donderdag 20 oktober 2011

Luidt de sterke opkomst van de N-VA de doodsklok over het liberalisme in Vlaanderen?

    

In een opiniestuk in De Standaard [1] gaat de liberale politicus Mathias De Clercq de strijd aan met het Vlaams-nationalisme. “Liberalisme staat haaks op nationalisme,” aldus de auteur. Een opgemerkt artikel, dat heel wat emoties losmaakte, getuige de stroom reacties op de digitale versie. Sommigen worden door het artikel gesterkt in hun stemgedrag vóór de Vlaamse liberalen en tégen de Vlaamse nationalisten. Believers wijzen erop dat de zoektocht naar compromissen langs beide kanten van de taalgrens veel waardevoller is dan het zich opsluiten in het eigen Vlaamse gelijk. Anderen zien de liberalen dan weer als “slippendragers van het grootkapitaal” en vinden “gewone burgers” die achter de liberalen staan “ongelooflijk naïef.” Non-believers zien intellectuele oneerlijkheid en vooringenomenheid in het stuk van de auteur en verwerpen diens stelling dat liberalisme/kapitalisme en nationalisme elkaars tegengestelden zijn.

Men kan van mening verschillen over de kwaliteit van het stuk van De Clercq. Maar op een lesje liberalisme, individualisme en nationalisme zit men in deze bijna kapothervormde [2] Belgische staat toch niet te wachten. Het dramatische verlies van de Open Vlaamse Liberalen en Democraten (Open Vld) aan de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA), dat is wat de kleinzoon [3] van de eerste liberale partijvoorzitter in Vlaanderen moet hebben bewogen. Met een aanhang van 36% [4] evolueert de N-VA naar een brede volkspartij, terwijl de Open Vld zich vertwijfeld afvraagt of de partij bij de volgende verkiezingen nog wel de kiesdrempel haalt. In 1992 werd de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) van weleer omgevormd naar “Vlaamse Liberalen en Democraten” (VLD), maar de partij is er niet in geslaagd zich een Vlaams imago aan te meten. De N-VA spreekt misschien separatisten aan, maar de aanwas van de laatste jaren bestaat toch vooral uit mensen die een einde willen zien aan "de Belgische ziekte," [5] zonder dat zulks tot een scheiding moet leiden.

Hoe kijkt men in het buitenland aan tegen de Belgische problematiek? In Britse politieke kringen ter rechter zijde bestaat de gedachte dat België eigenlijk helemaal niet bestaat. [6] Deze lieden menen dat er geen sprake is van een Belgische natie, maar van gescheiden groepen Frans- en Nederlandssprekenden in een kunstmatig koninkrijk. Mensen die niet dezelfde vaderlandslievende bezwaren koesteren tegen het opgaan van hun land in een EU superstaat als de Britten. In de tijd van Margaret Thatcher werd daar enkel besmuikt over gesproken. Maar de ultraconservatieve Britse politicus Nigel Farage was daar begin vorig jaar in het Europees parlement minder terughoudend over. België is een microcosmos van wat de EU te wachten staat, aldus Farage in de onderstaande videoclip.


Hoe wordt er in België zélf gedacht over het voortbestaan van het eigen land? Leidt het succes van de Vlaams-nationalisten tot een splitsing? Wetenschappelijk onderzoek [7] van de Katholieke Universiteit Leuven geeft inzicht in de Vlaams-Belgischgezindheid van de Vlamingen in 2007. “Schattingen van hen die de splitsing van België willen én dit tegelijkertijd belangrijk vinden situeren zich tussen minimaal 2% en maximaal 7%. Een redelijke tussenliggende waarde lijkt 3,9% van het Vlaamse electoraat te zijn, een gelijkaardig cijfer als bij de verkiezingen van 1991,” aldus de onderzoekers. Nu het onderzoek van 2007 bevestigt dat er tussen 1991 en 2007 hooguit geringe verschuivingen zijn geweest mag men aannemen dat ook vandaag er maar een kleine minderheid is die België wil splitsen. Dat maakt de harde aanval van Mathias De Clercq op de N-VA des te ongerijmder.

Daar waar het electoraat vraagt om een goed werkende Belgische staat zouden de liberalen, die nota bene zelf eind april 2010 de regering-Leterme op een communautair thema lieten vallen, zich heel wat constructiever kunnen opstellen dan zich af te zetten tegen het Vlaams nationalisme. De Brusselse journalist Mehmet Koksal geeft daarbij het goede voorbeeld. Koksal stelt [8] de vraag aan de orde of de institutionele hervormingen van de afgelopen decennia wel het juiste antwoord geven aan “de uitdagingen van dit surrealistische land.” Daarbij wijst Koksal op de vergelijkende studie [9] van Nenad Stojanovic, die voorstelt de klassieke tweedeling tussen mononationale staten zoals Frankrijk en multinationale staten zoals België te laten varen en eens nauwgezet te kijken naar het Zwitserse model.

Luidt de sterke opkomst van de N-VA de doodsklok over het liberalisme in Vlaanderen? Niet noodzakelijk. De nieuwe aanhang van de N-VA herbergt veel proteststemmers tegen de ó zo mooie, maar nauwelijks gerealiseerde “burgermanifesten” van Guy Verhofstadt, en de meegaande houding van de liberalen in de problematiek van een Belgische staat die steeds slechter functioneert. De partij moet niet in het voetspoor treden van “koninklijk ontmijner” Jean-Luc Dehaene, die augustus 2007 - getuige zijn befaamde schootnota met de opmerking "quid N-VA?" - de koning kwam voorstellen de N-VA van regeringsdeelname uit te sluiten. De Vlaamse liberalen mogen dan binnenkort toetreden tot een federale regering (waarin de Vlaamse partijen overigens een minderheid vormen), maar willen zij op termijn een betekenisvolle rol blijven spelen in de landspolitiek, dan moeten zij dringend de bekommernissen die leven bij de 36% N-VA-kiezers serieus nemen. Het oppervlakkige anti-N-VA artikeltje van Mathias De Clercq werkt bij het electoraat eerder averechts.

[1] Mathias De Clercq: “Liberalen gruwen van nationalisme
[2] "Net door vertrouwelijke onderhandelingen in besloten kring over steeds wanstaltiger compromissen werd het federale koninkrijk België de afgelopen decennia kapothervormd. BHV is slechts de tip van de ijsberg die de Belgische staat onder de waterlijn sloeg.” Rik Van Cauwelaert (Chef Wetstraat) in Knack, 28 april 2010
[3] Wikipedia: “Mathias De Clercq
[4] De Morgen: “N-VA en PS blijven de grootste in nieuwe peiling
[5] Walter Zinsen: De Belgische ziekte. Particratie heerst in alle gewesten
[6] Vanessa Mock en Andy McSmith: “Belgian outrage over tirade by MEP Nigel Farage. Former Ukip leader may be disciplined for 'insulting and disrespectful' remarks
[7] Marc Swyngedouw en Nathalie Rink: “Hoe Vlaams-Belgischgezind zijn de Vlamingen? Een analyse op basis van het postelectorale verkiezingsonderzoek 2007
[8] Mehmet Koksal: “Zwitserse precisie voor de Belgen
[9] Nenad Stojanovic: “Mononational and multinational states A valid dichotomy?

dinsdag 18 oktober 2011

They called us crazy

Thoughts on the Arab revolution from an Arab nationalist
by Dyab Abou Jahjah

They called us crazy, naïve, radical, foolish, relics of another time, irrational, but we always believed and preached the Arab revolution. We always believed that our Arab peoples are oppressed and that they want to liberate themselves. We refused to accept the racist statements made by western orientalists and by all kinds of self-hating Arabs that somehow the Arab person is inclined towards absolutism and is not interested in freedom. We refused to accept the preaching of both right wing pundits and Muslim extremists that Islam and democracy are not compatible. And we refused to accept the poisoned gift of democracy imported on an American tank and we exposed it as invasion and occupation. We always believed that like every person on earth our people want dignity and freedom, and that these values are universal. We also always believed that our culture that is Islamic in essence is compatible with democracy as much as the Jewish or Christian cultures are, with the necessary adjustments and tact.

Some people shared our views but contested the revolutionary method we advocated and said that revolutions are of another time, and that the only way towards democracy is to support some enlightened despot who is willing to make reform, albeit under the pressure of the west. We refused that because we knew that a despot is never enlightened and that the west doesn’t want democracy in our countries as much as it wants stability and safe oil trade. We also knew that democracy is a threat to Israel and a threat to western hegemonic policies, because democracy translates the popular will into policies and our people want national dignity as much as we want freedom. Our people also want a free Palestine and if we had the opportunity to determine the agenda, each Arab country would have Palestine on the top of its foreign policy interests. And this is why Arab democracy frightens the west.

When the first spark of the Arab revolution ignited in the town of Sidi Bouzid in Tunisia the west stood supportive of the Tunisian regime. France offered police help to the Tunisian dictator and said that it would put its expertise gained in oppressing the Arab and immigrant youth in the Parisian suburbs at his disposal. This is the authentic position of the west towards Arab freedom and democracy. Supporting the dictators, considering the revolting masses as thugs and rushing to lend a hand to oppress the people.

The people of Tunisia did not expect anything else from the ex-colonizer but an attempt to keep its colonial policies by supporting Ben Ali and projecting its repression in the Parisian suburbs onto Ben Ali’s despotism in Tunisia. A projection that is not without a real basis of truth, since colonialism and racism have always been deeply connected. An Arab demanding his right is only an extremist who should be thrown behind bars or killed, we all know this mechanism in Europe and at home.

When it became clear that the people are not going to retreat and that the Arab people of Tunisia will succeed in toppling its pro-western corrupt despot, France and the US and the rest of the world changed their game plan. It became clear to them that it was too late to help Ben Ali survive, so it was time to contain the revolution. Hence, they started to express tentative support for the popular demand. The Arab people from Rabat to Bahrain city were watching the Tunisian revolution unfold on Al Jazeera, felt on their pulses as if it was happening in the backyard of every Arab family. The Tunisian revolution echoed every day in every Arab school and university and on the millions of Arab facebook accounts and twitter feeds.

The Tunisian revolution was in all ways a pan-Arab event. Its slogan, “ the people want to topple the regime”, inspired by the words of the Tunisian poet Abu al-Qasim al-Shabi studied by all Arabs in high school, was far more than just a slogan. The “people wants: Asha’b yorid” became the new ideology, the new spirit of our people, it became the most empowering sentence in our history. That sentence started appearing on the streets, on classroom walls, on facebook and in youtube clips: “Asha’b yorid iskat an’ izam”.

As an Arab Nationalist, the writer of these words always believed that any event that occurs in any Arab country will soon have tremendous repercussions in the other Arab countries. We called this ‘Arab interdependency’ and we always believed that it is organic. Watching the Arab reaction to the Tunisian revolution, there was no doubt in our minds. Everywhere, people felt empowered and felt that they not only can emulate that revolution, but that they must emulate it.

Western pundits were again preaching that this is an ‘exception’, and that nothing much has changed, but every time we watched the footage that was repeated on Al Jazeera over and over again, of that man shouting “Ben Ali flees, Ben Ali flees, Tunis is free, glory to our martyrs”, every Arab experienced the same shivers down the spine: the citizen, because he knew more dictators will follow, and the dictator or his lackey, because they knew their turn will come. Both, because they knew that the Arab world will never be the same again.

All eyes were on Egypt, the heart of the Arab nation, the trend setter, but also the home of the Mubarak regime, a ruthless dictatorship with tremendous American, European and Israeli support. Mubarak, a corner-stone in American-Israeli policies in our Arab homeland, seemed like a pharaoh, untouchable. And the Egyptian opposition was fragmented, and weak.

But just as in Tunisia, it was not the opposition but the youth, through facebook and twitter and other means of communication who mobilized themselves and went to the street shouting “ Asha’b yorid iskat anizam”, and in a tremendous show of popular will, discipline, civilized protest and awareness-raising, succeeded in toppling the most ruthless regime of them all in 18 days. When Mubarak fell, the Arab revolution became a victorious fact. Egypt is the core, what goes in Egypt travels everywhere else, and what fails in Egypt fails everywhere else. Another premise of our Arab national school of thought, and another premise to be confirmed. In Yemen, Libya, Bahrain and Syria true revolutions ignited after Egypt. In Algeria, Morocco, Lebanon, Palestine, Iraq, Jordan massive protest has occurred, all under the revolutionary Arab spell “ Asha’b Yorid”.

The outcome in each country has not been the same. In Yemen the revolutionary upsurge was massive, impressive in its organization and discipline and non-violent character, and so close to victory. In Libya, the fanatical ideology of the regime and the crazy character of Gadaffi added to the fact that he controlled the army. Once the peaceful protestors were massacred, the army imposed its own military version of a revolution on the people. The rebels tried fighting this on the ground but Gadaffi used air power against them and a massacre was looming. This was the chance for Nato to move in, in order to secure the generous Libyan oil contracts that Gadaffi had signed with the west. With Egypt and Tunisia free and revolutionary on its borders, western powers knew that Gadaffi was the wrong horse to back, despite the fact that he had succeeded in curbing that first revolutionary incursion. Sooner or later he would fall. Despite Gadaffi begging for western support and swearing allegiance to western interests, they took the side of the rebels.

In Syria, the people have long been schizophrenic when it came to Bashar Assad and his father before him, torn between the foreign policy of the Assad regime that they supported, and the domestic policy that they despised. The Syrian people championed their nationalist stance in support of Palestine and the resistance and they were proud of it. But at the same time they suffered under their dictatorship. The regime used this ambivalence to secure its legitimacy. After the Egyptian revolution, however, the Syrian people wanted reforms. The Syrian revolution began as a reformist movement that wanted change, but didn’t want to topple Assad and thereby weaken the axis of resistance against Israel. But the ruthless response of Assad radicalized the revolution in Syria. I saw this process unfold in front of my eyes as many of the young leaders of that revolution are my close friends and fellow Arab nationalists.

In Bahrain, the revolution was accused of being sectarian and Shi’a, but nothing could be less true. The majority of the Bahraini population is Shi’a, so inevitably the majority of the revolutionaries are Shi’a too, but the revolution was national and still is. The first martyr of the revolution was a Sunni. The revolution there was oppressed ruthlessly with the help of Saudi troops: the same Saudi’s who preach freedom and democracy in Syria. And the west, who rightly condemn Syria for its repression, stood by and watched; talk about double standards and hypocrisy.

In Morocco, the movement of 20 February forced Mohamed VI to concede some reforms, that remain inadequate, but at least they are a move in the right direction, and the protest movement continues in demanding a constitutional monarchy. In Jordan a similar process is taking place. In Palestine the popular movement forced Hamas and Fatah to reach an agreement and end their conflict, something that has not pleased either the US or Israel. In Lebanon, for the first time, tens of thousands have marched against the communitarian regime and called for a new national unity based upon citizenship values.

In all these revolutions and movements, many forces tried and are still trying to jump on the bandwagon to secure some interest or gain some political terrain. Some of these forces are domestic, some are foreign. Some are genuinely pro-revolution, some are in essence counter-revolutionary. But no one controls the revolution, not a political movement, not a political party, not a state, not a facebook group. Everybody is just part of the scene, but the course was and will be determined by the popular will and its collective emanation in a form of self-regulating multitude, making of the Arab revolution a historic process that cannot be stopped.

The Arab revolution has shifted in favour of the people, not only the domestic power relations but also the balance of power in the region. It has also revised essential concepts and self-definitions. I would argue that the Arab revolution has revived components of the Arab collective psyche dormant since the fall of Baghdad to the Mongols in 1258. The Arab citizen today is empowered and engaged and believes that his or her will is a powerful weapon. This is unprecedented.

In the coming years we will witness a lot of turmoil and instability. This is to be expected. Revolutions are like major earthquakes, they generate massive aftershocks and take time to settle. Everything that was residing under the surface and oppressed is now rising to the surface and many of these (ideas, movements, groups, frustrations, drives, reflexes) are ugly and spooky for having been under ground for so long. Everything will clash with everything. I foresee blood, sweat, tears, set-backs and disappointments. But one thing is sure, nothing will turn the tide of Arab emancipation. Revolutions must be viewed from a historic perspective, not months, not even years are enough to assess their results. The French revolution generated terror and chaos, Jacobin despotism, Napoleonic empires, the return of the old regime and of monarchy, and then settled down after all that into a republic that is the true heir of the revolution.

I do not believe it will take our Arab revolution a century and more to pay off, because our time is different and everything in the world changes more rapidly. But the challenges are tremendous and therefore there will certainly be many difficult years to come. It is my deepest belief though, that once the dust settles, a new Arab world will emerge. It will be democratic, having reconciled its identity with modernity without betraying either, and it will be without borders and regionally integrated just like the European Union today. Such an Arab world will constitute a power centre on this planet and an example to all people, upholding the values of our revolution: freedom, democracy and above all human dignity. This is the dream that our martyrs have died for, a dream worth living for.

Dyab Abou Jahjah is founder and former president of the Arab European League, a regular contributor to the Arab press, and author of books on the Middle East and the issue of immigration. His name certainly sounds familiar in Belgium, and in Holland probably as well …

This article was first published on openDemocracy August 31, 2011

maandag 10 oktober 2011

Het Israël-Palestina conflict: staat Obama voor een onmogelijk dilemma?

         

Na Obama’s beloftevolle toespraak in Cairo op 4 juni 2009 is het Midden-Oosten beleid van zijn regering snel teruggevallen op het oude stramien: onvoorwaardelijke steun voor Israël. Obama’s speech in de VN, aan de vooravond van de aanvraag van Mahmood Abbas, de president van de Palestijnse Autoriteit, voor volledig lidmaatschap van de Verenigde Naties, was beneden alle peil. Abbas was niet gezwicht voor de Amerikaanse waarschuwing dat het zijn initiatief zou vetoën. “Koeterwaals”, zo kwalificeerde de voormalige Cubaanse leider Fidel Castro Obama’s toespraak in de VN [1]. “In weerwil van het schandelijke monopolie van de massamedia, en de fascistische manier waarop de VS en zijn bondgenoten de wereldopinie misleiden, groeit het verzet. Dat blijkt wel uit de debatten in de Verenigde Naties,” aldus Castro op de Cubaanse regeringswebsite www.cubadebate.cu.

Intussen hebben 131 VN-leden verklaard een Palestijnse staat te willen erkennen. 62 VN-leden zijn daartoe niet bereid. Afgezien van enkele kleine eilandstaten zijn de onwilligen bijna allemaal Westerse landen, waaronder alle vijf koloniale mogendheden die werden gesticht door etnische zuivering van - of genocide op -  inheemse volkeren, plus alle acht voormalige Europese koloniale mogendheden. Volgens John V. Whitbeck, de internationale jurist die de Palestijnse onderhandelaars heeft bijgestaan, zou de huidige Amerikaanse strategie erop gericht zijn om de Palestijnse aanvraag van de vereiste negen voorstemmen in de Veiligheidsraad te beroven. [2] De vijf Europese leden (waaronder Bosnië & Herzegovina, dat Palestina als staat heeft erkend) en Columbia (het enige Zuid-Amerikaanse land dat Palestina nog niet heeft erkend) worden onder druk gezet om zich van stemming te onthouden. Daarmee zou de aanvraag slecht acht stemmen vóór krijgen, en de enkele Amerikaanse tegenstem technisch niet overkomen als “veto”.

Whitbeck meent dat dit een naïeve, maar ook gevaarlijke strategie is. Niet alleen gezien de nieuwe Palestijnse onverzettelijkheid, maar ook omdat een Amerikaans veto er eigenlijk weinig toe doet. Zo’n veto levert het onomstotelijk bewijs dat de VS met handen en voeten aan Israël gebonden is en sluit Amerika voorgoed uit van het aloude spelletje “Midden-Oosten vredesproces”. Daarmee zou de VS zou niet langer het proces namens Israël kunnen controleren en manipuleren, en vrede eindelijk een eerlijke kans krijgen. Lukt het de VS om de Palestijnse aanvraag te torpederen, dan kan het een Palestijnse staat de status als waarnemer niet ontzeggen. De toekenning daarvan is immers de bevoegdheid van de Algemene Vergadering van de VN, waar het vetorecht niet bestaat. Als waarnemer geniet Palestina zowat alle voordelen van een volledig lidmaatschap, inclusief het recht om een beroep te doen op het Internationaal Strafhof, waar het Israëli’s kan aanklagen wegens oorlogsmisdaden, de illegale nederzettingen en misdaden tegen de menselijkheid.

Een Amerikaans veto in de Veiligheidsraad, gevolgd door bevordering in de Algemene Vergadering tot waarnemer als staat is in de visie van Whitbeck misschien zelfs het beste resultaat voor Palestina. Als vol VN-lid blijft het onderworpen aan de Amerikaanse wurggreep op het “vredesproces”. Als waarnemer kan Palestina op steun rekenen van de opkomende BRICS mogendheden (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika, alle leden van de VN Veiligheidsraad die Palestina als staat erkennen en hebben aangekondigd te stemmen voor het Palestijnse lidmaatschap). Een combinatie BRICS-EU zou de ware internationale gemeenschap kunnen mobiliseren voor een echte en urgente poging om vrede met een zekere mate van gerechtigheid te bereiken.

Slaagt de VS er echter in Europa te bewegen zich van stemming te onthouden, dan heeft dat rampzalige gevolgen. De Moslimwereld verwacht van de VS het ergste, maar ziet Europa nog niet als vijand. Mocht het Palestijnse lidmaatschap stranden op een Westers front, dan wordt de wereld geconfronteerd met een fundamentele botsing van “West tegen Rest”, die herinneringen oproept aan de uiterst arrogante en verachtelijke periode van Westers imperialisme en kolonialisme, en het beeld bevestigt dat de Joods-christelijke wereld in oorlog is met de Moslimwereld. Vanzelfsprekend ligt het in de macht van één man om te voorkomen dat dit scenario werkelijkheid wordt. “Weegt het verlies aan kiezers en campagnebijdragen voor de multiraciale Amerikaanse president zwaarder dan het voorkomen van een langdurige strijd tussen beschavingen, culturen, rassen en religies, en het bevorderen van een vreedzame, rechtvaardige en harmonieuze wereld?” zo vraagt Whitbeck zich af.

Maar er zijn ook waarnemers die tot een andere analyse komen. De Amerikaanse emeritus hoogleraar politicologie Jerome Slater meent dat Obama voor een onmogelijk dilemma staat. [3] Slater wijst erop dat Obama absoluut niet kan rekenen op steun in het Congres om druk op Israël uit te oefenen, bijvoorbeeld door het beëindigen van economische en militaire steun. Elke poging daartoe riskeert dat het volgende presidentschap en beide huizen van het Congres in handen vallen van de Republikeinen, met nogal wat extremisten en onnozelaars in hun rangen. Een ondragelijk perspectief, dat kan uitmonden in de ergste crisis in de Amerikaanse geschiedenis sinds de Burgeroorlog. Slater vreest dat Israël zo wereldvreemd is geworden dat het zich zelfs door een Democratische president en twee door de Democraten beheerste huizen van het Congres niet zal laten bewegen een andere koers in te slaan. Zonder Amerikaanse steun kon Israël wel eens nóg irrationeler en gewelddadiger worden dan het nu al is. Men moet zich bovendien afvragen of Obama wel echt een doorbraak wil. Waarom heeft hij immers bij zijn aantreden de controversiële Dennis Ross [4] aangesteld als zijn belangrijkste Israël-adviseur? Jerome Slater is uiterst pessimistisch over welke oplossing van het conflict dan ook. Hij meent zelfs dat internationale sancties - die het apartheidsregime in Zuid-Afrika ten val konden brengen - op Israël averechts kunnen werken.

De professor ziet de zaken te somber in. De rechts-radicale regering Netanyahu-Lieberman, die elk redelijk compromis met de Palestijnen tegenhoudt, bestaat maar bij de gratie van het Israëlische electoraat. Dat wordt stelselmatig bewerkt met propaganda. Het gehersenspoelde electoraat stemt traditioneel, of "met zijn voeten." Dáár moet aan gewerkt worden. Een moedige Obama is bereid zijn herverkiezing te riskeren en al zijn kaarten te zetten op het “opvoeden” van het Israëlische electoraat. De aan Harvard magna cum laude afgestudeerde jurist zou kunnen beginnen met een toespraak in de Knesset met de boodschap dat geen land boven de wet staat. Vervolgens zou hij regelmatig op de Israëlische televisie kunnen verschijnen om te hameren op hetzelfde thema en zo meeliften op het sociaal protest. Zo’n “herboren” Amerikaanse president kan gemakkelijk kapitaalkrachtige sponsors werven voor de financiering van een omvangrijke, langdurige PR- en reclamecampagne in Israël. Tegen betaling zullen de Israëlische media de - in eerste instantie als aanvechtbaar overkomende - tv-spots niet kunnen weigeren. Daarmee kunnen de opvattingen van het Israëlische electoraat worden bijgestuurd en het stemgedrag ten goede keren. Na nieuwe verkiezingen zou een nieuwe coalitie het vredesproces wél in de goede richting kunnen sturen.

Kunnen we zo’n gedurfd initiatief van deze Amerikaanse president verwachten? Als we de Witte Huis redacteur van de Washington Post moeten geloven luidt het antwoord “nee”. Die vindt de president maar een eenzaat, een technocraat, die problemen heeft met de economie, de oorlogen en de peilingen, maar vooral met mensen. De president heeft geen entourage, geen “Vrienden van Barack club” die het opneemt voor een politicus die veel supporters tegen zich in het harnas jaagt met zijn koele persoonlijkheid en hang naar compromis. [5] De president meent over onvoldoende macht te beschikken om de strijd aan te gaan met Israël en AIPAC, [6] de Israël Lobby in de VS, en is bevreesd voor ernstige electorale gevolgen mocht hij zijn nek uitsteken. Spijtig genoeg is zijn herverkiezing zijn eerste bekommernis, ten detrimente van het lot van de Palestijnen en vrede in het Midden-Oosten.

[2] John V. Whitbeck: America’s Dangerous Game at the UN
[3] Jerome Slater: “Obama's Impossible Dilemma--And Ours
[4] In their 2006 paper The Israel Lobby and U.S. Foreign Policy, John Mearsheimer, political science professor at the University of Chicago, and Stephen Walt, academic dean of the Kennedy School of Government at Harvard University, named Ross as a member of the "Israeli lobby" in the United States, zie Wikipedia: “Dennis Ross
[5] Scott Wilson: “Obama the loner president

zondag 2 oktober 2011

Het verrottingsproces van de Amerikaanse democratie, naar Mike Lofgren

        
Mike Lofgren in zijn huis in Alexandria, Virginia (foto: Richard A. Bloom)

Zoals in het vorige artikel aangekondigd laten we hieronder in een samengevatte versie Mike Lofgren aan het woord.

Het politieke systeem [in Amerika] wordt compleet verziekt door financiële bijdragen van ondernemingen. Een kandidaat moet nu al meer dan een miljard dollar bijeenbrengen om te kunnen dingen naar het presidentschap. Ondernemingen hebben beide politieke partijen in de tang. Dat de nieuwe Democratische wet op de gezondheidszorg leidt tot het failliet van de overheidsbegroting komt doordat de Democraten bezwijken voor de belangen van verzekeraars en farmaceutische ondernemingen.

Bij de Democraten treft men net zo goed “gerobotiseerde” politici, carrièrejagers, door bedrijven afgeperste mensen, ziekelijke egoïsten en vreemde vogels aan, maar niets evenaart de Republikeinse partij. De Republikeinen hebben de stemming over de schuldlimiet, normaal een routineprocedure, opgeklopt tot een volslagen kunstmatige crisis. Door de economieën van de VS en de wereld te gijzelen konden zij hun eisen realiseren. De crisis rond het schuldplafond is niet het enige voorbeeld van dit soort politiek terrorisme. De Republikeinen waren ongegeneerd bereid om tienduizenden ambtenaren naar huis te sturen om antivakbond bepalingen in de statuten van het ministerie van transport af te dwingen.

De Republikeinen stellen zich steeds minder op als traditionele volksvertegenwoordigers en verworden tot een apocalyptische cultus die zich kan meten met de uiterst ideologische autoritaire partijen in het Europa van de 20e eeuw. Een normaal parlement functioneert mede door ongeschreven regels die de wetgevende machine smeren en het bestuur beschaafd houdt. Het Amerikaanse parlement kent echter de meest complexe regels ter wereld en kan maar functioneren door collegialiteit en goede trouw. Vandaag stuit zowat elk wetsvoorstel op een Republikeinse filibuster. [1] Dat verlamt Washington.

Het wetgevend proces is verworden tot oorlog zonder schieten, zoals men dat kent van de Rijksdag in de Weimar Republiek, nu 80 jaar geleden. Het effect is dat een vastbesloten minderheid totalitairen democratische instrumenten kunnen gebruiken om de democratie te ondermijnen. De Republikeinen zijn verworden tot een opstandige partij die de wet tart als die over een meerderheid beschikt en dreigt de zaken te saboteren als die in de minderheid is.

De Republikeinen volgen deze lijn welbewust. Het uithollen van de reputatie van een regeringsinstelling als het Congres levert op dat de politieke partij die tegen een “grote overheid” is automatisch de winnaar is. Een uiterst cynische tactiek die speelt op de zwakheid van het kiespubliek en de media. Amerika kent tientallen miljoenen slecht geïnformeerde kiezers, die onder invloed van het tegenstrijdige mediageweld denken dat politici allemaal oplichters zijn en dat een “grote overheid” fout is. Republikeinse retoriek voedt het sinds 1960 aftakelende vertrouwen in de overheid. In dit fenomeen zijn de media medeplichtig. Sinds de opsplitsing van elektronische media in een gerespecteerd nieuwssegment en een segment dat bestaat uit rabiaat ideologische talk radio en politieke propaganda op de kabeltelevisie, zijn de “respectabele” media als de dood voor kritiek wegens bespeurde vooroordelen. Die vrees heeft geleid tot valse onpartijdigheid.

Het voortdurend herhaalde “daar gaan beide partijen weer” van de media, in samenhang met de verwarring bij slecht geïnformeerde kiezers, past in de consequent volgehouden Republikeinse strategie om het vertrouwen in de democratie te ondermijnen. En die strategie heeft electoraal dividend opgeleverd. De VS kent zowat de laagste opkomstcijfers van alle Westerse democratieën. In de tussentijdse verkiezingen van 2010 konden slechts 44 miljoen Republikeinse kiezers een kruis trekken over de politieke winst van de verkiezing van president Obama door 69 miljoen kiezers.

Sinds de Republikeinen vorig jaar in een aantal staten de meerderheid haalden proberen ze systematisch om de gang naar de stembus te bemoeilijken. Strengere identificatievoorschriften, kortere registratieperiodes en nieuwe voorschriften met betrekking tot de woonplaats van de kiezer, allemaal zaken die bij voorbeeld universiteitsstudenten het uitoefenen van hun burgerrechten kunnen belemmeren. Deze aanslag op de wetgeving staat haaks op 200 jaar Amerikaanse geschiedenis, waarin gestreefd werd naar een zo groot mogelijke politieke deelname van burgers.

Het zijn vooral Republikeinen die andere landen de les spellen over democratie. Het brengen van democratie in het Midden-Oosten was een bedenksel van de regering Bush. Maar in eigen land mogen die lieden niet gaan stemmen. Vooral niet de mensen die toch niet voor de Republikeinen stemmen. Geen “echte Amerikanen” in de retoriek van Sarah Palin. Raciale minderheden, immigranten, moslims, holebi’s, intellectuelen. Dat verklaart voor een stuk de uiterst venijnige haat tegen president Obama. De meeste Republikeinse bewindslieden zullen wel niet vallen voor deze reactionaire en paranoïde kletspraat. Maar die voedt wel heel cynisch de laagste instincten van het kiezerspubliek. Zonder de sluimerende Republikeinse rassenhaat aan te halen kan men wel stellen dat Republikeinen van oordeel zijn dat geen enkele Democratische president legitiem kan zijn.

De de-industrialisatie en de opkomst van de financiële sector in Amerika sinds 1970 heeft geleid tot een steeds verder inkrimpende blanke middenklasse, mensen zonder werkzekerheid of zelfs werkloos, met verdampende pensioenen en sociale voorzieningen, mensen die de waarde van hun voornaamste bezit zien kelderen door de uiteenspattende onroerend goed zeepbel. Hun zorgen zijn niet ingebeeld, hun levensstandaard gaat daadwerkelijk omlaag. De Democraten hebben deze mensen niets te bieden. Het waren immers vooral de Democraten die in de jaren 1990 rampzalige handelsakkoorden sloten waarmee werkgelegenheid naar het buitenland kon verdwijnen.

Na de recente orgie van ongebreidelde hebzucht en ongekend omvangrijke overdracht van rijkdom naar de hogere sociale klassen door Wall Street richt de volkswoede zich op de gulle hand van Washington. De ironie is dat de overheid bovenmatig moet investeren in werkloosheidsvergoeding, food stamps en gezondheidszorg voor hen die door de uitspattingen van de ondernemingen in het vorige decennium economische schade hebben opgelopen. De Republikeinse tactiek toont een absolutistische, autoritaire mentaliteit die haaks staat op democratische waarden zoals rede, compromis en verzoening. Een mentaliteit die juist mikt op polariserende verdeeldheid, conflict en het de kop indrukken van de oppositie.

De meeste van de uitgangspunten van de Republikeinse Partij kan men zonder meer afdoen als propaganda. In essentie staat de partij voor de volgende principes:

De partij komt enkel op voor zijn rijke sponsors.

Het gemarchandeer over het overheidstekort was een show. De partij wees het pakket aan maatregelen van president Obama ter waarde van $4 biljoen van de hand omdat zelfs één promille verhoging van de belastingtarieven voor de superrijken er teveel aan was. Zo blijven miljardairs vallen in een lager belastingtarief dan politiemensen en verpleegsters. Maar in tegenstelling tot de slogans zorgen de rijken, die zo nodig moeten worden ontzien, niet voor jobs. Vandaag kijken Amerikaanse ondernemingen terug op hun meest winstgevende kwartaal in de geschiedenis. Zo zit Apple op $76 miljard cash, meer dan het BBP van menig land, maar waar blijven de jobs? De Republikeinen hebben ijverig de mythe verspreid dat Amerikanen te zwaar worden belast. Maar vergeleken met andere OESO landen behoren de Amerikaanse belastingtarieven tot de laagste ter wereld. Men spreekt over de 35% vennootschapsbelasting in de VS, maar die is effectief veel lager. Betaalde General Electric 35% over zijn winst in 2010 van $14 miljard? Nee dus, de firma betaalde … niets.

Bidden aan het altaar van Mars [2]

Hoewel ook Democraten zich bezondigen aan oorlogvoeren kunnen zij zich niet meten met Republikeinen als John McCain of Lindsey Graham die een puur wellustig enthousiasme ten toon spreiden om andere landen binnen te vallen. Met de slogan “we are all Georgians now” zou McCain wel even het nucleair bewapende Rusland aanpakken tijdens het conflict met Georgië in 2008. En Graham ruit voortdurend op tot een aanval op Iran en interventie in Syrië. Dit zijn niet de geringsten binnen de partij, het zijn de “defensie experts” die voortdurend in de media zijn. Vlak voordat de Republikeinen de markten onder druk zetten rond de kwestie van het kredietplafond en miljardenbezuinigingen eisten stemden dezelfde Republikeinen voor een defensiebegroting die voorziet in een verhoging van $17 miljard.

De economische rechtvaardiging van een defensiebegroting van $700 miljard is des temeer bedrieglijk als men bedenkt dat die investering weinig jobs creëert. De uiterst hoogwaardige wapenindustrie van  vandaag vraagt nog maar weinig laaggeschoolde arbeid. Veel geld gaat naar kostbare R&D (waar de economie weinig baat bij heeft), exorbitante managementuitgaven, overhead, zakkenvullerij en geld dat terugvloeit naar politieke campagnes. Een miljoen dollar voor wegenbouw levert twee tot drie maal meer jobs op dan een miljoen dollar wapenverkopen. Maar ook zonder de financiële drijfveer is er een psychologische hang naar oorlogvoeren binnen de partij die voortvloeit uit de neurotische dwang om zich stevig op te stellen. Het militarisme ontspringt aan hetzelfde psychologisch tekort dat behoefte heeft aan een eindeloze serie vijanden, buitenlandse én binnenlandse.

Het ongebreideld militarisme van het laatste decennium en het laffe verzuim van de Democraten om die te doen keren zijn strategisch en financieel nefast geweest. Vandaag is de VS minder welvarend, minder veilig en minder vrij. Het militarisme dat gepaard gaat met interventies in het wilde weg zal maar bedaren als de schatkist leeg is, net zoals dat gebeurde met de Republiek der Nederlanden en het Britse Rijk.

Godsdienst uit de oude doos

Het spelen op fundamentalisme is een voltijdse bezigheid binnen de partij. Sinds de jaren 1970 zijn godsdienstextremisten geen geringe publieke overlast meer, maar een vast onderdeel van het Republikeinse partijgebeuren. Het goede verkiezingsresultaat van Pat Robertson in Iowa in 1988 luidde het samensmelten in van politiek en religie binnen de partij. Het resultaat is ernaar. Het feit dat Amerikanen meer denken als Iraniërs of Nigerianen dan als Europeanen of Canadezen over zaken als de scheppingstheorie, onfeilbaarheid van de schriften en het bestaan van geesten en duivels vloeit voort uit de opkomst van religieus rechts. Er is ook sprake van een opkomend anti-intellectualisme en afkeer tegen wetenschap, een groep die de slecht geïnformeerde, of beter de verkeerd geïnformeerde kiezer tekent.

De grondwet ten spijt bestaat er nu de facto een godsdiensttest voor het presidentschap: topkandidaten worden aangemoedigd of gedwongen om zich uit te spreken over hun geloofsopvattingen. Gepolitiseerde godsdienst is ook het plechtanker van de cultuuroorlogen. De vraag is hoe het hele giftige brouwsel van partijpolitiek - economische vorstelijkheid, militarisme en cultuuroorlogen cum fundamentalisme - de plaats kon innemen van het beschaafde Republicanisme ten tijde van Eisenhower. De sleutel ligt waarschijnlijk bij de opkomst van het gepolitiseerde godsdienstfundamentalisme, dat in essentie alle drie de Republikeinse principes rationaliseert. Rijkdom is een zegen van God. De fascinatie voor oorlogvoeren vloeit ook voort uit dit fundamentalisme. Het Oude Testament staat vol van verhalen over slachtpartijen in naam van God. Het apocalyptische gedachtegoed van de fundamentalisten, hun geloof in een dreigend Armageddon, [3] conditioneert hen psychologisch om het land het conflict te laten opzoeken, niet enkel met het buitenland, maar ook over binnenlandse politieke geschillen.

De Republikeinen hebben een nieuwe vorm van politiek bedrijven uitgevonden die electoraal aanslaat. Die politiek ontketent grote politieke rampen en daarmee onheil voor het democratische proces, maar ook voor de status van Amerika als wereldleider.

[1] vertragingstechnieken, zie Wikipedia: “filibuster
[2] Romeinse God van de oorlog, zie Wikipedia: “Mars (mythologie)
[3] het einde der tijden, zie Wikipedia: Eindtijd

maandag 26 september 2011

Kan grootmacht Amerika de wereld uit de economische onrust leiden?

    
Verpakt in scherp verwoorde kritiek op de Amerikaanse overheid [1] verlaagde Standard & Poor’s (S&P) op 5 augustus 2011 de kredietwaardigheid van de VS. De boodschap leidde tot een storm van kritiek op S&P en op de kredietbeoordelaars in het algemeen. De politiek ziet in hun optreden een overdreven poging tot revanche op de missers uit het verleden.

Is die kritiek terecht? Economen vinden alvast van niet. [2] Die wijzen erop dat het beoordelen van complexe financiële constructies heel wat lastiger is dan het beoordelen van de kredietwaardigheid van ondernemingen en overheden. Tegen de achtergrond van het gebrekkige Amerikaanse politieke systeem van vandaag schat S&P de kansen op een oplossing van het schuldenprobleem laag in. Intussen wijzen Europa en de VS elkaar met de vinger. VS-minister van Financiën Timothy Geithner meent dat de Europese leiders knopen moeten doorhakken, [3] maar maakte op de recente Europese top in Polen weinig indruk. [4] En op het VN podium zei voorzitter van de Europese Raad Herman Van Rompuy [5] vervolgens dat ook andere grote economieën hun huis in orde moeten brengen.

Met mag zich ernstige vragen stellen bij het vermogen van het politieke establishment in Amerika om de wereld uit de economische onrust te leiden. Zoals Gore Vidal in 1977 al zei, het Amerikaanse politieke landschap wordt bepaald door twee rechtse partijen. [6] En die partijen gunnen elkaar het licht niet in de ogen. De situatie is volkomen geblokkeerd. De Amerikaanse historicus Mike Lofgren, die na een carrière van bijna 30 jaar als stafmedewerker en financieel expert voor de Republikeinse partij zijn buik vol had en ontslag nam, deed daar recent een boekje over open. In een geruchtmakend artikel op Truthout [7] klaagt hij de tactiek en doelstellingen van zijn eigen partij aan. Het goed geschreven maar tamelijk omvangrijke artikel van Lofgren schetst een scherp en ontluisterend beeld van de huidige Amerikaanse politieke verhoudingen, waarin elke ontwikkeling in de goede richting wordt gedwarsboomd.

In de onderstaande video onderwerpt Chris Matthews (vanaf 00:24) de auteur op de Amerikaanse nieuwszender MSM-NBC aan een kruisverhoor.


Een aantal kruidige uitspraken:
  • de recente polemiek rond de verhoging van het kredietplafond was niet het enige voorbeeld van politiek terrorisme
  • bij een gijzeling heeft de roekeloze en immorele dader in de onderhandeling de overhand over de voorzichtige, verantwoordelijke tegenpartij die zich zorgen maakt over de overleving van de gegijzelde, daar waar de eerste daar geen boodschap aan heeft
  • de Republikeinen stellen zich steeds minder op als traditionele volksvertegenwoordigers; de partij verwordt tot een apocalyptische cultus die zich kan meten met de uiterst ideologische autoritaire partijen in het Europa van de 20e eeuw
 En wat staat er werkelijk op het Republikeinse menu?
  • de partij komt enkel op voor zijn rijke sponsors
  • de Republikeinen bidden aan het altaar van Mars, de Romeinse god van de oorlog
  • godsdienst uit de oude doos, spelen op fundamentalisme
De Republikeinse partij bekommert zich niet over Amerika. Voor haar mag de gegijzelde sterven. Zij bekreunt zich niet om de Amerikaanse werknemer. Zij trekt zich niets aan van de economie. Dat zegt niet een “linkse gek”, maar een ervaren, serieuze, rationele stafmedewerker van het Congres met zowat 30 jaar ervaring, die zegt hoe de zaken er werkelijk voor staan. Het beeld dat hij schetst is niet fraai. Verre van.

Gegeven het belang van de boodschap van Mike Lofgren vatten wij die in een apart artikel dat binnenkort verschijnt samen.

perspectief: “De teloorgang van de Amerikaanse parlementaire democratie

maandag 19 september 2011

Recognizing Palestine at the UN

      

This time, we should draw upon the teachings of tolerance that lie at the heart of three great religions that see Jerusalem’s soil as sacred. This time we should reach for what’s best within ourselves. If we do, when we come back here next year, we can have an agreement that will lead to a new member of the United Nations -- an independent, sovereign state of Palestine, living in peace with Israel.
Barack Obama, President of the United States of America, speech to the UN General Assembly September 23, 2010.

Dat de VS er alles aan doet om de erkenning van een Palestijnse staat in de VN te torpederen staat vast. Maar in het conflict Israel-Palestina draagt ook Europa een verantwoordelijkheid. De EU is officieel voorstander van een twee-staten oplossing. In werkelijkheid is de EU echter verdeeld. Een aantal landen, met Frankrijk voorop, ondersteunen het Palestijnse initiatief. Maar Duitsland, Italië, Tsjechië en Nederland zijn daar tegen en riskeren een open breuk in de EU over dit onderwerp. Dat bleek begin deze maand tijdens een ontmoeting tussen de EU buitenlandministers in de Poolse stad Sopot. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Guido Westerwelle zei daar dat Duitsland “a particular responsibility towards Israel” heeft vanwege de Duitse Nazi vervolging en vernietiging van de Europese Joodse bevolking tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Sinds de Oslo akkoorden van 1993 tussen de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO en Israel hebben de EU landen, inclusief Duitsland, zich echter ingezet voor de opbouw van een Palestijnse staat met omvangrijke financiële en technische hulp. Tegen het einde van de in Oslo overeengekomen overgangsperiode kondigde de EU aan dat het zich op korte termijn zou beraden over de erkenning van een Palestijnse staat. De geloofwaardigheid van de EU in de Arabische wereld en elders zou zwaar worden aangetast mocht zij zich later deze week verzetten tegen het Palestijnse initiatief in de VN. In de bovenstaande documentaire worden de standpunten van partijen in het conflict nog eens duidelijk op een rijtje gezet. Een absolute must-view.

vrijdag 9 september 2011

9/11 After A Decade: Have We Learned Anything?

By Paul Craig Roberts

Photo by macten, some rights reserved

In a few days it will be the tenth anniversary of September 11, 2001. How well has the US government’s official account of the event held up over the decade?

Not very well. The chairman, vice chairman, and senior legal counsel of the 9/11 Commission wrote books partially disassociating themselves from the commission’s report. They said that the Bush administration put obstacles in their path, that information was withheld from them, that President Bush agreed to testify only if he was chaperoned by Vice President Cheney and neither were put under oath, that Pentagon and FAA officials lied to the commission and that the commission considered referring the false testimony for investigation for obstruction of justice.

In their book, the chairman and vice chairman, Thomas Kean and Lee Hamilton, wrote that the 9/11 Commission was “set up to fail.” Senior counsel John Farmer, Jr., wrote that the US government made “a decision not to tell the truth about what happened,” and that the NORAD “tapes told a radically different story from what had been told to us and the public.” Kean said, “We to this day don’t know why NORAD told us what they told us, it was just so far from the truth.”

Most of the questions from the 9/11 families were not answered. Important witnesses were not called. The commission only heard from those who supported the government’s account. The commission was a controlled political operation, not an investigation of events and evidence. Its membership consisted of former politicians. No knowledgeable experts were appointed to the commission.

One member of the 9/11 Commission, former Senator Max Cleland, responded to the constraints placed on the commission by the White House: “If this decision stands, I, as a member of the commission, cannot look any American in the eye, especially family members of victims, and say the commission had full access. This investigation is now compromised.” Cleland resigned rather than have his integrity compromised.

To be clear, neither Cleland nor members of the commission suggested that 9/11 was an inside job to advance a war agenda. Nevertheless, neither Congress nor the media wondered, at least not out loud, why President Bush was unwilling to appear before the commission under oath or without Cheney, why Pentagon and FAA officials lied to the commission or, if the officials did not lie, why the commission believed they lied, or why the White House resisted for so long any kind of commission being formed, even one under its control.

One would think that if a handful of Arabs managed to outwit not merely the CIA and FBI but all 16 US intelligence agencies, all intelligence agencies of our allies including Mossad, the National Security Council, the State Department, NORAD, airport security four times on one morning, air traffic control, etc., the President, Congress, and the media would be demanding to know how such an improbable event could occur. Instead, the White House put up a wall of resistance to finding out, and Congress and the media showed little interest.

During the decade that has passed, numerous 9/11 Truth organizations have formed. There are Architects and Engineers for 9/11 Truth, Firefighters for 9/11 Truth, Pilots for 9/11 Truth, Scholars for 9/11 Truth, Remember Building 7.org, and a New York group which includes 9/11 families. These groups call for a real investigation.

David Ray Griffen has written 10 carefully researched books documenting problems in the government’s account. Scientists have pointed out that the government has no explanation for the molten steel. NIST has been forced to admit that WTC 7 was in free fall for part of its descent, and a scientific team led by a professor of nano-chemistry at the University of Copenhagen has reported finding nano-thermite in the dust from the buildings.

Larry Silverstein, who had the lease on the World Trade Center buildings, said in a PBS broadcast that the decision was made “to pull” Building 7 late in the afternoon of 9/11. Chief fire marshals have said that no forensic investigation was made of the buildings’ destruction and that the absence of investigation was a violation of law.

Some efforts have been made to explain away some of the evidence that is contrary to the official account, but most of the contrary evidence is simply ignored. The fact remains that the skepticism of a large number of knowledgeable experts has had no effect on the government’s position other than a member of the Obama administration suggesting that the government infiltrate the 9/11 truth organizations in order to discredit them.

The practice has been to brand experts not convinced by the government’s case “conspiracy theorists.” But of course the government’s own theory is a conspiracy theory, an even less likely one once a person realizes its full implication of intelligence and operational failures. The implied failures are extraordinarily large; yet, no one was ever held accountable.

Moreover, what do 1,500 architects and engineers have to gain from being ridiculed as conspiracy theorists? They certainly will never receive another government contract, and many surely lost business as a result of their “anti-American” stance. Their competitors must have made hay out of their “unpatriotic doubts.” Indeed, my reward for reporting on how matters stand a decade after the event will be mail telling me that as I hate America so much I should move to Cuba.

Scientists have even less incentive to express any doubts, which probably explains why there are not 1,500 Physicists for 9/11 Truth. Few physicists have careers independent of government grants or contracts. It was a high school physics teacher who forced NIST to abandon its account of Building 7’s demise. Physicist Stephen Jones, who first reported finding evidence of explosives, had his tenure bought out by BYU, which no doubt found itself under government pressure.

We can explain away contrary evidence as coincidences and mistakes and conclude that only the government got it all correct, the same government that got everything else wrong.

In fact, the government has not explained anything. The NIST report is merely a simulation of what might have caused the towers to fail if NIST’s assumptions programed into the computer model are correct. But NIST supplies no evidence that its assumptions are correct.

Building 7 was not mentioned in the 9/11 Commission Report, and many Americans are still unaware that three buildings came down on 9/11.

Let me be clear about my point. I am not saying that some black op group in the neoconservative Bush administration blew up the buildings in order to advance the neoconservative agenda of war in the Middle East. If there is evidence of a coverup, it could be the government covering up its incompetence and not its complicity in the event. Even if there were definite proof of government complicity, it is uncertain that Americans could accept it. Architects, engineers, and scientists live in a fact-based community, but for most people facts are no match for emotions.

My point is how uninquisitive the executive branch including the security agencies, Congress, the media, and much of the population are about the defining event of our time.

There is no doubt that 9/11 is the determinant event. It has led to a decade of ever expanding wars, to the shredding of the Constitution, and to a police state. On August 22 Justin Raimondo reported that he and his website, Antiwar.com, are being monitored by the FBI’s Electronic Communication Analysis Unit to determine if Antiwar.com is “a threat to National Security” working “on behalf of a foreign power.”

Francis A. Boyle, an internationally known professor and attorney of international law, has reported that when he refused a joint FBI-CIA request to violate the attorney/client privilege and become an informant on his Arab-American clients, he was placed on the US government’s terrorist watch list.

Boyle has been critical of the US government’s approach to the Muslim world, but Raimondo has never raised, nor permitted any contributor to raise, any suspicion about US government complicity in 9/11. Raimondo merely opposes war, and that is enough for the FBI to conclude that he needs watching as a possible threat to national security.

The US government’s account of 9/11 is the foundation of the open-ended wars that are exhausting America’s resources and destroying its reputation, and it is the foundation of the domestic police state that ultimately will shut down all opposition to the wars. Americans are bound to the story of the 9/11 Muslim terrorist attack, because it is what justifies the slaughter of civilian populations in several Muslim countries, and it justifies a domestic police state as the only means of securing safety from terrorists, who already have morphed into “domestic extremists” such as environmentalists, animal rights groups, and antiwar activists.

Today Americans are unsafe, not because of terrorists and domestic extremists, but because they have lost their civil liberties and have no protection from unaccountable government power. One would think that how this came about would be worthy of public debate and congressional hearings.

This article was first published on Global Research, August 24, 2011
© Copyright Paul Craig Roberts, Global Research, 2011