woensdag 21 juli 2010
Iran stelt de VS voor een lastig dilemma
De Israëlische premier Netanyahu heeft, net als zijn voorgangers, gezinspeeld op een preventieve aanval op Iran als het zijn nucleaire ambities niet opgeeft. Maar volgens een onderzoek in opdracht van het Institute for National Security Studies (INSS) kunnen de meeste Israëli’s leven met een nucleair Iran. Slechts één op de vijf Israëlische Joden denkt dat een Iran met kernwapens Israel wil vernietigen. Het INSS onderzoek leert dat 59% van de Israëlische Joden een preventieve aanval op Iran zou steunen en 41% een militaire optie afwijst. Israëlische Arabieren, die 20% van de bevolking uitmaken en zich mogelijk niet graag zien als doelwit van Israëlische vijanden, maakten om budgettaire redenen geen deel uit van het onderzoek. Israel, de VS en andere Westerse landen menen dat Iran’s nucleair programma gericht is op de productie van kernwapens. Iran ontkent dat en laat zijn installaties inspecteren door het Internationaal Atoomagentschap.
Is een Iraanse nucleaire dreiging reëel? De verschuiving van het machtsevenwicht in het Midden-Oosten begon in 1992 toen de Ben-Gurion doctrine door de feiten werd ingehaald. Ben-Gurion, Israel’s eerste premier, meende dat hij geen vrede kon sluiten met zijn Arabische buren omdat die Israel’s bestaan nooit zouden aanvaarden. Israel moest dus allianties sluiten met niet-Arabische landen als Ethiopië, Iran, Libanon en Turkije. Met de implosie van de Sovjet-Unie en vooral de militaire nederlaag van Irak in 1991 kon Iran uitgroeien tot een belangrijke regionale mogendheid. Niet zozeer Iran’s economische macht en nucleair programma lagen aan de basis van dit verschuivende machtsevenwicht, maar zijn conventioneel militair arsenaal en bondgenootschap met Syrië, Hamas en Hezbollah. De raketten in Gaza, Zuid Libanon, Syrië en Iran vormden voor Israel een afschrikking en daarmee een ernstige beperking voor zijn militaire bewegingsvrijheid. Ziedaar de basis van de huidige onrust in het Midden-Oosten.
Volgens generaal Petraeus is Teheran een bedreiging voor de "stabiliteit" in de regio, jargon voor “onhandelbaar”. Vorige maand verscherpte het Congres nog eens de sancties tegen Iran. En intussen bouwt de VS voort aan zijn aanvalsmacht op Diego Garcia. Sinds 2003 is de Amerikaanse vuurkracht verviervoudigd. In enkele uren kunnen bommenwerpers en langeafstandsraketten 10.000 doelen in Iran vernietigen. Arabische media rapporteerden hoe een omvangrijke Amerikaanse vloot, waaronder een Israëlisch oorlogsschip, door het Suezkanaal voer, met als taak het uitvoeren van de sancties en toezicht op het scheepvaartverkeer van en naar Iran. Saudi Arabië zou Israel een luchtcorridor voor aanvalsvluchten op Iran ter beschikking hebben gesteld. En de Amerikaanse admiraal Michael Mullen vergaderde met de Israëlische stafchef Gabi Ashkenazi en de top van de Israëlische inlichtingendienst over “de voorbereiding door Israel en de VS van een mogelijk nucleair bewapend Iran". De toenemende dreiging met militaire actie tegen Iran is vanzelfsprekend een schending van het Handvest van de VN en specifiek van Veiligheidsraadresolutie 1887 van september 2009, waarin nog eens wordt opgeroepen om alle geschillen rond nucleaire kwesties vreedzaam op te lossen.
Volgens sommige analisten staat de VS voor een dilemma: een confrontatie met Iran, of het verlies van het Midden Oosten. Zodra Iran over nucleaire wapens beschikt zullen Turkije, Saudi Arabië en andere landen zich voegen naar de nieuwe regionale "supermogendheid" Iran. In minder verhitte retoriek uitgedrukt zou een regionale alliantie kunnen ontstaan die zich onafhankelijk van de VS opstelt. In het Amerikaanse legerblad Military Review dringt Amitai Etzioni aan op een aanval, niet alleen op de Iraanse nucleaire installaties en niet-nucleaire militaire doelen, maar ook op infrastructuur, burgerdoelen dus. "Het type militaire actie dat verwant is aan sancties, dat ‘pijn’ doet om gedrag te veranderen”, zo luidt het.
Maar waaruit bestaat de Iraanse dreiging dan? Volgens recente gezaghebbende rapporten van het leger en de inlichtingendienst vormt het regime een bedreiging voor de eigen bevolking, maar doet het daarin niet onder voor VS bondgenoten in de regio. Waar het echter om gaat is de Iraanse dreiging voor de regio en de wereld. Geen dreiging in militaire zin: Iran besteedt in vergelijking met de regio betrekkelijk weinig aan defensie en de inspanningen vallen vanzelfsprekend in het niet ten opzichte van die van de VS. De rapporten vermelden dat de Iraanse militaire doctrine strikt “defensief [is], … gericht op vertraging van een invasie en op het afdwingen van een diplomatieke oplossing van de vijandigheden”. Iran is slechts “in beperkte mate in staat om buiten zijn grenzen geweld te gebruiken”. En over de nucleaire optie luidt het: “Het nucleaire programma van Iran en de eventuele ontwikkeling van nucleaire wapens staan centraal in de afschrikkingstrategie”. Defensief dus.
Intussen blijft het machtsevenwicht in het Midden-Oosten verschuiven richting Iran. Het feit dat de Iraanse dreiging geen militaire agressie inhoudt maakt die voor Washington nog niet aanvaardbaar. Iran beschikt over een afschrikkingoptie en dat is geen legitieme uitoefening van zijn soevereiniteit. Het doorkruist de plannen van de VS met de wereld, het bedreigt de controle van de VS over de energiebronnen in het Midden-Oosten. De stelregel is dat wie de controle heeft over de energiebronnen het in de wereld voor het zeggen heeft. Met zijn toenemende invloed bedreigt Iran de “stabiliteit” in de regio, jargon voor “hegemonie van de VS”. De invasie en bezetting door de VS van zijn buurlanden zorgt voor “stabiliteit”, wat Iran doet is “destabilisatie” en dus onwettig. En Iran zou zich ook met terrorisme bezighouden, zoals aanvallen op militaire installaties van de VS en op Iraakse veiligheidstroepen. Iran zou Hezbollah en Hamas steunen. Beide organisaties zijn echter langs democratische weg aan de macht gekomen. De terroristische acties die aan Hamas en Hezbollah worden toegeschreven verbleken tegenover het VS-Israëlisch terrorisme in dezelfde regio.
Er zal wel niemand zijn die wil dat Iran een kernmogendheid wordt. Een voor de hand liggende manier om dat te voorkomen in het instellen van een kernwapenvrije zone (KWVZ) in het Midden-Oosten. Toen Egypte mei 2010 op de VN conferentie namens 118 niet-gebonden landen dit onderwerp aan de orde stelde wilde Washington daar wel in meegaan, maar zonder allesomvattend vredesakkoord moest bondgenoot Israel buiten beschouwing blijven. Zo’n vredesakkoord kan de VS zelf doordrukken of … voor zich uit blijven schuiven. Waarmee er van een KWVZ niets terecht komt. Op de VN conferentie vroeg het hoofd van het Internationaal Atoomagentschap dat Israel zijn nucleaire installaties zou openstellen voor inspectie. Maar dat was voor de VS niet bespreekbaar. Voor Nobelprijswinnaar Obama, die zich hard maakte voor non-proliferatie, zou de instelling van KWVZ’s een stap in de goede richting moeten zijn. De bittere werkelijkheid is echter dat de VS volop bezig is om zijn controle over de energiebronnen in het Midden-Oosten te versterken, desnoods met inzet van geweld. Regionaal "supermogendheid" Iran staat de VS in de weg en moet dus tot de orde worden geroepen.
Maar geeft Iran zich zomaar gewonnen? Ziedaar het dilemma voor de VS. Nikolay Makarov, stafchef van het leger van de Russische Federatie, waarschuwt alvast dat een aanval nu, terwijl de VS in twee oorlogen is verwikkeld, wel eens de ineenstorting van de VS tot gevolg kan hebben. Zo’n aanval leidt tot grote beroering in de regio, en zal ook negatieve gevolgen hebben voor Rusland, een buurland van Iran. Vandaar dat het Russische leger stappen zet om zo’n aanval te verhinderen, aldus Makarov. Als er ooit een tijd was om een serieuze opening naar Iran te maken dan is het nu wel. Er is nog altijd de mogelijkheid om tot een onderhandelde oplossing te komen en daarmee tot vrede. Onze politieke leiders moeten die mogelijkheid gewoon willen aangrijpen. Positieve diplomatie, gericht op afspraken, in plaats van de holle retoriek van vandaag, met als doel desnoods een “koude vrede“, dat zou van onmeetbaar belang zijn voor alle betrokkenen. In 2010 is vrede met Iran de belangrijkste uitdaging voor de wereldgemeenschap. Het alternatief is dood en verderf, en onvoorstelbare ellende, zowel voor “hen” als voor “ons”.
Bronnen
Haaretz 14 juni 2009: “Poll: Most Israelis could live with a nuclear Iran”
Alastair Crooke: “The Shifting Sands of State Power in the Middle East”
Noam Chomsky: “Is the U.S. Gearing Up for the Destruction of Iran?”
Amitai Etzioni: “Can a Nuclear-Armed Iran Be Deterred?”
Juan Cole: “An American Attack on Iran would lead to US Collapse”
Arshin Adib-Moghaddam: “How to make peace with Iran”
Labels:
Irak,
Iran,
Israel,
Israel-Palestina conflict,
Palestina,
Rusland,
Saudi Arabië,
Syrië,
Turkije,
VS,
VS-Israel relatie
donderdag 15 juli 2010
Israel laat zijn oog vallen op de Palestijnse offshore gasvelden
Israel laat het niet bij landroof op de West Bank, actief financieel gesteund door Washington. Sinds 1990 heeft het zijn oog laten vallen op de omvangrijke offshore gasvelden van Gaza. In 2000 werden de eerste twee velden aangeboord. Die vertegenwoordigen een waarde van $4 miljard. De totale reserves in de zich 200 mijl uit de kust uitstrekkende Exclusieve Economische Zone (EEZ) moeten daar een veelvoud van zijn. November 1999 tekenden British Gas (BG) en Libanese partner Consolidated Contractors International Company (CCC) een contract met de Palestijnse Autoriteit voor de exploratierechten en de aanleg van een pijpleiding. BG participeert voor 60%, CCC 30% en het Investeringsfonds van de Palestijnse Autoriteit 10%. De Palestijnse Autoriteit is juridisch eigenaar van de EEZ voor de kust van Gaza.
Sinds het overlijden van Yasser Arafat, de verkiezingsoverwinning van Hamas en het uiteenvallen van de Palestijnse Autoriteit - die enkel nog het Fatah regime op de West Bank van Mahmoud Abbas vertegenwoordigt - probeert Israel zich de controle over de Palestijnse gasvelden toe te eigenen. De verkiezing van premier Ariel Sharon in 2001 leidde tot een keerpunt. Die vocht de Palestijnse soevereiniteit over de gasvelden tevergeefs aan voor het Hooggerechtshof. Om vervolgens te laten weten dat Israel nooit aardgas van Palestina zal kopen, ten teken dat de gasvelden Israel toekomen. En in 2003 kelderde hij een contract voor de levering van Gazaans aardgas aan Israel. Toen BG in 2006 in het "politiek niemandsland" de horizon verlegde en een contract zou sluiten met Egypte kwam Tony Blair, de toenmalige Britse premier - thans speciaal Midden Oosten gezant voor het kwartet VN, EU, de VS en Rusland - namens Israel tussen om die deal af te blazen.
In 2007 kondigde de Israëlische regering aan “gas te zullen aankopen van de Palestijnse Autoriteit ter waarde van $4 miljard, waarbij 50% van de winst van $2 miljard naar de Palestijnen zou gaan”. Tel Aviv was echter hoegenaamd niet van plan de inkomsten met Palestina te delen. Er werd een team aangesteld om te bekijken hoe een deal met BG kon worden gesloten met uitsluiting van Hamas en de Palestijnse Autoriteit. Het team besloot: "Het Israëlische ministerie van Defensie staat erop dat de Palestijnen in goederen en diensten worden betaald en verzet zich met klem tegen de overdracht van geld aan de door Hamas gecontroleerde regering”. De bedoeling was tot de opheffing van het contract van 1999 met de Palestijnse Autoriteit te komen, om vervolgens het Gazaanse gas naar de Israëlische havenstad Ashkelon te pompen en daarmee de controle over de verkoop te verwerven. BG trok zich echter terug en sloot begin 2008 zijn kantoor in Israel.
Het is tegen deze achtergrond dat de manier waarop Israel zich tegenover Gaza en de tweespalt Hamas-Fatah opstelt moet worden bekeken. De Canadese professor Michel Chossudovsky zegt daarover: “De militaire bezetting is gericht op de overdracht van de soevereiniteit over de gasvelden, een inbreuk op het internationaal recht. Wat kan men verwachten dat er op de invasie volgt? Wat wil Israel met Palestijns aardgas? Nieuwe gebiedsafspraken, met de stationering van Israëlische en/of “vredes”-troepen? De militarisatie van de hele kustlijn van Gaza, die voor Israel van zo’n groot strategisch belang is? De regelrechte confiscatie van de Palestijnse gasvelden en de eenzijdige uitroeping van Israëlische soevereiniteit over de zee rond Gaza? Gebeurt dat, dan worden de Gazaanse gasvelden samengevoegd met de offshore installaties van Israel die grenzen aan die van de Gazastrook”.
Een cruciaal onderdeel van de belegering van Gaza was de blokkade vanaf zee, zo schrijft Noam Chomsky in zijn nieuwste boek Hopes and Prospects. Door de Israëlische acties op zee is de visindustrie van Gaza zowat ingestort. Visvangst direct onder de kust is onmogelijk door de vervuiling als gevolg van de regelmatige aanvallen van Israel, zoals de vernietiging van elektriciteitscentrales en rioleringsinstallaties. “De Israëlische aanvallen van zee begonnen kort na de ontdekking door BG van blijkbaar zeer omvangrijke aardgasvelden in de terrritoriale wateren van Gaza. De vakpers meldt dat Israel al begonnen is zich deze bronnen toe te eigenen, binnen het kader van het beleid om zijn economie naar aardgas over te schakelen. De diefstal van wat een belangrijke inkomstenbron voor Palestina kon worden is Amerika ongetwijfeld bekend. En dan mag men toch aannemen dan het plan om deze beperkte bronnen in beslag te nemen, voor Israel alleen, of samen met de collaborerende Palestijnse autoriteit, het motief is voor het tegenhouden van Palestijnse vissersboten in de Palestijnse territoriale wateren". Daar waar Chomsky een verband legt tussen de het Israëlische plan om zich het Palestijnse aardgas toe te eigenen en de Gaza oorlog van 2008/2009, moet men ongetwijfeld ook de bloedige aanval op het hulpkonvooi op 31 mei in dat kader plaatsen.
"Er zijn enkele leerrijke precedenten. In 1989 ondertekende de Australische minister van Buitenlandse Zaken Gareth Evans een verdrag met Indonesië waarbij Australië rechten verwerft op de omvangrijke oliereserves in “de Indonesische provincie Oost-Timor”. De Indonesia-Australia Timor Gap Treaty, die nog geen kruimeltje gunt aan de bevolking van wie olie werd gestolen, ‘is de enige wettelijke overeenkomst die het recht van Indonesië erkent om Oost-Timor te besturen’, zo luidde het in de Australische pers. Ondervraagd over zijn de facto steun aan de Indonesische verovering en zijn plan om de enige inkomstenbron te roven van veroverd gebied dat door de Indonesische invaller - met steun van Australië, de VS, Groot-Brittannië en andere landen - slachtoffer was geworden van een quasi genocidale slachting, legde Evans uit dat ‘er geen bindende wettelijke verplichting is om de verovering van gebied NIET te erkennen’, om daar aan toe te voegen dat ‘de wereld nu eenmaal een nogal oneerlijke plaats is, bezaaid met voorbeelden van veroveringen’. Zo zou Israel in Gaza dus gewoon zijn gang kunnen gaan”.
Bronnen
David K. Schermerhorn: “Gazan coast becoming no-go zone”
Marc J. Bossuyt en Jan Wouters: "Grondlijnen van internationaal recht" p. 286, 334, 354
Michel Chossudovsky: “War and Natural Gas: The Israeli Invasion and Gaza's Offshore Gas Fields”
Noam Chomsky: “Do We Face a Real Confrontation with Israel?”
Press Action: The Big Gas Play: Behind Israel's Siege of Gaza
Ravage Digitaal: “Vuile handen. Internationale gemeenschap 'helpt' Oost-Timor”
Wikipedia: Tony Blair
Sinds het overlijden van Yasser Arafat, de verkiezingsoverwinning van Hamas en het uiteenvallen van de Palestijnse Autoriteit - die enkel nog het Fatah regime op de West Bank van Mahmoud Abbas vertegenwoordigt - probeert Israel zich de controle over de Palestijnse gasvelden toe te eigenen. De verkiezing van premier Ariel Sharon in 2001 leidde tot een keerpunt. Die vocht de Palestijnse soevereiniteit over de gasvelden tevergeefs aan voor het Hooggerechtshof. Om vervolgens te laten weten dat Israel nooit aardgas van Palestina zal kopen, ten teken dat de gasvelden Israel toekomen. En in 2003 kelderde hij een contract voor de levering van Gazaans aardgas aan Israel. Toen BG in 2006 in het "politiek niemandsland" de horizon verlegde en een contract zou sluiten met Egypte kwam Tony Blair, de toenmalige Britse premier - thans speciaal Midden Oosten gezant voor het kwartet VN, EU, de VS en Rusland - namens Israel tussen om die deal af te blazen.
In 2007 kondigde de Israëlische regering aan “gas te zullen aankopen van de Palestijnse Autoriteit ter waarde van $4 miljard, waarbij 50% van de winst van $2 miljard naar de Palestijnen zou gaan”. Tel Aviv was echter hoegenaamd niet van plan de inkomsten met Palestina te delen. Er werd een team aangesteld om te bekijken hoe een deal met BG kon worden gesloten met uitsluiting van Hamas en de Palestijnse Autoriteit. Het team besloot: "Het Israëlische ministerie van Defensie staat erop dat de Palestijnen in goederen en diensten worden betaald en verzet zich met klem tegen de overdracht van geld aan de door Hamas gecontroleerde regering”. De bedoeling was tot de opheffing van het contract van 1999 met de Palestijnse Autoriteit te komen, om vervolgens het Gazaanse gas naar de Israëlische havenstad Ashkelon te pompen en daarmee de controle over de verkoop te verwerven. BG trok zich echter terug en sloot begin 2008 zijn kantoor in Israel.
Het is tegen deze achtergrond dat de manier waarop Israel zich tegenover Gaza en de tweespalt Hamas-Fatah opstelt moet worden bekeken. De Canadese professor Michel Chossudovsky zegt daarover: “De militaire bezetting is gericht op de overdracht van de soevereiniteit over de gasvelden, een inbreuk op het internationaal recht. Wat kan men verwachten dat er op de invasie volgt? Wat wil Israel met Palestijns aardgas? Nieuwe gebiedsafspraken, met de stationering van Israëlische en/of “vredes”-troepen? De militarisatie van de hele kustlijn van Gaza, die voor Israel van zo’n groot strategisch belang is? De regelrechte confiscatie van de Palestijnse gasvelden en de eenzijdige uitroeping van Israëlische soevereiniteit over de zee rond Gaza? Gebeurt dat, dan worden de Gazaanse gasvelden samengevoegd met de offshore installaties van Israel die grenzen aan die van de Gazastrook”.
Een cruciaal onderdeel van de belegering van Gaza was de blokkade vanaf zee, zo schrijft Noam Chomsky in zijn nieuwste boek Hopes and Prospects. Door de Israëlische acties op zee is de visindustrie van Gaza zowat ingestort. Visvangst direct onder de kust is onmogelijk door de vervuiling als gevolg van de regelmatige aanvallen van Israel, zoals de vernietiging van elektriciteitscentrales en rioleringsinstallaties. “De Israëlische aanvallen van zee begonnen kort na de ontdekking door BG van blijkbaar zeer omvangrijke aardgasvelden in de terrritoriale wateren van Gaza. De vakpers meldt dat Israel al begonnen is zich deze bronnen toe te eigenen, binnen het kader van het beleid om zijn economie naar aardgas over te schakelen. De diefstal van wat een belangrijke inkomstenbron voor Palestina kon worden is Amerika ongetwijfeld bekend. En dan mag men toch aannemen dan het plan om deze beperkte bronnen in beslag te nemen, voor Israel alleen, of samen met de collaborerende Palestijnse autoriteit, het motief is voor het tegenhouden van Palestijnse vissersboten in de Palestijnse territoriale wateren". Daar waar Chomsky een verband legt tussen de het Israëlische plan om zich het Palestijnse aardgas toe te eigenen en de Gaza oorlog van 2008/2009, moet men ongetwijfeld ook de bloedige aanval op het hulpkonvooi op 31 mei in dat kader plaatsen.
"Er zijn enkele leerrijke precedenten. In 1989 ondertekende de Australische minister van Buitenlandse Zaken Gareth Evans een verdrag met Indonesië waarbij Australië rechten verwerft op de omvangrijke oliereserves in “de Indonesische provincie Oost-Timor”. De Indonesia-Australia Timor Gap Treaty, die nog geen kruimeltje gunt aan de bevolking van wie olie werd gestolen, ‘is de enige wettelijke overeenkomst die het recht van Indonesië erkent om Oost-Timor te besturen’, zo luidde het in de Australische pers. Ondervraagd over zijn de facto steun aan de Indonesische verovering en zijn plan om de enige inkomstenbron te roven van veroverd gebied dat door de Indonesische invaller - met steun van Australië, de VS, Groot-Brittannië en andere landen - slachtoffer was geworden van een quasi genocidale slachting, legde Evans uit dat ‘er geen bindende wettelijke verplichting is om de verovering van gebied NIET te erkennen’, om daar aan toe te voegen dat ‘de wereld nu eenmaal een nogal oneerlijke plaats is, bezaaid met voorbeelden van veroveringen’. Zo zou Israel in Gaza dus gewoon zijn gang kunnen gaan”.Bronnen
David K. Schermerhorn: “Gazan coast becoming no-go zone”
Marc J. Bossuyt en Jan Wouters: "Grondlijnen van internationaal recht" p. 286, 334, 354
Michel Chossudovsky: “War and Natural Gas: The Israeli Invasion and Gaza's Offshore Gas Fields”
Noam Chomsky: “Do We Face a Real Confrontation with Israel?”
Press Action: The Big Gas Play: Behind Israel's Siege of Gaza
Ravage Digitaal: “Vuile handen. Internationale gemeenschap 'helpt' Oost-Timor”
Wikipedia: Tony Blair
dinsdag 13 juli 2010
Israel ronselt met VS-steun immigranten voor illegale nederzettingen
Het expansieve Israëlische nederzettingenproject op de West Bank toont een cynisch misprijzen voor het internationaal recht en Israëlische wetten. Kolonisten bezetten nu al 42% van de West Bank, Palestijns gebied. De nederzettingen zijn strijdig met het internationaal recht en met uitspraken van het Israëlisch Hooggerechtshof. Israel is uit op de beste gronden. Het heeft ook de schaarse waterbronnen onteigend, omleidingwegen aangelegd en nieuwe controleposten opgesteld, waarmee voor de Palestijnen slechts onleefbare enclaves overblijven, afgesloten van Jeruzalem, traditioneel het hart van Palestina.
De Israëlische overheid voert al vele jaren een actief nederzettingenbeleid, moratorium of geen moratorium. Daartoe werd in 2002 de organisatie Nefesh B'Nefesh opgericht, die sinds 2005 “in partnership” werkt met de Israëlische regering, nadat toenmalig premier Ariel Sharon overheidsfinanciering van de organisatie had bewerkstelligd “op proefbasis”. Nefesh B'Nefesh formuleert zijn missie als volgt: "... we aim to educate and inspire the Jews of the Diaspora as to the centrality of the Jewish State to the Jewish people and its desirability as a Jewish home. Such enhanced awareness will send an unmistakable signal of Anglo-Israeli Jewish solidarity and of our mutual determination to strengthen the State of Israel and thereby increase the likelihood of an ever expanding Aliyah [terugkeer van Joden naar "Het Beloofde Land"] reality".
De organisatie biedt Joodse kandidaat-immigranten omvangrijke financiële en persoonlijke steun en werft zeer actief in de VS, Canada en Groot-Brittannië, waar kandidaten een 0800 nummer kunnen bellen, bijeenkomsten worden georganiseerd en zelfs gesubsidieerde kennismakingsvluchten naar Israel georganiseerd. Tevoren kunnen kandidaten zeer goed verzorgde documentatie op internet raadplegen, waaronder een “doorklik”-kaart met gedetailleerde gegevens over elke (illegale) nederzetting, inclusief zelfs enkele in "Northern Israel", op de Golan hoogten, nota bene Syrisch bezet gebied.
De Israëlische overheid voert al vele jaren een actief nederzettingenbeleid, moratorium of geen moratorium. Daartoe werd in 2002 de organisatie Nefesh B'Nefesh opgericht, die sinds 2005 “in partnership” werkt met de Israëlische regering, nadat toenmalig premier Ariel Sharon overheidsfinanciering van de organisatie had bewerkstelligd “op proefbasis”. Nefesh B'Nefesh formuleert zijn missie als volgt: "... we aim to educate and inspire the Jews of the Diaspora as to the centrality of the Jewish State to the Jewish people and its desirability as a Jewish home. Such enhanced awareness will send an unmistakable signal of Anglo-Israeli Jewish solidarity and of our mutual determination to strengthen the State of Israel and thereby increase the likelihood of an ever expanding Aliyah [terugkeer van Joden naar "Het Beloofde Land"] reality".
De organisatie biedt Joodse kandidaat-immigranten omvangrijke financiële en persoonlijke steun en werft zeer actief in de VS, Canada en Groot-Brittannië, waar kandidaten een 0800 nummer kunnen bellen, bijeenkomsten worden georganiseerd en zelfs gesubsidieerde kennismakingsvluchten naar Israel georganiseerd. Tevoren kunnen kandidaten zeer goed verzorgde documentatie op internet raadplegen, waaronder een “doorklik”-kaart met gedetailleerde gegevens over elke (illegale) nederzetting, inclusief zelfs enkele in "Northern Israel", op de Golan hoogten, nota bene Syrisch bezet gebied.
Dit nederzettingenbeleid wordt door Washington al vele jaren financieel gesteund. Als Obama echt tegen uitbreiding van de nederzettingen is kan hij deze subsidies gemakkelijk intrekken. Ook over een Palestijnse staat blijft Obama vaag. Maar zijn verklaring “Het stichten van nederzettingen is niet wettig. De bouw schendt gemaakte afspraken en ondermijnt de pogingen om tot vrede te komen. Het wordt tijd hier mee op te houden” verraadt hem. Voor hem zijn de bestaande nederzettingen dus wél wettig. Met bijna de helft van de West Bank bezet door kolonisten, wat blijft er dan over voor een Palestijnse staat?
Met de wissel Bush-Obama begin 2009 is er blijkbaar niets veranderd. Washington lijkt volop door te gaan om Israel te installeren als bolwerk voor Amerikaanse dominantie in een olierijk gebied. Dat past binnen de plannen met Afghanistan en Pakistan, waar de strijd escaleert en gigantische ambassades worden gebouwd naar het model van de Amerikaanse stad-in-de-stad in Baghdad.
Ook de Amerikaanse high tech civiele en wapenindustrie is blij dat men de relaties met Israel verder kan uitbouwen. Zo helpt Israel Amerika zijn wereldsuprematie te behouden. Moshe Yallon, voormalig stafchef van het Israëlische leger, gaf een mooi staaltje van de Israëlische arrogantie en onverschilligheid weg met zijn uitspraak: ”Het moet de Palestijnen tot in het diepst van hun ziel worden duidelijk gemaakt dat zij verslagen zijn”. Of dat de Israëli’s lukt valt nog te bezien. Sara Roy, lector aan Harvard’s Center for Middle Eastern Studies en auteur van het boek Failing Peace: Gaza and the Palestinian-Israeli Conflict is er niet gerust op. Zij meent dat Israel Gaza een stille dood laat sterven, om het dan over te doen aan Egypte. En na Gaza is de West Bank aan de beurt. Ter afronding van de etnische zuivering van Palestina. En dat gebeurt allemaal voor onze ogen.
Bronnen
Barbara Slavin (Foreign Policy): "Unsettled"Bronnen
B’tselem: “By Hook and By Crook: Israel’s Settlement Policy in the West Bank”
Nefesh B'Nefesh: "Advanced Community Search"
Noam Chomsky: “Do We Face a Real Confrontation with Israel?”
Sara Roy: “If Gaza falls”
The Independent 7/7/2010: “Exposed: The truth about Israel's land grab in the West Bank”
Wikipedia: "Aliyah"
maandag 12 juli 2010
Kan "de Palestijnse Nelson Mandela" de impasse doorbreken?
De belangrijkste Palestijnse politicus is president noch premier. Hij loopt de Amerikaanse ambassade of het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken niet plat. Hij verplaatst zich zelfs helemaal niet. De 50-jarige Marwan Barghouti zit sinds 2004 in een Israëlische gevangenis een levenslange veroordeling uit voor zijn betrokkenheid bij een dodelijke aanslag op Israëlische burgers tijdens de tweede Intifada. Hoewel Barghouti een Fatah leider is wil rivaal Hamas hem ruilen voor Gilad Shalit, de gekidnapte Israëlische soldaat die in Gaza wordt gevangen gehouden. De vrijlating van Barghouti, die soms de Palestijnse Nelson Mandela wordt genoemd, is een belangrijk struikelblok in de onderhandelingen tussen Israel en Hamas over Shalit.
Dat zegt de sinds 1996 in Jeruzalem woonachtige bekroonde buitenlandcorrespondent Matt Beynon Rees op het Amerikaanse digitale nieuwsmedium GlobalPost. Barghouti is voor veel Palestijnen een leider die hen kan verenigen in een situatie waarin ze hopeloos verdeeld zijn: Fatah tegen Hamas, Gaza tegen de West Bank, pro-Iran tegen pro-VS. Barghouti, die naast Arabisch vloeiend Engels en Hebreeuws spreekt, staat bekend als aanhanger van de Oslo akkoorden. Maar geweld tegen de bezetter is voor hem niet taboe. Veel Palestijnen zien zo’n leider eerder dan de huidige leiding hun belangen verdedigen tegenover de Amerikaanse druk en de Israëlische onverzoenlijkheid. Kan Barghouti dat waarmaken? Welnu, deze kleine, drukke en rondborstige charmeur die tijdens de tweede Intifada de Palestijnen kon splijten moet toch ook het omgekeerde kunnen bewerkstelligen, zo luidt de stelling.
Feature writer Oakland Ross beschrijft 11 maart 2009 op thestar.com, de digitale krant van Canada’s grootste dagblad de Toronto Star, hoezeer toen een ruil in het verschiet lag. Een ruil die van grote invloed kon zijn op de politieke situatie in het Midden Oosten. Volgens een opiniepeiling van toen zou Barghouti de op één na populairste Palestijnse politicus, Ismael Haniyeh, de leider van Hamas in Gaza, met een marge van twee tegen één verslaan.
Barghouti vaart al lang uit tegen de corruptie en vriendjespolitiek die de steun aan Fatah heeft uitgehold. Hij is een man die voorstander blijft van een twee-staten oplossing, waar veel van zijn landgenoten de hoop opgeven dat onderhandelingen met Israel ooit zullen leiden tot een onafhankelijke Palestijnse staat. Het eerste wat Barghouti als vrij man zou doen is de wetgevende en presidentiële verkiezingen uitschrijven die januari 2010 hadden moeten plaatsvinden.
De Britse The Times voorziet revolutionaire veranderingen in de Palestijnse politiek na de vrijlating van Barghouti. De krant omschrijft Barghouti als een populaire, charismatische leider die wordt gezien als de man die de tegenstellingen tussen de Palestijnen op de West Bank en die in Gaza kan overbruggen. Hij is een man die weliswaar behoort tot het kamp van Fatah, de partij van Mahmoud Abbas, maar die steeds nauwe relaties met Hamas heeft onderhouden. Eenmaal in vrijheid zou Barghouti het vertrek van Abbas uit de politiek kunnen versnellen en de weg vrijmaken voor een nieuwe Palestijnse eenheidsregering. Ook de Amerikaanse nieuwsorganisatie The Christian Science Monitor meent dat Barghouti bij verkiezingen Hamas gemakkelijk kan verslaan. Volgens de Monitor doet Hamas er goed aan te ijveren voor vrijlating van Barghouti. Zo versterkt Hamas zijn positie onder alle Palestijnen en kan na nationale verzoening in het buitenland de scheidslijn tussen Hamas en Fatah vervagen. Barghouti wordt niet meer als een Fatah man gezien, maar als een nationale leider. Net als Yasser Arafat is Barghouti een onbetwist symbool in de strijd voor een eigen staat. De Britse Telegraph meldt dat de voormalige Britse Conservative Party minister Michael Portillo hem ooit omschreef als iemand met “het charisma van Che Guevara, een man die bij Hamas-aanhangers op handen wordt gedragen wegens zijn rol tijdens de tweede Intifada, toen hij uit de verschillende militia’s de al-Aqsa Martyrs' Brigade smeedde”.
Komt Barghouti vrij? Vorig jaar leek het er sterk op, maar de deal werd op het laatste moment afgeblazen. Hamas heeft in Gilad Shalit een ijzersterke troef. Op 8 juli bereikte de 12-daagse mars voor diens vrijlating een hoogtepunt bij de aankomst in Jeruzalem. De vader van de 23-jarige soldaat heeft gezworen om bij de ambtwoning van de premier te blijven kamperen tot zijn zoon vrij is. Op zijn mars werd hij vergezeld door duizenden activisten die druk willen uitoefenen op de regering om een gevangenenruil met Hamas te sluiten om de soldaat vrij te krijgen. Gilad Shalit werd juni 2006 door Hamas militanten bij een inval in Israel opgepakt. De Israëlische premier Benjamin Natanyahu heeft de vrijlating van een duizendtal Palestijnse gevangenen aangeboden in ruil voor Shalit, maar over de details en over welke gevangenen men wil vrijlaten zijn partijen het niet eens. Jo-Ann Mort schreef vorig jaar in Foreign Policy dat de vrijlating van Barghouti wegens zijn rol in de tweede Intifada voor bittere verdeeldheid in Israel zorgt. Sommige Knesset leden, onder wie de vroegere minister van defensie Benjamin Ben-Eliezer, verdedigden de vrijlating, maar anderen, zoals Kadima leider Tzipi Livni hamerden erop dat Barghouti nooit mag vrijkomen.
Richard Silverstein, redacteur van de gereputeerde links-liberale Joodse weblog Tikun Ola, wijst op een bericht van 23 juni van Ali Abunimah, medeoprichter van The Electronic Intifada. Die meldt op zijn weblog uit diplomatieke bron te hebben vernomen dat George Mitchell, de Midden-Oosten afgezant van president Barack Obama, er bij de Israëli’s op had aangedrongen Barghouti niet vrij te laten “omdat dat alleen maar Hamas zou versterken”.
“Als dit bericht op waarheid berust zou het schokkend zijn. Dat een rechtse president als George Bush zou samenzweren tegen Hamas is één ding, maar als de regering Obama in zo’n kwestie zou tussenkomen is dat laakbaar”, aldus Silverstein. Een mening waarbij wij ons alleen maar kunnen aansluiten. Alle waarnemers zijn het erover eens dat Barghouti de verdeelde Palestijnen kan verenigen en een doorbraak in het conflict Israel-Palestina bewerkstelligen. Blijft hij in de Israëlische gevangenis, dan kan men alleen maar concluderen dat de Amerikaanse hardliners bewust een cynisch verdeel-en-heers spel opvoeren om een situatie te creëren waarin Israel de sluipende annexatie van Palestijns gebied kan voortzetten en een twee-staten oplossing totaal onhaalbaar wordt. Een spel waarin de wereld niet mag berusten.
Dat zegt de sinds 1996 in Jeruzalem woonachtige bekroonde buitenlandcorrespondent Matt Beynon Rees op het Amerikaanse digitale nieuwsmedium GlobalPost. Barghouti is voor veel Palestijnen een leider die hen kan verenigen in een situatie waarin ze hopeloos verdeeld zijn: Fatah tegen Hamas, Gaza tegen de West Bank, pro-Iran tegen pro-VS. Barghouti, die naast Arabisch vloeiend Engels en Hebreeuws spreekt, staat bekend als aanhanger van de Oslo akkoorden. Maar geweld tegen de bezetter is voor hem niet taboe. Veel Palestijnen zien zo’n leider eerder dan de huidige leiding hun belangen verdedigen tegenover de Amerikaanse druk en de Israëlische onverzoenlijkheid. Kan Barghouti dat waarmaken? Welnu, deze kleine, drukke en rondborstige charmeur die tijdens de tweede Intifada de Palestijnen kon splijten moet toch ook het omgekeerde kunnen bewerkstelligen, zo luidt de stelling.
Feature writer Oakland Ross beschrijft 11 maart 2009 op thestar.com, de digitale krant van Canada’s grootste dagblad de Toronto Star, hoezeer toen een ruil in het verschiet lag. Een ruil die van grote invloed kon zijn op de politieke situatie in het Midden Oosten. Volgens een opiniepeiling van toen zou Barghouti de op één na populairste Palestijnse politicus, Ismael Haniyeh, de leider van Hamas in Gaza, met een marge van twee tegen één verslaan.
Barghouti vaart al lang uit tegen de corruptie en vriendjespolitiek die de steun aan Fatah heeft uitgehold. Hij is een man die voorstander blijft van een twee-staten oplossing, waar veel van zijn landgenoten de hoop opgeven dat onderhandelingen met Israel ooit zullen leiden tot een onafhankelijke Palestijnse staat. Het eerste wat Barghouti als vrij man zou doen is de wetgevende en presidentiële verkiezingen uitschrijven die januari 2010 hadden moeten plaatsvinden.De Britse The Times voorziet revolutionaire veranderingen in de Palestijnse politiek na de vrijlating van Barghouti. De krant omschrijft Barghouti als een populaire, charismatische leider die wordt gezien als de man die de tegenstellingen tussen de Palestijnen op de West Bank en die in Gaza kan overbruggen. Hij is een man die weliswaar behoort tot het kamp van Fatah, de partij van Mahmoud Abbas, maar die steeds nauwe relaties met Hamas heeft onderhouden. Eenmaal in vrijheid zou Barghouti het vertrek van Abbas uit de politiek kunnen versnellen en de weg vrijmaken voor een nieuwe Palestijnse eenheidsregering. Ook de Amerikaanse nieuwsorganisatie The Christian Science Monitor meent dat Barghouti bij verkiezingen Hamas gemakkelijk kan verslaan. Volgens de Monitor doet Hamas er goed aan te ijveren voor vrijlating van Barghouti. Zo versterkt Hamas zijn positie onder alle Palestijnen en kan na nationale verzoening in het buitenland de scheidslijn tussen Hamas en Fatah vervagen. Barghouti wordt niet meer als een Fatah man gezien, maar als een nationale leider. Net als Yasser Arafat is Barghouti een onbetwist symbool in de strijd voor een eigen staat. De Britse Telegraph meldt dat de voormalige Britse Conservative Party minister Michael Portillo hem ooit omschreef als iemand met “het charisma van Che Guevara, een man die bij Hamas-aanhangers op handen wordt gedragen wegens zijn rol tijdens de tweede Intifada, toen hij uit de verschillende militia’s de al-Aqsa Martyrs' Brigade smeedde”.
Komt Barghouti vrij? Vorig jaar leek het er sterk op, maar de deal werd op het laatste moment afgeblazen. Hamas heeft in Gilad Shalit een ijzersterke troef. Op 8 juli bereikte de 12-daagse mars voor diens vrijlating een hoogtepunt bij de aankomst in Jeruzalem. De vader van de 23-jarige soldaat heeft gezworen om bij de ambtwoning van de premier te blijven kamperen tot zijn zoon vrij is. Op zijn mars werd hij vergezeld door duizenden activisten die druk willen uitoefenen op de regering om een gevangenenruil met Hamas te sluiten om de soldaat vrij te krijgen. Gilad Shalit werd juni 2006 door Hamas militanten bij een inval in Israel opgepakt. De Israëlische premier Benjamin Natanyahu heeft de vrijlating van een duizendtal Palestijnse gevangenen aangeboden in ruil voor Shalit, maar over de details en over welke gevangenen men wil vrijlaten zijn partijen het niet eens. Jo-Ann Mort schreef vorig jaar in Foreign Policy dat de vrijlating van Barghouti wegens zijn rol in de tweede Intifada voor bittere verdeeldheid in Israel zorgt. Sommige Knesset leden, onder wie de vroegere minister van defensie Benjamin Ben-Eliezer, verdedigden de vrijlating, maar anderen, zoals Kadima leider Tzipi Livni hamerden erop dat Barghouti nooit mag vrijkomen.
Richard Silverstein, redacteur van de gereputeerde links-liberale Joodse weblog Tikun Ola, wijst op een bericht van 23 juni van Ali Abunimah, medeoprichter van The Electronic Intifada. Die meldt op zijn weblog uit diplomatieke bron te hebben vernomen dat George Mitchell, de Midden-Oosten afgezant van president Barack Obama, er bij de Israëli’s op had aangedrongen Barghouti niet vrij te laten “omdat dat alleen maar Hamas zou versterken”.
“Als dit bericht op waarheid berust zou het schokkend zijn. Dat een rechtse president als George Bush zou samenzweren tegen Hamas is één ding, maar als de regering Obama in zo’n kwestie zou tussenkomen is dat laakbaar”, aldus Silverstein. Een mening waarbij wij ons alleen maar kunnen aansluiten. Alle waarnemers zijn het erover eens dat Barghouti de verdeelde Palestijnen kan verenigen en een doorbraak in het conflict Israel-Palestina bewerkstelligen. Blijft hij in de Israëlische gevangenis, dan kan men alleen maar concluderen dat de Amerikaanse hardliners bewust een cynisch verdeel-en-heers spel opvoeren om een situatie te creëren waarin Israel de sluipende annexatie van Palestijns gebied kan voortzetten en een twee-staten oplossing totaal onhaalbaar wordt. Een spel waarin de wereld niet mag berusten.
Labels:
Israel,
Israel-Palestina conflict,
Palestina,
VS,
VS-Israel relatie
donderdag 8 juli 2010
Wat levert de ontmoeting Obama-Netanyahu de Palestijnen op?
De twee staatslieden die elkaar dinsdag in Washington ontmoetten lijken kleiner en kleiner te worden, en ook de initiatieven die ze nemen worden steeds kleiner. Elk sprankje hoop op Barack Obama om tot een oplossing in het Midden Oosten te komen is nu wel vervlogen. En van premier Netanyahu moet men ook al geen moedige initiatieven verwachten. Aan het langdurigste vredesproces in de geschiedenis wordt een onbegrijpelijk hoofdstuk toegevoegd. Een doodlopende weg. Israel heeft niet alleen opnieuw de VS om de tuin geleid, maar ook zijn veelbelovendste president in jaren. De gezamenlijke persconferentie gaf geen enkele duidelijkheid. Beide partijen hulden zich in nevelen.
Dat zegt een ontgoochelde Gideon Levy op 8 juli in Haaretz. Maar wat kan Obama dan ondernemen? Volgens Jack A Smith, uitgever van de Activist Newsletter en voormalig redacteur van de Guardian Radical Newsweekly, is Obama aan handen en voeten gebonden aan House en Senate, waar een verpletterende meerderheid van zowel Democraten als Republikeinen Israel steunt en men zelfs openlijk minachting toont voor de Palestijnen. In weerwil van het breed gedragen oordeel van internationale topjuristen dat de Israëlische flotilla aanval een flagrante schending was van internationale normen kwamen prominente Democraten met de Orwelliaanse uitspraak dat het om zelfverdediging ging. Eind juni ondertekenden 87 op 100 senatoren en 307 op 435 afgevaardigden een brief aan Obama over het incident, waarin ze verklaarden volledig achter het recht van Israel stonden om zich te verdedigen tegen “gewapende” activisten. In de brief kreeg Obama ook nog eens een pluim voor het tegenhouden van “een oneerlijke Veiligheidsraadresolutie”. En in april tekende 76 senatoren en 333 afgevaardigden een brief aan buitenlandminister Hillary Clinton die impliciet Obama berispt voor zijn “confronterende houding tegenover Israel”.
Maar klopt dat verhaal? Nathan Brown, professor politieke wetenschappen aan de George Washington Universiteit, heeft op grond van onderzoek ter plaatse een totaal andere kijk op de ontwikkelingen op de West Bank. Die zegt dat Fayyad op de West Bank sinds juni 2007, toen de Palestijnse Autoriteit in tweeën werd gedeeld, met steun van Washington ambitieuze stappen kon zetten op weg naar een Palestijnse staat. Zijn bescheiden en bekwame optreden leidde al snel tot internationale loftuitingen aan het Fayyadisme. Bouwt Salam Fayyad inderdaad in alle stilte een Palestijnse staat op, in plaats van te wachten tot de internationale gemeenschap die mogelijk maakt, zo vraagt Brown zich af. Hij meent dat Fayyad als persoon heel wat te bieden heeft: integriteit, pragmatisme, actie in plaats van revolutionaire retoriek. Maar leidt dit Fayyadisme tot een Palestijnse staat? Die vraag moet met “nee” worden beantwoord. Zonder politiek proces gericht op een Palestijnse staat kan Fayyad zijn project niet realiseren. Volgens Brown kan het Fayyadisme niet tot een twee-staten oplossing voor het Israel-Palestina conflict leiden. Want Fayyad bouwt geen Palestijnse overheidsstructuur op. Hij treft maatregelen ter verbetering van de bestaande structuur, maar kent ook mislukkingen. Zo functioneert het rechtssysteem beter, maar het is ook gepolitiseerd, buitenspel gezet door de veiligheidsdienst en verlamd door interne rivaliteit. De instellingen die Fayyad aanstuurt zijn in feite door Yasser Arafat opgebouwd.
Bovendien opereert Fayyad in een autoritaire context, zijn beleid mist elke legitimiteit. De Palestijnse democratie is dood, en als die leefde kon Fayyad niet optreden op de manier waarop hij dat doet. De termijn van zowel de president als het parlement is overschreden en er is geen enkel zicht op nieuwe verkiezingen. Locale ambtsdragers zijn selectief ontslagen, locale verkiezingen geannuleerd, de oppositie gemuilkorfd, activisten opgepakt, rechtbankvonnissen genegeerd, de bevolking bestuurd door bureaucraten. Een aanfluiting van de rechtsstaat. Het parlement van de jaren 1996-2006 was dan wel chaotisch, maar het leverde wel solide wetgeving op die door het electoraat als legitiem werd ervaren. Sinds de verkiezingsoverwinning van Hamas in 2006 en de arrestatie door Israel van verschillende Hamas parlementsleden is het wetgevend proces tot stilstand gekomen en worden wetten uitgevaardigd door bureaucraten. De politieke verlamming en het autoritarisme hollen de instellingen uit.
Maar ook de Palestijnse politieke partijen verkeren in crisis. Hamas, de gezondste partij, is alleen actief in Gaza en verkeert op de West Bank “in winterslaap”. Fatah is volop in verwarring. De vergrijsde oude garde houdt het monopolie op topposities, de nieuwe generatie is verdeeld, locale verkiezingen werden geannuleerd bij gebrek aan kandidaten. Met de boycot van Hamas had Fatah een verpletterende verkiezingsoverwinning kunnen boeken. Fatah bouwt geen Palestijnse staat op, het past slechts op de winkel tot de volgende crisis. En als die komt heeft Fayyad geen democratische legitimiteit, kan niet terugvallen op een partijorganisatie. De boodschap van het Fayyadisme klinkt slechts door in het buitenland: zolang Fayyad premier is kan hij dankzij buitenlandse financiële steun zijn overheidsapparaat laten functioneren. Fayyad mag dan een goed mens zijn, maar zijn beperkte verbeteringen aan het overheidsapparaat kunnen het onderliggende probleem niet verdoezelen: de meeste Palestijnse instellingen zitten diep in de problemen en de belangrijkste in een vergevorderd proces van verval. Een totaal geblokkeerde toestand voor de Palestijnse bevolking dus.
Dat zegt een ontgoochelde Gideon Levy op 8 juli in Haaretz. Maar wat kan Obama dan ondernemen? Volgens Jack A Smith, uitgever van de Activist Newsletter en voormalig redacteur van de Guardian Radical Newsweekly, is Obama aan handen en voeten gebonden aan House en Senate, waar een verpletterende meerderheid van zowel Democraten als Republikeinen Israel steunt en men zelfs openlijk minachting toont voor de Palestijnen. In weerwil van het breed gedragen oordeel van internationale topjuristen dat de Israëlische flotilla aanval een flagrante schending was van internationale normen kwamen prominente Democraten met de Orwelliaanse uitspraak dat het om zelfverdediging ging. Eind juni ondertekenden 87 op 100 senatoren en 307 op 435 afgevaardigden een brief aan Obama over het incident, waarin ze verklaarden volledig achter het recht van Israel stonden om zich te verdedigen tegen “gewapende” activisten. In de brief kreeg Obama ook nog eens een pluim voor het tegenhouden van “een oneerlijke Veiligheidsraadresolutie”. En in april tekende 76 senatoren en 333 afgevaardigden een brief aan buitenlandminister Hillary Clinton die impliciet Obama berispt voor zijn “confronterende houding tegenover Israel”.
Wat betekent dit alles voor de Palestijnen? Volgens Hussein Ibish van The American Task Force zouden die in alle stilte een staat op de West Bank opbouwen. Ibish pleit daarbij voor steun van de wereld. Hij wijst op een recente bijeenkomst van 2000 Palestijnse financiers, gericht op de opbouw van de economie van een leefbare Palestijnse staat. Daarbij zou een injectie van bijna $1 miljard besproken zijn voor projecten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, woningbouw en toerisme.
Een voorbeeld van het veranderingsproces op de West Bank onder leiding van president Mahmoud Abbas en premier Salam Fayyad van de Palestijnse autoriteit, zo luidt het. Waarmee de Palestijnen stap voor stap alledaagse instrumenten voor bestuur en ontwikkeling inzetten om de bezetting te beëindigen. Ibish meldt dat Abbas recent met president Obama overeenstemming zou hebben bereikt “over de meeste punten”, waaronder een verlichting van de blokkade op Gaza “zonder Hamas daardoor te bevoordelen”. De toekomst van Hamas valt of staat met het succes of falen van het opbouwproject van de Palestijnse autoriteit op de West Bank, aldus Ibish.
Een voorbeeld van het veranderingsproces op de West Bank onder leiding van president Mahmoud Abbas en premier Salam Fayyad van de Palestijnse autoriteit, zo luidt het. Waarmee de Palestijnen stap voor stap alledaagse instrumenten voor bestuur en ontwikkeling inzetten om de bezetting te beëindigen. Ibish meldt dat Abbas recent met president Obama overeenstemming zou hebben bereikt “over de meeste punten”, waaronder een verlichting van de blokkade op Gaza “zonder Hamas daardoor te bevoordelen”. De toekomst van Hamas valt of staat met het succes of falen van het opbouwproject van de Palestijnse autoriteit op de West Bank, aldus Ibish.Maar klopt dat verhaal? Nathan Brown, professor politieke wetenschappen aan de George Washington Universiteit, heeft op grond van onderzoek ter plaatse een totaal andere kijk op de ontwikkelingen op de West Bank. Die zegt dat Fayyad op de West Bank sinds juni 2007, toen de Palestijnse Autoriteit in tweeën werd gedeeld, met steun van Washington ambitieuze stappen kon zetten op weg naar een Palestijnse staat. Zijn bescheiden en bekwame optreden leidde al snel tot internationale loftuitingen aan het Fayyadisme. Bouwt Salam Fayyad inderdaad in alle stilte een Palestijnse staat op, in plaats van te wachten tot de internationale gemeenschap die mogelijk maakt, zo vraagt Brown zich af. Hij meent dat Fayyad als persoon heel wat te bieden heeft: integriteit, pragmatisme, actie in plaats van revolutionaire retoriek. Maar leidt dit Fayyadisme tot een Palestijnse staat? Die vraag moet met “nee” worden beantwoord. Zonder politiek proces gericht op een Palestijnse staat kan Fayyad zijn project niet realiseren. Volgens Brown kan het Fayyadisme niet tot een twee-staten oplossing voor het Israel-Palestina conflict leiden. Want Fayyad bouwt geen Palestijnse overheidsstructuur op. Hij treft maatregelen ter verbetering van de bestaande structuur, maar kent ook mislukkingen. Zo functioneert het rechtssysteem beter, maar het is ook gepolitiseerd, buitenspel gezet door de veiligheidsdienst en verlamd door interne rivaliteit. De instellingen die Fayyad aanstuurt zijn in feite door Yasser Arafat opgebouwd.
Bovendien opereert Fayyad in een autoritaire context, zijn beleid mist elke legitimiteit. De Palestijnse democratie is dood, en als die leefde kon Fayyad niet optreden op de manier waarop hij dat doet. De termijn van zowel de president als het parlement is overschreden en er is geen enkel zicht op nieuwe verkiezingen. Locale ambtsdragers zijn selectief ontslagen, locale verkiezingen geannuleerd, de oppositie gemuilkorfd, activisten opgepakt, rechtbankvonnissen genegeerd, de bevolking bestuurd door bureaucraten. Een aanfluiting van de rechtsstaat. Het parlement van de jaren 1996-2006 was dan wel chaotisch, maar het leverde wel solide wetgeving op die door het electoraat als legitiem werd ervaren. Sinds de verkiezingsoverwinning van Hamas in 2006 en de arrestatie door Israel van verschillende Hamas parlementsleden is het wetgevend proces tot stilstand gekomen en worden wetten uitgevaardigd door bureaucraten. De politieke verlamming en het autoritarisme hollen de instellingen uit.
Maar ook de Palestijnse politieke partijen verkeren in crisis. Hamas, de gezondste partij, is alleen actief in Gaza en verkeert op de West Bank “in winterslaap”. Fatah is volop in verwarring. De vergrijsde oude garde houdt het monopolie op topposities, de nieuwe generatie is verdeeld, locale verkiezingen werden geannuleerd bij gebrek aan kandidaten. Met de boycot van Hamas had Fatah een verpletterende verkiezingsoverwinning kunnen boeken. Fatah bouwt geen Palestijnse staat op, het past slechts op de winkel tot de volgende crisis. En als die komt heeft Fayyad geen democratische legitimiteit, kan niet terugvallen op een partijorganisatie. De boodschap van het Fayyadisme klinkt slechts door in het buitenland: zolang Fayyad premier is kan hij dankzij buitenlandse financiële steun zijn overheidsapparaat laten functioneren. Fayyad mag dan een goed mens zijn, maar zijn beperkte verbeteringen aan het overheidsapparaat kunnen het onderliggende probleem niet verdoezelen: de meeste Palestijnse instellingen zitten diep in de problemen en de belangrijkste in een vergevorderd proces van verval. Een totaal geblokkeerde toestand voor de Palestijnse bevolking dus.
maandag 5 juli 2010
Het Israel-Palestina conflict hangt van mythes aan elkaar
Hardnekkig gehanteerde halve waarheden kunnen een eigen leven gaan leiden en zo op den duur een intrinsieke “waarde” krijgen. Een fenomeen dat mythe wordt genoemd. Bedenkelijk wordt het als mythes in dienst staan van politieke doelstellingen. Welnu, het Israel-Palestina conflict hangt zo ongeveer van mythes in de zin van halve waarheden aan elkaar.
Dat zegt Egbert Talens in zijn boek “Een bijzondere relatie: Israel-Palestina nader bekeken 1897-1993”. Daarin citeert hij het werk The Birth of Israel: Myths and Realities van Simha Flapan, waarin deze de zeven belangrijkste mythes over het ontstaan van Israel beschrijft. Eenmaal "ingeburgerd" valt het niet mee de mythe van zijn onwaarachtig gehalte te ontdoen. Ontmaskering moet tot ontknoping leiden. Dat kan een pijnlijk proces zijn. Een halve waarheid van zijn onwaarachtigheid ontdaan evolueert naar een bijdrage tot de oplossing van een probleem.
In zijn boek behandelt Egbert Talens de zeven mythes van Flapan op pag. 182-184. Een samenvatting:
De historicus, schrijver en vredesactivist Simha Flapan (1911-1987) emigreerde in de 30er jaren uit Polen. Hij werd nationaal secretaris van de linkse Zionistische Mapam, in 1949 de op één na grootste partij in de Knesset. Flapan was een van de weinige Israelische schrijvers die het beeld over het ontstaan van Israel in vraag stelde. Hij wordt gerekend tot de New Historians, net als Benny Morris, Ilan Pappé, Avi Shlaim, Tom Segev en Hillel Cohen. In zijn boeken betwistte Flapan de door hem bespeurde historische mythes, waaronder dat de Arabische Palestijnen in 1948 hun huizen verlieten onder druk van Arabische leiders. Volgens Flapan was het juist het optreden van Israel dat de Palestijnen dwong te vluchten. Flapan bekritiseerde de behandeling van de Palestijnen op de West Bank en in Gaza, en was als redacteur actief bij de New Outlook, een Israelisch blad dat wegen naar vrede in het Midden Oosten verkende.
Dat zegt Egbert Talens in zijn boek “Een bijzondere relatie: Israel-Palestina nader bekeken 1897-1993”. Daarin citeert hij het werk The Birth of Israel: Myths and Realities van Simha Flapan, waarin deze de zeven belangrijkste mythes over het ontstaan van Israel beschrijft. Eenmaal "ingeburgerd" valt het niet mee de mythe van zijn onwaarachtig gehalte te ontdoen. Ontmaskering moet tot ontknoping leiden. Dat kan een pijnlijk proces zijn. Een halve waarheid van zijn onwaarachtigheid ontdaan evolueert naar een bijdrage tot de oplossing van een probleem.
In zijn boek behandelt Egbert Talens de zeven mythes van Flapan op pag. 182-184. Een samenvatting:
Op het eerste gezicht kan deze opsomming tot scepsis aanleiding geven. Het door Flapan aangedragen bewijsmateriaal is echter overvloedig en overtuigend. Het mag een wonder heten dat hij zelf geen afscheid neemt van het bestaansrecht van Israel, aldus Talens. Dat de bevindingen van Flapan tot een storm van protest zouden kunnen leiden sluit hijzelf op pag.12 van zijn boek niet uit. Op pag. 190 zegt hij dat hij ook niet wilde tornen aan de prestaties van het Israëlische leger. En op pag. 233 dat zijn pogingen de propaganda te ondermijnen niet alleen gemotiveerd werden door zijn gevoel van acuratesse, maar ook door de relevantie van die mythes voor de huidige situatie in Israel. Volgens Talens bedoelde hij waarschijnlijk "de irrelevantie".
Mythe Reëel De zionistische acceptatie van de VN-verdelingsresolutie van 29/11/1947 was een vérgaand compromis waarmee de Joodse gemeenschap afzag van een Joodse staat in heel Palestina, en het Palestijnse recht op hun eigen staat erkende… De acceptatie was slechts een tactische manoeuvre in een totaalstrategie, gericht op het onmogelijk maken van een Palestijnse staat en op uitbreiding van het door de VN als Joodse Staat toegewezen gebied. De Palestijnen verwierpen het deelplan volledig. Ze gaven gevolg aan de oproep van de mufti van Jeruzalem tot totale oorlog tegen de Joodse staat… Dit is niet het hele verhaal. Het merendeel van de Palestijnen gaf geen gehoor aan de oproep van de mufti. Integendeel: voorafgaand aan Israels onafhankelijkheidsverklaring ondernamen ze pogingen tot een modus vivendi te komen met (de) politieke zionisten, bijna Israëliërs. Fel verzet door Ben-Gurion c.s. tegen een Palestijnse staat ondermijnde de Palestijnse weerstand tegen de oproep van de mufti. De vlucht van de Palestijnen … was het gevolg van de oproep door Arabische leiders. De Palestijnen vluchtten, ondanks pogingen van Joodse leiders hen over te halen te blijven. De Palestijnen werden tot vluchten aangezet door Israëlische politici en militaire leiders. Zionistische kolonisatie en Joodse staat noodzaakten tot transfer van Palestijnse Arabieren. Alle Arabische staten, één in hun streven de pasgeboren Joodse staat te vernietigen, verenigden zich op 15 mei 1948 om Palestina binnen te vallen en de Joodse inwoners te verdrijven.
De Arabische staten waren niet uit op vernietiging van Israel. Zij wilden slechts voorkomen dat de plannen die tussen de voorlopige regering van Israel en koning Abdallah van Jordanië waren besproken werden gerealiseerd.
De Arabische invasie van Palestina op 15 mei 1948, in strijd met de VN-verdelingsresolutie, maakte de oorlog van 1948 onvermijdelijk. Documenten tonen Arabische instemming met een Amerikaans wapenstilstandsvoorstel aan, mits Israel de uitroeping van zijn onafhankelijkheid tijdelijk zou uitstellen. De voorlopige regering van Israel verwierp dit voorstel. Kleine boreling Israel werd geconfronteerd met afslachting door Arabische legers, zoals David tegenover Goliath. Israel, een numeriek inferieur, slecht bewapend volk, dreigde onder de voet te worden gelopen door een reus. De feiten tonen een totaal andere beeld. Ben Gurion had gezegd dat de zelfverdedigingsoorlog slechts vier weken zou duren. Op 11 juni 1948 werd een wapenstilstand afgekondigd. Intussen arriveerden enorme wapenvoorraden. Israels beter getrainde en meer ervaren strijdkrachten verwierven het overwicht, zowel op het gebied van bewapening als te land, ter zee en in de lucht. Voortdurend strekte Israel de hand uit tot vrede. Geen enkele Arabische leider erkende echter ooit Israels bestaansrecht, zodat er nooit iemand was om mee te praten. Juist het omgekeerde is het geval. Na afloop van Wereldoorlog II tot in 1952 weigerden de zionisten, later Israel, opeenvolgende voorstellen van Arabische staten en neutrale bemiddelaars die tot een regeling hadden kunnen leiden.
De historicus, schrijver en vredesactivist Simha Flapan (1911-1987) emigreerde in de 30er jaren uit Polen. Hij werd nationaal secretaris van de linkse Zionistische Mapam, in 1949 de op één na grootste partij in de Knesset. Flapan was een van de weinige Israelische schrijvers die het beeld over het ontstaan van Israel in vraag stelde. Hij wordt gerekend tot de New Historians, net als Benny Morris, Ilan Pappé, Avi Shlaim, Tom Segev en Hillel Cohen. In zijn boeken betwistte Flapan de door hem bespeurde historische mythes, waaronder dat de Arabische Palestijnen in 1948 hun huizen verlieten onder druk van Arabische leiders. Volgens Flapan was het juist het optreden van Israel dat de Palestijnen dwong te vluchten. Flapan bekritiseerde de behandeling van de Palestijnen op de West Bank en in Gaza, en was als redacteur actief bij de New Outlook, een Israelisch blad dat wegen naar vrede in het Midden Oosten verkende.
Labels:
ducumentaire,
Israel,
Israel-Palestina conflict,
Palestina
woensdag 30 juni 2010
Het Amerikaanse Midden-Oosten beleid op de korrel
Eind december 2008, bij de start van de Israëlische aanval op Gaza, publiceerde The Washington Post een open brief aan de juist verkozen president Obama van Jean-François Angevin-Romey, een uitgetreden hoge Amerikaanse militair. De brief werd verwijderd van de website van The Washington Post, maar tijdig opgepikt door Newsvine, onderdeel van het Amerikaanse nieuwsnetwerk MSNBC. Hieronder een gecondenseerde versie.
Al jaren zie ik hoe de Amerikaanse Midden-Oosten politiek afbreuk doet aan onze veiligheid en ons imago. Ik gaf u mijn stem omdat ik in u de eerste Amerikaanse president zag die het stramien kan doorbreken, die onze koers in het Israëlisch-Palestijns conflict kan verleggen. Die onze macht gebruikt om vorm te geven aan een rechtvaardige en blijvende oplossing. De geschiedenis leert dat zo’n oplossing een multi-etnische staat is met gelijke rechten en kansen voor allen. Gegeven de geschiedenis van de staat Israel kan die zo’n bestuur nooit voorzien. Onze steun aan Israel brengt risico’s met zich mee voor veiligheid en imago van de VS en, hoe ironisch, voor de Joodse wereldgemeenschap.
Het bezielen van mensen is een essentieel onderdeel van de taken van een leider. Geen enkele Amerikaanse politieke leider heeft echter de moed gehad zijn kiezers te zeggen waar het op staat: de VS steunt een land dat door etnische zuivering is ontstaan. Een land dat door militaire agressie onwettig zijn grondgebied uitbreidde en zich staande houdt met staatsterrorisme tegen miljoenen mensen onder militaire bezetting. Dat deze mensen onwettig aanhoudt, opsluit, martelt en van zijn elementaire rechten berooft.
Om het te maken in de politiek moet men zowat alle kritiek op Israel inslikken. Dat deze het etiket “antisemitisme” krijgt is even terecht als anti-Nazi “anti-Duits” te noemen of anti-apartheid “anti-blank”. Waarom krijgt Israel een voorkeursbehandeling? Ik adviseer u komaf te maken met de hypocrisie in het Amerikaanse politieke jargon, te beginnen met het misbruik van de term “terrorisme”. Daar moet ook staatsterrorisme onder worden verstaan. Dat richt immers de meeste ellende aan, van de terreurbombardementen in de Tweede Wereldoorlog tot die in Vietnam, en nu ook in Irak, Afghanistan, en vandaag Gaza. Wij en onze Westerse bondgenoten lijken enkel oog te hebben voor het staatsterrorisme in “ontwikkelingslanden”. Waarom verhinderen wij dat van oorlogsmisdaden beschuldigde Amerikanen voor de internationale gerechtshoven worden gebracht die nota bene met onze steun zijn gesticht?
Dat wij Hamas aanmerken als terreurorganisatie is hypocriet. Welke vergelijking wij ook maken, van het Franse Verzet en het Getto van Warschau tot de ANC, Hamas is een verzetsbeweging, terwijl het met de bezetter collaborerende Fatah een treffende gelijkenis vertoont met het Franse Vichy-regime uit de Tweede Wereldoorlog. De weinig doeltreffende beschietingen van Hamas op burgerdoelen zijn het gevolg van een gebrek aan middelen om het tegen de bezetter op te nemen. Terwijl wij volop militaire steun verlenen aan het Israëlische leger blijft het Palestijns Verzet van elke steun verstoken.
De internationale gemeenschap moet dringend ingrijpen in het Israel-Palestina conflict. De ontwikkelingen in Gaza vergen een door de VS gesteunde resolutie die oproept tot de inzet van vredestroepen, gemandateerd om van Israel en Palestina een multi-etnische staat te smeden met hulp van een economisch en sociaal hulppakket type Marshallplan. Alleen al de waterbronnen in de regio vergen een gezamenlijk beheer. Onze inlichtingendiensten weten al lang dat de annexatie van de rivier de Litani in Libanon het echte motief was voor de Israëlische invallen in dat land. Zonder internationale interventie kan een onderhandelde oplossing alleen maar tot stand komen via herstel van het militair evenwicht. Dat zet Israel aan om serieus te onderhandelen. Gebrek aan militair evenwicht verlengt het gewapend conflict en leidt tot wanhoopstactieken als zelfmoordaanslagen. Het Palestijns Verzet moet worden bevoorraad met draagbare antitankwapens en luchtdoelraketten zoals de VS die leverde aan de Afghaanse Mujaheddin tegen de Sovjet bezetter. Door vandaag het Palestijns Verzet elke steun te onthouden schrijven de Arabische staten een hoofdstuk in hun geschiedenis dat zij wel eens bitter zouden kunnen betreuren.
Dat de visie van Jean-François Angevin-Romey op het Israel-Palestina conflict vandaag nog 100% actueel is blijkt wel uit het artikel "Israel: the writing on the wall" van Gilbert Achcar, hoogleraar aan de universiteit van Londen. De belangrijkste passage daarin luidt: "Over the last decades Israel has managed to antagonize a formidable range of forces that were not part of its enemy spectrum until then. It has already lost quite a few teeth in attempting to subdue Lebanon, where it faced the firm resistance spirit of Hezbollah combatants resorting to their ‘asymmetric’ advantage as guerrilla fighters in defending their land against a conventional army. The increasing levels of hatred sown in the whole Middle East by western invasions, as well as by Israeli violence, are fostering the rise of an ‘apocalyptic terrorism’ that contemplates resorting to weapons of mass destruction as another ‘asymmetric’ means of offsetting the overwhelming military superiority of its enemies. Last but certainly not least, Israel is now facing the prospect, in the short or medium term, of a nuclear-armed Iran - a development that would bring the region dangerously close to a nuclear holocaust if Israel keeps threatening to launch military strikes".
Al jaren zie ik hoe de Amerikaanse Midden-Oosten politiek afbreuk doet aan onze veiligheid en ons imago. Ik gaf u mijn stem omdat ik in u de eerste Amerikaanse president zag die het stramien kan doorbreken, die onze koers in het Israëlisch-Palestijns conflict kan verleggen. Die onze macht gebruikt om vorm te geven aan een rechtvaardige en blijvende oplossing. De geschiedenis leert dat zo’n oplossing een multi-etnische staat is met gelijke rechten en kansen voor allen. Gegeven de geschiedenis van de staat Israel kan die zo’n bestuur nooit voorzien. Onze steun aan Israel brengt risico’s met zich mee voor veiligheid en imago van de VS en, hoe ironisch, voor de Joodse wereldgemeenschap.Het bezielen van mensen is een essentieel onderdeel van de taken van een leider. Geen enkele Amerikaanse politieke leider heeft echter de moed gehad zijn kiezers te zeggen waar het op staat: de VS steunt een land dat door etnische zuivering is ontstaan. Een land dat door militaire agressie onwettig zijn grondgebied uitbreidde en zich staande houdt met staatsterrorisme tegen miljoenen mensen onder militaire bezetting. Dat deze mensen onwettig aanhoudt, opsluit, martelt en van zijn elementaire rechten berooft.
Om het te maken in de politiek moet men zowat alle kritiek op Israel inslikken. Dat deze het etiket “antisemitisme” krijgt is even terecht als anti-Nazi “anti-Duits” te noemen of anti-apartheid “anti-blank”. Waarom krijgt Israel een voorkeursbehandeling? Ik adviseer u komaf te maken met de hypocrisie in het Amerikaanse politieke jargon, te beginnen met het misbruik van de term “terrorisme”. Daar moet ook staatsterrorisme onder worden verstaan. Dat richt immers de meeste ellende aan, van de terreurbombardementen in de Tweede Wereldoorlog tot die in Vietnam, en nu ook in Irak, Afghanistan, en vandaag Gaza. Wij en onze Westerse bondgenoten lijken enkel oog te hebben voor het staatsterrorisme in “ontwikkelingslanden”. Waarom verhinderen wij dat van oorlogsmisdaden beschuldigde Amerikanen voor de internationale gerechtshoven worden gebracht die nota bene met onze steun zijn gesticht?
Dat wij Hamas aanmerken als terreurorganisatie is hypocriet. Welke vergelijking wij ook maken, van het Franse Verzet en het Getto van Warschau tot de ANC, Hamas is een verzetsbeweging, terwijl het met de bezetter collaborerende Fatah een treffende gelijkenis vertoont met het Franse Vichy-regime uit de Tweede Wereldoorlog. De weinig doeltreffende beschietingen van Hamas op burgerdoelen zijn het gevolg van een gebrek aan middelen om het tegen de bezetter op te nemen. Terwijl wij volop militaire steun verlenen aan het Israëlische leger blijft het Palestijns Verzet van elke steun verstoken.
De internationale gemeenschap moet dringend ingrijpen in het Israel-Palestina conflict. De ontwikkelingen in Gaza vergen een door de VS gesteunde resolutie die oproept tot de inzet van vredestroepen, gemandateerd om van Israel en Palestina een multi-etnische staat te smeden met hulp van een economisch en sociaal hulppakket type Marshallplan. Alleen al de waterbronnen in de regio vergen een gezamenlijk beheer. Onze inlichtingendiensten weten al lang dat de annexatie van de rivier de Litani in Libanon het echte motief was voor de Israëlische invallen in dat land. Zonder internationale interventie kan een onderhandelde oplossing alleen maar tot stand komen via herstel van het militair evenwicht. Dat zet Israel aan om serieus te onderhandelen. Gebrek aan militair evenwicht verlengt het gewapend conflict en leidt tot wanhoopstactieken als zelfmoordaanslagen. Het Palestijns Verzet moet worden bevoorraad met draagbare antitankwapens en luchtdoelraketten zoals de VS die leverde aan de Afghaanse Mujaheddin tegen de Sovjet bezetter. Door vandaag het Palestijns Verzet elke steun te onthouden schrijven de Arabische staten een hoofdstuk in hun geschiedenis dat zij wel eens bitter zouden kunnen betreuren.
De in Frankrijk geboren Jean-François Angevin-Romey emigreerde naar Amerika nadat zijn familie onder het etiket “terrorist” was uitgeroeid in het verzet tegen de Nazi bezetting. Hij begon zijn loopbaan in Vietnam. Kolonel Romey was buitenlandspecialist bij de Special Forces van het Amerikaanse leger, waar hij zich bezighield met asymmetrische oorlogsvoering. Hij is medestichter van Corporate Operational Strategies, een firma die zich bezighoudt met de beveiliging van internationale organisaties, treedt op als gastdocent, schrijft en neemt deel aan debatten over politiek-militaire en geopolitieke onderwerpen.
Hij was onderzoeker in het Ruanda Tribunaal en nam deel aan vredesmissies in Afrika. In dienst van de VN hield hij zich bezig met de beveiliging van buitenlandse vestigingen van IMF en World Bank, speciaal die in Afghanistan, waar hij in 2006 de beveiliging opzette van het USAID programma in de zuidelijke regio’s.
Hij was onderzoeker in het Ruanda Tribunaal en nam deel aan vredesmissies in Afrika. In dienst van de VN hield hij zich bezig met de beveiliging van buitenlandse vestigingen van IMF en World Bank, speciaal die in Afghanistan, waar hij in 2006 de beveiliging opzette van het USAID programma in de zuidelijke regio’s.Op 22 juli 2009 nam Romey deel aan een interessant debat op France24. La Libre Belgique citeert daaruit de volgende uitspraken: “Het Westen heeft geen enkel recht om in Irak te blijven. Het Iraakse verzet heeft evenveel recht tegenover een bezettingsmacht als het Franse verzet in 40-45. Het is maar normaal dat Iran het Iraakse verzet steunt, zoals de geallieerden destijds het Franse verzet steunden. De VS, die door het uitschakelen van Mossadegh een staatsgreep in Iran uitlokte, moet dat land om vergiffenis vragen voor alle ellende die daaruit voortvloeide. De burgeroorlog die op het vertrek van de VS uit Irak en Afghanistan volgt moet aan de locale bevolking worden overgelaten, zoals dat in 1945 in Frankrijk en bij het vertrek van de Fransen uit Algerije gebeurde. De problemen met de Moslimwereld kunnen maar worden opgelost door het aanknopen van normale betrekkingen met Rusland en Iran, twee staten in de regio waar men niet omheen kan. De twee staten die verantwoordelijk zijn voor het grootste aantal doden sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog zijn de VS en het regime in Tel Aviv”.
Dat de visie van Jean-François Angevin-Romey op het Israel-Palestina conflict vandaag nog 100% actueel is blijkt wel uit het artikel "Israel: the writing on the wall" van Gilbert Achcar, hoogleraar aan de universiteit van Londen. De belangrijkste passage daarin luidt: "Over the last decades Israel has managed to antagonize a formidable range of forces that were not part of its enemy spectrum until then. It has already lost quite a few teeth in attempting to subdue Lebanon, where it faced the firm resistance spirit of Hezbollah combatants resorting to their ‘asymmetric’ advantage as guerrilla fighters in defending their land against a conventional army. The increasing levels of hatred sown in the whole Middle East by western invasions, as well as by Israeli violence, are fostering the rise of an ‘apocalyptic terrorism’ that contemplates resorting to weapons of mass destruction as another ‘asymmetric’ means of offsetting the overwhelming military superiority of its enemies. Last but certainly not least, Israel is now facing the prospect, in the short or medium term, of a nuclear-armed Iran - a development that would bring the region dangerously close to a nuclear holocaust if Israel keeps threatening to launch military strikes".
zondag 27 juni 2010
The EU Should Do More to Help Shut Down Guantanamo
(article by guest author Gregg Dubow)
If EU member states take on more detainees, they will not only solidify the EU’s human rights record, but also reduce security threats, while stepping up pressure on the US government to act. Europe’s stature as a beacon of human rights stands to gain as a result.
President Obama's announcement on 22 January 2009 to close the Guantanamo Bay Detention Facility within a year led many to believe it was going to be a done deal. However, sixteen months on this deal has yet to be clinched. The latest efforts by the Obama administration to resolve this issue recently hit a major roadblock as a proposal to transfer Guantanamo detainees to a maximum security facility in the USA was shelved after the House Armed Services Committee unanimously voted not to fund the Obama proposal. In light of the lack of action undertaken by US authorities, the question arises as to whether the EU should step up pledges to facilitate the closing of Guantanamo.
The EU proclaims human rights as universal and indivisible and has an excellent track record in offering political asylum. Although the EU passed a resolution in 2009 requesting its members to assist US efforts, only a dozen detainees have been transferred to EU countries according to the EU Council. By taking on more detainees, Europe's stature as a beacon of human rights would only increase.
In addition, EU acceptance of more detainees could eventually ease up domestic and international pressure on a President Obama that Europe welcomed as a breath of fresh air for international relations. That impetus of constructive cooperation among all nations means little without more action. Bilateral negotiations between the US and individual EU countries on measures to gradually reduce the number of detainees and resettle them in Europe would help restore credibility to the Western notions of the rule of law and justice. Mutual security interests also stand to gain by eliminating what has been a rallying cry for terrorists around the world. Another pressing argument for more EU engagement is the prospect of U.S. prisoner transfers to countries with weak human rights records. If detainees were transferred to such countries, human rights abuses could take place on a greater scale than what is occurring now.
If EU member states take on more detainees, they will not only solidify the EU’s human rights record, but also reduce security threats, while stepping up pressure on the US government to act. Europe’s stature as a beacon of human rights stands to gain as a result.President Obama's announcement on 22 January 2009 to close the Guantanamo Bay Detention Facility within a year led many to believe it was going to be a done deal. However, sixteen months on this deal has yet to be clinched. The latest efforts by the Obama administration to resolve this issue recently hit a major roadblock as a proposal to transfer Guantanamo detainees to a maximum security facility in the USA was shelved after the House Armed Services Committee unanimously voted not to fund the Obama proposal. In light of the lack of action undertaken by US authorities, the question arises as to whether the EU should step up pledges to facilitate the closing of Guantanamo.
The EU proclaims human rights as universal and indivisible and has an excellent track record in offering political asylum. Although the EU passed a resolution in 2009 requesting its members to assist US efforts, only a dozen detainees have been transferred to EU countries according to the EU Council. By taking on more detainees, Europe's stature as a beacon of human rights would only increase.
In addition, EU acceptance of more detainees could eventually ease up domestic and international pressure on a President Obama that Europe welcomed as a breath of fresh air for international relations. That impetus of constructive cooperation among all nations means little without more action. Bilateral negotiations between the US and individual EU countries on measures to gradually reduce the number of detainees and resettle them in Europe would help restore credibility to the Western notions of the rule of law and justice. Mutual security interests also stand to gain by eliminating what has been a rallying cry for terrorists around the world. Another pressing argument for more EU engagement is the prospect of U.S. prisoner transfers to countries with weak human rights records. If detainees were transferred to such countries, human rights abuses could take place on a greater scale than what is occurring now.Some critics argue that Europe is not responsible for cleaning up an American made mess. Many EU governments have already pledged military, logistical and financial support to American military operations and cannot justify further assistance to a cranky and skeptical electorate. Coordinating security within the EU is another challenge due to the Schengen agreement allowing people free movement among EU countries once settled there. Another argument put forth is that taking on detainees would strain relations and economic ties with other countries, especially with China on the issue of resettling Uighers.
While the EU could be doing more, US domestic politics is not exactly moving forward to resolve this issue. Republican conservatives are fear mongering on the premise of the security threat that would be imposed should detainees be housed on American soil. Another lurking factor is the upcoming 2010 mid-term elections. The Obama administration, with a Democratic majority in Congress, stands to lose that majority due to domestic issues. As a result, many Democrats are simply hesitant to address the Guantanamo issue for fear of spurring a larger Republican voter turnout at the polls.
The new US national security strategy has stressed building a broader coalition of actors to advance universal values. The EU should rise to the occasion and show more political will in facilitating the closing of Guantanamo. This would not only promote those universal values but also enhance long term collective security on both sides of the Atlantic in the ongoing war on terror. More proactive measures by the EU could also step up pressure on the US to pull its weight on this issue. It is time that substantive cooperative action is taken to fulfill Obama's pledge.
Gregg Dubow holds a BS from West Chester University (UK) with a major in criminal justice. He is a language trainer based in southern Germany, currently studying International Relations as segway into a different career.
Labels:
Article in English,
Europa,
Internationale organisaties,
VS
woensdag 23 juni 2010
Israëlische bevolking onkundig van etnische zuivering van 1948
In het artikel “Wat bezielt Israel” zegt de in 1954 in Haifa (Israel) geboren Joodse historicus Ilan Pappe, die sinds 1984 lector was aan de universiteit van Haifa en in 2007 uitweek naar een leerstoel in Engeland, dat de Israëlische bevolking niet op de hoogte is van de etnische zuivering van 1948 en van 40 jaar systematische schending van de rechten van miljoenen mensen door zijn eigen overheid. Pappe, die er op de Nederlandse Wikipedia minder goed van af komt dan op de Engelstalige, meent dat de mentaliteit in Israel moet veranderen. De historicus vindt dat men in zijn geboorteland 60 jaar geschiedenis onder ogen moet zien. Maar een mentaliteit veranderen vergt opvoeding en voorlichting, waar het in Israel aan blijkt te ontbreken. Het onderwijs in Israel besteedt immers nauwelijks aandacht aan de ontstaansgeschiedenis van de staat. Maar er wordt wel gehamerd op de Holocaust, met al zijn gruwelijke “technische” details.
De historica stelt dat de Holocaust al heel lang een essentieel element is in de Israëlische nationale identiteit. Het beeld dat in Israel wordt gekoesterd is dat van een Joods volk dat slachtoffer is van een nooit en nergens geëvenaard onheil, aangericht door Duitse moordzuchtigheid met medewerking of tenminste onverschilligheid van de Europese bevolking. In dat beeld staat het Joodse volk steeds in zijn recht en is het aanklager. De wereld moet zich schamen. Tegen deze achtergrond is het wel erg gemakkelijk om in het debat over bij voorbeeld de Zesdaagse oorlog een beroep te doen op een gebeurtenis waarin wij enkel gelijk hadden en de wereld ongelijk. Het debat over de lessen van de Holocaust holt de betekenis daarvan uit en leidt tot het kuddegedrag om dat thema uit te buiten. Het is verbazend en beangstigend dat dit vooral de onwetendheid in de hand werkt: hoewel tienduizenden middelbare scholieren naar de kampen in Polen reizen, daarvoor de nodige voorbereiding ondergaan, de Holocaust als verplicht examenvak krijgen voorgeschoteld en jaarlijks de Holocaust Dag beleven kent men nog altijd niet de feiten, noch de essentiële betekenis van de gebeurtenis.
In zijn recent artikel “Studying details of Shoah has no educational value” in Haaretz treedt Or Kashti de stellingen van professor Yablonka bij. Waarna Haaretz er in een commentaarstuk op wijst dat Likud onderwijsminister Gideon Sa'ar, net als zijn voorgangers, heeft getracht het geschiedenisonderwijs te beïnvloeden in het voordeel van zijn ideologie.
Vorig jaar moest de term Nakba (catastrofe, de verdrijving en onteigening van honderdduizenden Palestijnen in 1948) uit de geschiedenisboekjes worden geschrapt, en de “ontsloten steden in de periferie” meer aandacht krijgen. Een beleid dat professor Yablonka fel bekritiseert. Bij de 62e verjaardag van de onafhankelijkheid moet Israel toch kunnen omgaan met een volwassen voorstelling van zijn geschiedenis in de schoolklas, aldus Haaretz. Tenslotte wijst Haaretz columnist Gideon Levy op het hypocriete, valse en deprimerende beeld van de wereld dat wordt gecreëerd door de hetzes tegen allerlei landen, instellingen en mensen, van Turkije tot Zweden, van het Hooggerechtshof tot de media, van Richard Goldstone tot Barack Obama. De Israëlische patriot is geen schurk, hij is alleen maar gehersenspoeld, aldus Levy, die daarmee tot dezelfde conclusie komt als Ilan Pappe: de mentaliteit in Israel moet veranderen.
Pappe krijgt steun uit onverdachte hoek. Al in 2005 vroeg één van Israëls prominentste historici, Hanna Yablonka, in een artikel in Haaretz aandacht voor de eenzijdige voorlichting. “Het is wel erg gemakkelijk om een gebeuren [de Holocaust] in te roepen
waarin wij alleen maar gelijk hadden en de wereld alleen maar schuldig en fout was”, luidt de subtitel van haar artikel. In toenemende mate worden symbolen van de Holocaust gebruikt in het politieke debat, aldus de historica. Als voorbeeld noemt zij het feit dat Joodse kolonisten die zich in Palestijns gebied vestigen hun identiteitsnummer op hun arm schrijven. Dat zij daarmee Holocaust-overlevenden op het hart trappen, daar heeft men geen boodschap aan. In haar artikel bepleit Yablonka, die een leerstoel heeft aan de Ben-Gurion universiteit, een publiek debat over “alles wat de Holocaust bij ons oproept”. De vraag waarom de Holocaust wordt gebruikt in het politieke debat moet worden opgehelderd. En er moet worden onderzocht waarom ons onderwijssysteem faalt als het over de Holocaust gaat, aldus Yablonka.
waarin wij alleen maar gelijk hadden en de wereld alleen maar schuldig en fout was”, luidt de subtitel van haar artikel. In toenemende mate worden symbolen van de Holocaust gebruikt in het politieke debat, aldus de historica. Als voorbeeld noemt zij het feit dat Joodse kolonisten die zich in Palestijns gebied vestigen hun identiteitsnummer op hun arm schrijven. Dat zij daarmee Holocaust-overlevenden op het hart trappen, daar heeft men geen boodschap aan. In haar artikel bepleit Yablonka, die een leerstoel heeft aan de Ben-Gurion universiteit, een publiek debat over “alles wat de Holocaust bij ons oproept”. De vraag waarom de Holocaust wordt gebruikt in het politieke debat moet worden opgehelderd. En er moet worden onderzocht waarom ons onderwijssysteem faalt als het over de Holocaust gaat, aldus Yablonka.De historica stelt dat de Holocaust al heel lang een essentieel element is in de Israëlische nationale identiteit. Het beeld dat in Israel wordt gekoesterd is dat van een Joods volk dat slachtoffer is van een nooit en nergens geëvenaard onheil, aangericht door Duitse moordzuchtigheid met medewerking of tenminste onverschilligheid van de Europese bevolking. In dat beeld staat het Joodse volk steeds in zijn recht en is het aanklager. De wereld moet zich schamen. Tegen deze achtergrond is het wel erg gemakkelijk om in het debat over bij voorbeeld de Zesdaagse oorlog een beroep te doen op een gebeurtenis waarin wij enkel gelijk hadden en de wereld ongelijk. Het debat over de lessen van de Holocaust holt de betekenis daarvan uit en leidt tot het kuddegedrag om dat thema uit te buiten. Het is verbazend en beangstigend dat dit vooral de onwetendheid in de hand werkt: hoewel tienduizenden middelbare scholieren naar de kampen in Polen reizen, daarvoor de nodige voorbereiding ondergaan, de Holocaust als verplicht examenvak krijgen voorgeschoteld en jaarlijks de Holocaust Dag beleven kent men nog altijd niet de feiten, noch de essentiële betekenis van de gebeurtenis.
Toen een jonge kolonist het nummer op zijn arm uitlegde met “men kon het getto ook alleen maar in en uit met een nummer op de arm” (bron: Yedioth Ahronoth van 15 juli 2005) was dat voor Yablonka geen incident. Voor een generatie jongeren lijkt de vergelijking van de Joodse kolonisten met de slachtoffers van de Holocaust een tweede natuur.
Het zijn mensen die de feiten niet kennen en door de nadruk op de gruwelijke "technische" details van de Holocaust in het onderwijs worden gevoed door de “pornografie van de Holocaust”. Voor Yablonka moet dat te denken geven, maar het Ministerie van Onderwijs ziet het probleem niet. Yablonka bepleit een heroverweging van de reizen naar Polen, het lesmateriaal, de Holocaust Dag en de retoriek van de Israëlische leiders. Indien de vergelijking opgaat, en het juist is dat overlevenden financieel werden gecompenseerd en voor redelijke vervangende huisvesting werd gezorgd, was de Holocaust dan echt zo verschrikkelijk, zo vraagt Yablonka zich af. Waar kunnen wij als nakomelingen ons nog op beroepen als de mensen met de nummers op hun arm en de herinnering in hun geheugen gegrift, niet meer onder ons zijn? Aan dat bewustwordingsproces moet worden gewerkt, juist nu de overlevenden verdwijnen en er mensen opstaan die de Holocaust verdraaien.
Het zijn mensen die de feiten niet kennen en door de nadruk op de gruwelijke "technische" details van de Holocaust in het onderwijs worden gevoed door de “pornografie van de Holocaust”. Voor Yablonka moet dat te denken geven, maar het Ministerie van Onderwijs ziet het probleem niet. Yablonka bepleit een heroverweging van de reizen naar Polen, het lesmateriaal, de Holocaust Dag en de retoriek van de Israëlische leiders. Indien de vergelijking opgaat, en het juist is dat overlevenden financieel werden gecompenseerd en voor redelijke vervangende huisvesting werd gezorgd, was de Holocaust dan echt zo verschrikkelijk, zo vraagt Yablonka zich af. Waar kunnen wij als nakomelingen ons nog op beroepen als de mensen met de nummers op hun arm en de herinnering in hun geheugen gegrift, niet meer onder ons zijn? Aan dat bewustwordingsproces moet worden gewerkt, juist nu de overlevenden verdwijnen en er mensen opstaan die de Holocaust verdraaien.In zijn recent artikel “Studying details of Shoah has no educational value” in Haaretz treedt Or Kashti de stellingen van professor Yablonka bij. Waarna Haaretz er in een commentaarstuk op wijst dat Likud onderwijsminister Gideon Sa'ar, net als zijn voorgangers, heeft getracht het geschiedenisonderwijs te beïnvloeden in het voordeel van zijn ideologie.
Vorig jaar moest de term Nakba (catastrofe, de verdrijving en onteigening van honderdduizenden Palestijnen in 1948) uit de geschiedenisboekjes worden geschrapt, en de “ontsloten steden in de periferie” meer aandacht krijgen. Een beleid dat professor Yablonka fel bekritiseert. Bij de 62e verjaardag van de onafhankelijkheid moet Israel toch kunnen omgaan met een volwassen voorstelling van zijn geschiedenis in de schoolklas, aldus Haaretz. Tenslotte wijst Haaretz columnist Gideon Levy op het hypocriete, valse en deprimerende beeld van de wereld dat wordt gecreëerd door de hetzes tegen allerlei landen, instellingen en mensen, van Turkije tot Zweden, van het Hooggerechtshof tot de media, van Richard Goldstone tot Barack Obama. De Israëlische patriot is geen schurk, hij is alleen maar gehersenspoeld, aldus Levy, die daarmee tot dezelfde conclusie komt als Ilan Pappe: de mentaliteit in Israel moet veranderen.
Labels:
ducumentaire,
Israel,
Israel-Palestina conflict,
Palestina
zaterdag 19 juni 2010
Hoe kijkt de wereld aan tegen het nieuwe Turkije?
Sinds het debacle rond het Gaza hulpkonvooi en het Turks-Braziliaans initiatief rond het Iraanse nucleaire programma wordt Turkije met argusogen gevolgd. MO wijst op het offensief van haviken in de VS, waarbij zelfs stemmen opgaan om Turkije uit de NAVO te zetten.
Zo wijst het Joods Instituut voor Nationale Veiligheid (JINSA) - dat wordt bestuurd door neoconservatieve zwaargewichten die achter de invasie van Irak zaten, zoals Richard Perle, James Woolsey en John Bolton - erop dat Turkije als NAVO-lid inlichtingen krijgt die met terrorisme en Iran te maken hebben. En de neoconservatieve Wall Street Journal (WSJ) opent bijna dagelijks het vuur op Turkije. De krant spreekt over “een diepgewortelde haat tegenover de Joodse staat, opvallende sympathieën voor radicale regimes … en een houding tegenover extremistische groeperingen … die aan medeplichtigheid grenst”. In opiniebijdragen werden premier Erdogan en buitenlandminister Davutoglu “demagogen” genoemd die “de ergste elementen in hun eigen land en in het Midden-Oosten aanspreken”. Professor Eliot Cohen van de Johns Hopkins University vat het als volgt samen: “… hebben van Turkije een staat gemaakt die vaak ronduit vijandig is, niet enkel tegen Israël maar ook tegen Amerikaanse doelstellingen en belangen”.
Robert Pollock maakt het wel heel bont. Zo meent hij dat de Turkse vredesactivisten in de Israëlische troepen die hun schip aanvielen "de wederopstanding van de SS van Hitler" zagen. Hij schrijft dat de Turkse gang van zaken de laatste jaren neerkomt op “nationaal verval in krankzinnigheid” en suggereert dat de Turkse overheid de berichtgeving sterk censureert, “waarbij in vergelijking Italiaanse communisten rechts lijken”.
Toen het VS-leger begin 2003 de toegang tot Irak vanuit het noorden werd geweigerd zwegen de Turkse media daar zedig over, zo klaagt Pollock. "Maar de lezers kregen wel voortdurend verhalen opgedist over verzonnen gruwelen die door VS troepen in Irak zouden zijn begaan, vaak met de suggestie dat zij optraden als vechtmachine voor de Joden". Pollock haalt nog enkele “feiten” aan en concludeert dat het “geen overdrijving [is] dat zulk antisemitisch voer sinds het Derde Rijk niet meer is opgediend aan het massapubliek”. En in één adem stelt de WSJ redacteur dat Turkije “geen geloofwaardige oppositie [heeft] sinds de corrupte seculiere partijen in 2002 het van Erdogan verloren”. Ook het feit dat Erdogan één van de eerste wereldleiders was die het Hamasbewind in Gaza erkenden zit Pollock dwars, juist omdat dezelfde Erdogan “Israel namens Hamas provoceert”. Om te besluiten met: “[de Turkse leiders] zijn demagogen die een beroep doen op de slechtste elementen in eigen land en in het Midden-Oosten”.
Efraim Inbar, directeur van het Begin-Sadat (BESA) Centrum voor Strategische Studies in Israel, schrijft in The Australian een scherp opiniestuk, waarin hij de Turkse premier Tayyip Erdogan ervan beschuldigt af en toe antisemitische uitspraken te doen. Volgens Inbar bekoelden de relaties tussen Ankara en Israel vooral na de Gaza oorlog van begin 2009, terwijl recent “het feit dat Washington een zwakke president heeft die hartelijke betrekkingen met de Moslimwereld - ten koste van Israel - benadrukt, moedigt Turkije aan om afstand te nemen van de Joodse staat”.
En, zo gaat Inbar verder, “de vijandige houding van Turkije jegens Israel wijkt af van die van het Westen jegens Hamas. Turkije groeit ook naar Syrië toe, dat anti-Amerikaans is, en richting het Iraanse kamp. Het kondigde aan dat het geen sancties tegen Iran zou steunen en heeft samen met Brazilië gepoogd Iran te verlossen uit zijn benarde diplomatieke positie wegens zijn nucleaire programma. Turkije heeft ook de banden aangehaald met Rusland, dat de rol van de VS op het wereldtoneel wil beteugelen”. En met de verzuchting “de hoop op verandering is niet gebaseerd op de mogelijkheid van een militaire coup” denkt Inbar terug aan het leger, “dat de seculier-democratische aard van het bewind in de grondwet heeft verankerd, [maar] zijn positie de laatste jaren heeft zien verzwakken“. Inbar spreekt het vermoeden uit dat “Erdogan de relatie met Israel heeft laten verslechteren om publieke steun te verwerven nu hij er in de peilingen zo slecht voorstaat”. Waarna hij afsluit met de woorden dat “alleen de Turken hun toekomst kunnen bepalen” en met goed gevoel voor drama dat de “strategische gevolgen voor een anti-Amerikaans Turkije verstrekkend zullen zijn”.
Dat Turkije wel degelijk vrijheid van meningsuiting kent blijkt uit een kritisch artikel van Semih Idiz in de Turkse krant Hurriyet, dat het in België verschijnende Joods Actueel gretig aanhaalt. Idiz beschuldigt Erdogan van populisme en het uitmelken van de Marmara crisis voor electorale doeleinden. De AKP zou oppositie duchten van de People's Party (CHP) en concurrent-Islamitische partij SAADET. Idiz wijst er wat zuur op dat de internationale successen van de AKP vooral te danken zijn aan voorbereidend werk van de regering Ecevit. In een lezersreactie merkt Mehmet koeltjes op dat elke Turkse regering zich in zijn buitenlands beleid onafhankelijker zal opstellen, ook ten opzichte van grootmacht Amerika. Mehmet wijst tevens op de “kruistocht” van de VS in Pakistan, Afghanistan, elders in het Midden-Oosten en de rest van de wereld.
Het feit dat sommige media zo inhakken op Turkije duidt erop dat men de ontwikkeling met lede ogen aanziet. De Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten neemt af, het machtsevenwicht verschuift in het voordeel van Turkije en Israel raakt steeds verder geïsoleerd. Laten wij het dus maar houden bij de analyse van John Feffer zoals verwoord in het artikel “Hoe ver reiken de ambities van Turkije?” (Geopolitiek in perspectief, 18 juni 2010). De geopolitieke veranderingen in het Midden-Oosten zijn niet te stuiten, of Turkije nu een Islamitische regering heeft of een seculiere.
Zo wijst het Joods Instituut voor Nationale Veiligheid (JINSA) - dat wordt bestuurd door neoconservatieve zwaargewichten die achter de invasie van Irak zaten, zoals Richard Perle, James Woolsey en John Bolton - erop dat Turkije als NAVO-lid inlichtingen krijgt die met terrorisme en Iran te maken hebben. En de neoconservatieve Wall Street Journal (WSJ) opent bijna dagelijks het vuur op Turkije. De krant spreekt over “een diepgewortelde haat tegenover de Joodse staat, opvallende sympathieën voor radicale regimes … en een houding tegenover extremistische groeperingen … die aan medeplichtigheid grenst”. In opiniebijdragen werden premier Erdogan en buitenlandminister Davutoglu “demagogen” genoemd die “de ergste elementen in hun eigen land en in het Midden-Oosten aanspreken”. Professor Eliot Cohen van de Johns Hopkins University vat het als volgt samen: “… hebben van Turkije een staat gemaakt die vaak ronduit vijandig is, niet enkel tegen Israël maar ook tegen Amerikaanse doelstellingen en belangen”.Robert Pollock maakt het wel heel bont. Zo meent hij dat de Turkse vredesactivisten in de Israëlische troepen die hun schip aanvielen "de wederopstanding van de SS van Hitler" zagen. Hij schrijft dat de Turkse gang van zaken de laatste jaren neerkomt op “nationaal verval in krankzinnigheid” en suggereert dat de Turkse overheid de berichtgeving sterk censureert, “waarbij in vergelijking Italiaanse communisten rechts lijken”.
Toen het VS-leger begin 2003 de toegang tot Irak vanuit het noorden werd geweigerd zwegen de Turkse media daar zedig over, zo klaagt Pollock. "Maar de lezers kregen wel voortdurend verhalen opgedist over verzonnen gruwelen die door VS troepen in Irak zouden zijn begaan, vaak met de suggestie dat zij optraden als vechtmachine voor de Joden". Pollock haalt nog enkele “feiten” aan en concludeert dat het “geen overdrijving [is] dat zulk antisemitisch voer sinds het Derde Rijk niet meer is opgediend aan het massapubliek”. En in één adem stelt de WSJ redacteur dat Turkije “geen geloofwaardige oppositie [heeft] sinds de corrupte seculiere partijen in 2002 het van Erdogan verloren”. Ook het feit dat Erdogan één van de eerste wereldleiders was die het Hamasbewind in Gaza erkenden zit Pollock dwars, juist omdat dezelfde Erdogan “Israel namens Hamas provoceert”. Om te besluiten met: “[de Turkse leiders] zijn demagogen die een beroep doen op de slechtste elementen in eigen land en in het Midden-Oosten”.Efraim Inbar, directeur van het Begin-Sadat (BESA) Centrum voor Strategische Studies in Israel, schrijft in The Australian een scherp opiniestuk, waarin hij de Turkse premier Tayyip Erdogan ervan beschuldigt af en toe antisemitische uitspraken te doen. Volgens Inbar bekoelden de relaties tussen Ankara en Israel vooral na de Gaza oorlog van begin 2009, terwijl recent “het feit dat Washington een zwakke president heeft die hartelijke betrekkingen met de Moslimwereld - ten koste van Israel - benadrukt, moedigt Turkije aan om afstand te nemen van de Joodse staat”.
En, zo gaat Inbar verder, “de vijandige houding van Turkije jegens Israel wijkt af van die van het Westen jegens Hamas. Turkije groeit ook naar Syrië toe, dat anti-Amerikaans is, en richting het Iraanse kamp. Het kondigde aan dat het geen sancties tegen Iran zou steunen en heeft samen met Brazilië gepoogd Iran te verlossen uit zijn benarde diplomatieke positie wegens zijn nucleaire programma. Turkije heeft ook de banden aangehaald met Rusland, dat de rol van de VS op het wereldtoneel wil beteugelen”. En met de verzuchting “de hoop op verandering is niet gebaseerd op de mogelijkheid van een militaire coup” denkt Inbar terug aan het leger, “dat de seculier-democratische aard van het bewind in de grondwet heeft verankerd, [maar] zijn positie de laatste jaren heeft zien verzwakken“. Inbar spreekt het vermoeden uit dat “Erdogan de relatie met Israel heeft laten verslechteren om publieke steun te verwerven nu hij er in de peilingen zo slecht voorstaat”. Waarna hij afsluit met de woorden dat “alleen de Turken hun toekomst kunnen bepalen” en met goed gevoel voor drama dat de “strategische gevolgen voor een anti-Amerikaans Turkije verstrekkend zullen zijn”.Dat Turkije wel degelijk vrijheid van meningsuiting kent blijkt uit een kritisch artikel van Semih Idiz in de Turkse krant Hurriyet, dat het in België verschijnende Joods Actueel gretig aanhaalt. Idiz beschuldigt Erdogan van populisme en het uitmelken van de Marmara crisis voor electorale doeleinden. De AKP zou oppositie duchten van de People's Party (CHP) en concurrent-Islamitische partij SAADET. Idiz wijst er wat zuur op dat de internationale successen van de AKP vooral te danken zijn aan voorbereidend werk van de regering Ecevit. In een lezersreactie merkt Mehmet koeltjes op dat elke Turkse regering zich in zijn buitenlands beleid onafhankelijker zal opstellen, ook ten opzichte van grootmacht Amerika. Mehmet wijst tevens op de “kruistocht” van de VS in Pakistan, Afghanistan, elders in het Midden-Oosten en de rest van de wereld.
Het feit dat sommige media zo inhakken op Turkije duidt erop dat men de ontwikkeling met lede ogen aanziet. De Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten neemt af, het machtsevenwicht verschuift in het voordeel van Turkije en Israel raakt steeds verder geïsoleerd. Laten wij het dus maar houden bij de analyse van John Feffer zoals verwoord in het artikel “Hoe ver reiken de ambities van Turkije?” (Geopolitiek in perspectief, 18 juni 2010). De geopolitieke veranderingen in het Midden-Oosten zijn niet te stuiten, of Turkije nu een Islamitische regering heeft of een seculiere.
Labels:
Irak,
Iran,
Israel,
Israel-Palestina conflict,
Palestina,
Turkije,
VS,
VS-Israel relatie
vrijdag 18 juni 2010
Hoe ver reiken de ambities van Turkije?
In een opmerkelijk essay vraagt John Feffer, topman van de Amerikaanse denktank Foreign Policy in Focus aandacht voor Turkije, de 17e economie ter wereld, gelegen op het kruispunt van Europa, het Midden-Oosten en Centraal Azië en zelfbewust genoeg om te bemiddelen in conflicten. Door Turkse tussenkomst werd een doorbraak bereikt in de nucleaire crisis met Iran. Ankara steunde het hulpkonvooi dat de blokkade op Gaza wilde doorbreken. Initiatieven waarmee Turkije uit de schaduw treedt, op weg naar een prominente plaats op het wereldtoneel. Een nieuw-Ottomaans vuur beheerst Turkije. Ooit gedomineerd door het leger, ontwikkelt het zich binnen de rechtsstaat tot een moderne Islamitische democratie. Het breekt met een halve eeuw onderdanigheid aan de VS en schept zijn eigen geopolitieke rol.
Sinds Ataturk het land in 1924 wakker schudde speelde het leger de eerste viool. In 1997 greep het nog de macht en leek het land terug te glijden naar de toestanden van weleer: oorlog met de Koerden, spanning met Rusland over Tsjetsjenië, ruzie met Griekenland over de Egeïsche Zee, en bijna oorlog met Syrië dat de Koerdische separatist Ocalan onderdak verleende. Maar die coup bleek een laatste amechtige poging om de onstuitbare politieke en economische ontwikkeling onder controle te brengen. Al snel gaven de militairen zich gewonnen, om in 2002 plaats te maken voor de op de Islam geïnspireerde Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij (AKP), die na de verkiezingen van 2007 zijn machtsbasis nog kon versterken.
Turkije maakt geen geheim van zijn mondiale ambities. De banden met Griekenland, Armenië, Syrië, Rusland en Iran werden aangehaald. Bevriend met iedereen en aanvaard als belangrijke regionale speler kan Turkije als bemiddelaar optreden, zelfs waar het recent nog persona non grata was. En niet alleen in de regio. Met Brazilië ontwierp het een verrassend compromis rond het Iraanse nucleaire programma. En met Spanje werd binnen de VN de “Alliantie der Beschavingen” gelanceerd om bruggen te slaan tussen de Islam en het Westen. Turkije spande zich in voor opheffing van de blokkade op Gaza, maakte de weg vrij voor de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Irak, bracht Syrië en Israel rond de tafel, loste de heisa rond de Deense Mohammed cartoon op en organiseerde VN vergaderingen over Somalië. Tijdens de regering Bush wist Turkije het evenwicht te bewaren. En ook nu zijn er spanningen rond de Armeense genocide. Washington kijkt met argusogen naar de groeiende rol van Turkije in het Midden-Oosten. Vooral de toenadering tot Syrië steekt. Turkije moet dus listig handelen om als NAVO lid te concurreren met de Amerikaanse macht in de regio. Turkije blijft een belangrijke partner van de VS, maar tegelijk probeert het zijn voordeel te doen met de afnemende invloed van de VS in de wereld.
Dé uitdaging voor Turkije is de relatie met Israel. Met de Gaza oorlog van 2009 en de botsing tussen Erdogan en Peres in Davos begon een proces dat de voormalige bondgenoten uit elkaar trekt, maar toenemende Arabische steun voor Turkije oplevert. Gezamenlijke militaire oefeningen werden afgelast en lucratieve wapencontracten raakten op losse schroeven. Met het debacle rond het Gaza konvooi lijkt de kloof onoverbrugbaar. Nu Israel zich steeds verder isoleert en Amerikaanse bemiddeling in opspraak raakt komt Turkije versterkt uit het verschuivend regionaal machtsevenwicht. Het zou wel eens de enige macht kunnen zijn die vrede in het Midden-Oosten tot stand kan brengen. Europese leiders als Nicholas Sarkozy zijn tegen Turkse toetreding tot de EU en de Islamfobie zwakt het enthousiasme voor Turkije af. Ook in Turkije neemt de publieke steun voor toetreding af. De Turkse toenadering tot het Midden-Oosten, Centraal Azië en Noord Afrika is deels een reactie op de geslonken EU optie. Een initiatief dat oplevert. Zonder eigen energiebronnen is Turkije erin geslaagd een maximaal aantal olie- en gasleidingen over zijn grondgebied te krijgen. En de Turkse cultuur sijpelt via TV-series die de moderne Islam uitdragen door in het Midden Oosten.
Voor sommige critici duidt de confrontatie met Israel erop dat Turkije bezig is het Islamitische kalifaat te herstellen. Zo meent Midden-Oosten historicus Bernard Lewis dat het Turks fundamentalisme uitgroeit tot het niveau van Iran, zelfs nu het duidelijk is dat de Isla-mitische Republiek zich in omgekeerde richting beweegt. Een elementaire misinterpretatie van de AKP en zijn intenties. Het Islamisme in het hedendaagse Turkije heeft zowat evenveel invloed als het communisme in China. Het gaat deze landen niet om de ideologie, maar om de macht van de partij. Bill Clinton zei in 1999 dat de 21e eeuw “Turkije’s eeuw” kon worden als het hervormingen doorvoerde. Nu Turkije dat advies heeft gevolgd staan Europa en de VS voor de keus. Met Turkije als partner slaagt de VS er eerder in het conflict met Iran, de Iraakse binnenlandse problematiek, het Israel-Palestina conflict en de sluimerende conflicten elders in de Moslimwereld op te lossen. Met het economisch dynamisme en de nieuwe mondiale geloofwaardigheid van Turkije aan boord kan de verstarde EU ontwaken. In beide opties ziet John Feffer de Turkse invloed in de wereld toenemen.
Sinds Ataturk het land in 1924 wakker schudde speelde het leger de eerste viool. In 1997 greep het nog de macht en leek het land terug te glijden naar de toestanden van weleer: oorlog met de Koerden, spanning met Rusland over Tsjetsjenië, ruzie met Griekenland over de Egeïsche Zee, en bijna oorlog met Syrië dat de Koerdische separatist Ocalan onderdak verleende. Maar die coup bleek een laatste amechtige poging om de onstuitbare politieke en economische ontwikkeling onder controle te brengen. Al snel gaven de militairen zich gewonnen, om in 2002 plaats te maken voor de op de Islam geïnspireerde Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij (AKP), die na de verkiezingen van 2007 zijn machtsbasis nog kon versterken.
Tot voor kort lag Turkije nog moeilijk bij de landen die ooit tot het Ottomaanse rijk behoorden. Maar de AKP kon met een charme-offensief de wrok wegnemen. Het zag het nut van een “stille opkomst” in een tijd van Amerikaanse dominantie. Buitenlandminister Davutoglu kondigde een “nul problemen” politiek met de buurlanden af en kon zo een Turkse invloedssfeer opbouwen. Turkije maakte duidelijk zich niet te zullen bemoeien met binnenlandse aangelegenheden van de partners. Het herstelde de relaties in de regio en sloot vriendschappen elders. De detente met Koerdistan in Irak ging samen met betere relaties met de Koerdische bevolking. Er kwam een Koerdisch TV station en een Koerdische faculteit aan een universiteit. Allemaal moeilijk te verkopen aan de Turkse nationalisten. Zo verbood een rechter de Koerdische partij en voerde het leger aanvallen uit op PKK doelen in Irak. Maar de AKP blijft hervormingen doordrukken, waaronder een grondwetswijziging waarmee militairen voor een burgerlijk hof kunnen worden berecht. Het uitschakelen van “interne vijanden” staat hoog op de agenda. Zo neemt de politieke stabiliteit toe en vergroot de kans op het EU lidmaatschap.
Turkije maakt geen geheim van zijn mondiale ambities. De banden met Griekenland, Armenië, Syrië, Rusland en Iran werden aangehaald. Bevriend met iedereen en aanvaard als belangrijke regionale speler kan Turkije als bemiddelaar optreden, zelfs waar het recent nog persona non grata was. En niet alleen in de regio. Met Brazilië ontwierp het een verrassend compromis rond het Iraanse nucleaire programma. En met Spanje werd binnen de VN de “Alliantie der Beschavingen” gelanceerd om bruggen te slaan tussen de Islam en het Westen. Turkije spande zich in voor opheffing van de blokkade op Gaza, maakte de weg vrij voor de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Irak, bracht Syrië en Israel rond de tafel, loste de heisa rond de Deense Mohammed cartoon op en organiseerde VN vergaderingen over Somalië. Tijdens de regering Bush wist Turkije het evenwicht te bewaren. En ook nu zijn er spanningen rond de Armeense genocide. Washington kijkt met argusogen naar de groeiende rol van Turkije in het Midden-Oosten. Vooral de toenadering tot Syrië steekt. Turkije moet dus listig handelen om als NAVO lid te concurreren met de Amerikaanse macht in de regio. Turkije blijft een belangrijke partner van de VS, maar tegelijk probeert het zijn voordeel te doen met de afnemende invloed van de VS in de wereld.Dé uitdaging voor Turkije is de relatie met Israel. Met de Gaza oorlog van 2009 en de botsing tussen Erdogan en Peres in Davos begon een proces dat de voormalige bondgenoten uit elkaar trekt, maar toenemende Arabische steun voor Turkije oplevert. Gezamenlijke militaire oefeningen werden afgelast en lucratieve wapencontracten raakten op losse schroeven. Met het debacle rond het Gaza konvooi lijkt de kloof onoverbrugbaar. Nu Israel zich steeds verder isoleert en Amerikaanse bemiddeling in opspraak raakt komt Turkije versterkt uit het verschuivend regionaal machtsevenwicht. Het zou wel eens de enige macht kunnen zijn die vrede in het Midden-Oosten tot stand kan brengen. Europese leiders als Nicholas Sarkozy zijn tegen Turkse toetreding tot de EU en de Islamfobie zwakt het enthousiasme voor Turkije af. Ook in Turkije neemt de publieke steun voor toetreding af. De Turkse toenadering tot het Midden-Oosten, Centraal Azië en Noord Afrika is deels een reactie op de geslonken EU optie. Een initiatief dat oplevert. Zonder eigen energiebronnen is Turkije erin geslaagd een maximaal aantal olie- en gasleidingen over zijn grondgebied te krijgen. En de Turkse cultuur sijpelt via TV-series die de moderne Islam uitdragen door in het Midden Oosten.
Voor sommige critici duidt de confrontatie met Israel erop dat Turkije bezig is het Islamitische kalifaat te herstellen. Zo meent Midden-Oosten historicus Bernard Lewis dat het Turks fundamentalisme uitgroeit tot het niveau van Iran, zelfs nu het duidelijk is dat de Isla-mitische Republiek zich in omgekeerde richting beweegt. Een elementaire misinterpretatie van de AKP en zijn intenties. Het Islamisme in het hedendaagse Turkije heeft zowat evenveel invloed als het communisme in China. Het gaat deze landen niet om de ideologie, maar om de macht van de partij. Bill Clinton zei in 1999 dat de 21e eeuw “Turkije’s eeuw” kon worden als het hervormingen doorvoerde. Nu Turkije dat advies heeft gevolgd staan Europa en de VS voor de keus. Met Turkije als partner slaagt de VS er eerder in het conflict met Iran, de Iraakse binnenlandse problematiek, het Israel-Palestina conflict en de sluimerende conflicten elders in de Moslimwereld op te lossen. Met het economisch dynamisme en de nieuwe mondiale geloofwaardigheid van Turkije aan boord kan de verstarde EU ontwaken. In beide opties ziet John Feffer de Turkse invloed in de wereld toenemen.
Labels:
Europa,
Irak,
Iran,
Israel,
Israel-Palestina conflict,
Palestina,
Syrië,
Turkije,
VS,
VS-Israel relatie
Abonneren op:
Posts (Atom)













