BRI een Eurazië teweegbrengen dat eerder multipolair is dan een door China gedomineerd continent.
Vandaag bedraagt de handel in Afroeurasië meer dan $2 biljoen. De trans-Atlantische handel bedraagt “maar” $1,1 biljoen. Daarmee vormt Afroeurasië met zijn bijna 6 miljard inwoners nu al het zwaartepunt van de wereldeconomie. Saoedi Arabië, Rusland en Turkije zijn belangrijke spelers in deze nieuwe netwerken. Rusland, centraal in het trans-Euraziatische goederenvervoer, profiteert van Chinese investeringen om Siberië, dat rijk is aan natuurlijke hulpbronnen, te ontwikkelen. Turkije rolt zijn vrachtspoorlijnen naar China uit. Saoedi Arabië stelt zijn gigantische oliereserves ter beschikking van het BRI-netwerk, in ruil voor steun bij de diversificatie van zijn economie.
Europa stelt zich meer en meer open voor samenwerking met China. De EU mag dan China een “systemische rivaal” noemen, Europa sluit zich niet aan bij de Amerikaanse handelsoorlog. Europa doet ruim $500 miljard meer handel met Azië dan met de VS en ziet waar de opportuniteiten liggen. Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben zich dan niet aangesloten bij BRI, deze Europese toplanden zijn in 2015 wel lid geworden van de Aziatische Infrastructuurinvesteringsbank. Siemens heeft al tientallen handelsakkoorden gesloten met Chinese partners en een twaalftal Europese landen heeft zich intussen aangesloten bij BRI, waaronder recent ook Italië.
Wie trekt zich terug uit de NAVO, Europa of de VS?
De wereld van de 21e eeuw moet niet kiezen tussen Amerikaans of Chinees leiderschap. Het aandeel van Amerika in de wereldeconomie neemt af, het leger is overbelast en de geloofwaardigheid van de supermogendheid is in het gedrang. Al wat China ambieert is een plaats in een multipolaire wereld. Voor China is de ontwikkeling van handelsroutes naar Afroeurazië van existentieel belang. BRI moet het economisch verkeer tussen zo’n 100 postkoloniale en post-Sovjetrepublieken bevorderen. Dat kan enkel leiden tot meer welvaart in de derde wereld, betere zakenkansen in snelgroeiende markten en een multipolair Azië.
Zo’n toekomstbeeld sluit aan op een Amerikaans beleid waarin het niet meer overal moet ingrijpen, maar in het reine komt met zijn eigen beperkingen en tegelijk meeprofiteert van de economische groei die zich afspeelt aan de andere zijde van de planeet. China domineerde niet de historische Zijderoute en is niet van plan de toekomstige Zijderoute te dicteren, hoewel het wel het initiatief heeft genomen die te creëren. De EU moet geen kant kiezen maar zich openstellen voor elke grootmacht, een onafhankelijke koers varen en zich losmaken van de knellende overheersing van de VS.
Treedt Europa uit de NAVO, of trekt de VS zich terug uit het trans-Atlantisch bondgenootschap?
Dit
artikel verscheen eerder op De
Wereld Morgen
Abonneren op:
Posts (Atom)





