maandag 2 januari 2012

Het verval van het Amerikaanse imperium

            

Het Arabische televisienetwerk Al Jazeera [1] zendt maandelijks een aflevering uit van het programma “About Empire”, waarin Marwan Bishara [2] de mogendheden die het in de wereld voor het zeggen hebben ter discussie stelt. Daarbij wordt gekeken hoe staten, multinationals, militaire of economische machten optreden om het gebeuren in de wereld te domineren, van internationale veiligheid en financiële aangelegenheden tot de massamedia en het nieuws zelf. Reportages op locatie worden gecombineerd met indringend studiodebat met gerenommeerde analisten en commentatoren over de belangrijkste actuele geopolitieke aangelegenheden. In de bovenstaande videoclip van de aflevering van 29 december 2011 [3] praat Bishara in de studio met Tomdispatch-redacteur Tom Engelhardt, Foreign Policy-hoofdredacteur Susan Glasser, Harvard-professor Stephen M. Walt en feministisch schrijfster en professor Cynthia Enloe over het verval van de Verenigde Staten als wereldmacht. In de videoclip zijn ook korte vraaggesprekken met andere deskundigen opgenomen.

Wat bij het bekijken van het programma zal opvallen is onder andere het gemak waarmee deze deskundigen de politieke spin voor zoete koek aannemen. Zo bagatelliseren Andrew Bacevich en Susan Glasser op ergerlijke wijze de Amerikaanse defensiebegroting. Wie zich in de materie verdiept weet dat de middelen voor “nationale veiligheid” in Amerika voor een groot deel “veilig” weggestopt zijn in andere begrotingsposten, en in werkelijkheid zo'n twee maal zo groot zijn als Glasser de kijker wil doen geloven. Voorts is het pessimisme over de nabije toekomst opvallend, net als het feit dat niemand het failliet van de Amerikaanse democratie [4] aan de orde stelt. Amerika is een land geworden waar ondernemers en mediabonzen de uitslag van de verkiezingen bepalen. Alles is gepolitiseerd, tot het Hooggerechtshof toe.

En het is al even teleurstellend dat het principe van de internationale rechtsstaat niet aan de orde komt: Guantánamo Bay, de Amerikaanse black holes in tal van landen, het folteren van gevangenen in strijd met het internationaal recht, de toenemende inzet van drones waarmee zonder enige vorm van proces tegenstanders (en onschuldige omstanders) uit de weg worden geruimd, het Internationaal Strafhof dat voor iedereen geldt behalve voor Amerikanen. Geen woord over de Verenigde Naties, het forum waar internationaal overleg moet plaatsvinden, of over de Veiligheidsraad, waar de macht nog altijd in handen is van de post-koloniale mogendheden. Waar Amerika na de Tweede Wereldoorlog duidelijk leiding gaf aan het wereldgebeuren (denk aan de Marshallhulp) lijken de gesprekspartners zich neer te leggen bij een wereld zonder duidelijk leiderschap, een onzekere wereld in volle transitie.

Gegeven het belang van dit onderwerp [5] volgt hieronder een samenvatting.

De Amerikaanse militaire macht

In het begin van de uitzending wordt de gigantische macht van de Amerikaanse marine getoond: een dozijn vlootcombinaties, elk bestaande uit een vliegdekschip, kruisers, torpedojagers, honderden gevechtsvliegtuigen en een groot aantal lange- en korte- afstandsraketten en andere geleide wapens. Elk van de vlootcombinaties is zo omvangrijk dat daar ongeveer 10.000 man militair personeel mee gemoeid is. Geen enkel ander land ter wereld beschikt over een dergelijke gigantische marine. Op de vraag waar dat allemaal voor nodig is antwoordt de voormalige Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Nicholas Burns nogal schaapachtig: “We leven in een complexe wereld met vele bedreigingen van onze nationale veiligheid. Die kan je niet beantwoorden door thuis te blijven, je moet ze opzoeken om het land te verdedigen.”

Professor Andrew Bacevich stelt zich vragen bij het enorme en aanhoudende Amerikaanse militaire optreden van de afgelopen 20 jaar overal ter wereld. Bacevich is voorstander van een adequaat defensieapparaat, maar vindt een budget van $553 [6] miljard sterk overdreven. Congresleden, de legertop en grote contractors profiteren in teamverband van zo hoog mogelijke defensiebestedingen, aldus Bacevich. De oneindige cyclus voedt zichzelf: geld voor oorlogvoeren, dat geld schept werk en werk versterkt de economie. Is geopolitieke instabiliteit het excuus of de rechtvaardiging, zo luidt de vraag. Volgens Bacevich verlangt de VS eerbied van andere landen. Die moeten aansluiten bij de Amerikaanse politiek. Amerika zal wel bepalen wat er in de wereld gebeurt. Een imperialistische houding, zo meent Bacevich.

Steven Walt wijst op het valse argument dat het defensiebudget onaangetast moet blijven om de Amerikaanse economie op gang te houden. De meeste economen zeggen dat Pentagon-bestedingen niet de beste manier zijn om de Amerikaanse economie te stimuleren. Investeringen elders in de economie leveren heel wat meer op. Infrastructuurwerken, wegen, bruggen of zelfs digitale netwerken, dat zijn zaken die de productiviteit van de Amerikaanse economie versterken. De overdadige defensie-uitgaven zijn juist een blok aan het Amerikaanse been. Om het federale budget op orde te krijgen moeten we belastingen verhogen, snijden in subsidies en uitkeringen, en in defensie-uitgaven, dat weet iedereen. Dat kwam er maar niet van, om politieke redenen, niet omdat snijden in defensie de Amerikaanse economie echt zou schaden.

Susan Glasser vindt de Amerikaanse defensie-uitgaven, amper 4% van het BNP, [6] niet echt excessief. Haar redenering is dat Amerika zich dat best kan veroorloven en dat verklaart voor een stuk waarom het defensiebudget maar blijft stijgen. De VS is buitengewoon rijk en succesvol en kan de verbazingwekkende groei van het militair apparaat en militair-industrieel complex gemakkelijk financieren. De meeste mensen zijn niet op de hoogte van de militarisering van de Amerikaanse bemoeienis met de wereld, van het feit dat de VS zowat 50% van alle militaire uitgaven ter wereld voor zijn rekening neemt. Maar wij zijn niet het Romeinse Rijk dat gebieden verovert, aldus Glasser, die geen repliek heeft op de opmerking van Marwan Bishara dat de VS met zijn 1000 militaire bases overal ter wereld de macht van het Romeinse Rijk ver achter zich laat.

Stephen Walt ziet het toch wat anders. Landen als Zuid-Korea en Japan zijn blij met de Amerikaanse bescherming. De keuze is niet volledig Amerikaans isolationisme of Amerikaanse wereldhegemonie. De VS trekt zich niet uit heel de wereld terug en verschanst zich evenmin in “vestiging Amerika.” De vraag voor Walt is in welke landen de VS zijn macht moet inzetten, en hoe het dat op constructieve wijze doet. “De afgelopen periode hebben we onze macht op allerlei dwaze manieren gebruikt. Dat was slecht voor de VS en bepaald ook niet goed voor de gebieden waar we zijn opgetreden. Maar ik ben wel akkoord om onze macht te gebruiken uit mercantiele overwegingen,” aldus Walt. Engelhardt concretiseert: “het optreden van de regering Bush in de internationale arena was toch duidelijk gericht op aanvoer van energie, doorbreking van de macht van OPEC. Een soort Zuid-Koreaans model moet volstaan: pakwek 30.000 troepen in het hart van de rijkste olievelden ter wereld. Maar soms verwerf je geen oliecontracten onder druk van de wapens.”

Cynthia Enloe stelt de houding van de bevolking rond Amerikaanse bases aan de orde. Een basis ontwricht het maatschappelijk weefsel in de regio in hoge mate. In de Filippijnen heeft dat er bijvoorbeeld toe geleid dat de overeenkomst met de VS werd beëindigd. Volgens Bishara was dat precies de reden voor de sluiting van de Amerikaanse bases in Saudi Arabië na de eerste Golfoorlog. Dat ongelovigen zich op heilig Islamitisch terrein bevonden was volgens Walt duidelijk een van de redenen waarom Al Qaida de VS op de korrel nam. Dat betekent niet dat de VS zich dan ook maar moet terugtrekken, maar de aanwezigheid van grote aantallen grondtroepen in verschillende delen van de wereld kan repercussies op de VS hebben. We moeten dus oppassen waar we troepen stationeren en de Amerikaanse militaire aanwezigheid zoveel mogelijk beperken. Ik ben absoluut voorstander van de stationering van Amerikaanse troepen overal ter wereld, maar dat moet wel op intelligente wijze gebeuren, aldus Walt, die impliceert dat hij voor een Amerikaanse imperium is, zij het minder omvangrijk.

Cynthia Enloe wijst erop dat de Amerikaanse bases door onderhandeling tot stand kwamen, zij het niet tussen gelijken. De Zuid-Koreanen mogen dan bang zijn voor Noord-Korea, ze zijn ook ontzet over de onrechtvaardige bases-overeenkomsten, die eufemistisch SOFAs worden genoemd, Status Of Forces Agreements. Die overeenkomsten zijn meestal ook nog eens geheim, de mensen kennen de kleine lettertjes niet. De boodschap van elke basis-overeenkomst is: uw burgers doen niet ter zake, hun burgerrechten tellen niet mee. Deze SOFAs breken elk gevoel van burgercultuur af. Soms worden die SOFAs met harde hand afgedwongen. En in Irak liep dat faliekant af: de VS kreeg zijn zin niet. Sommige van de sterk eenzijdige overeenkomsten werden afgesloten met militaire dictaturen. Nu landen schoorvoetend het democratisch model omarmen en dus rekenschap moeten geven aan de bevolking begint het machtsevenwicht in de onderhandelingen te verschuiven. Dat zien we vandaag in Irak, aldus Walt: de VS mocht blijven, maar dan op Iraakse voorwaarden.

Het gekke van de situatie die wij hier zo rationeel bespreken, zo stelt Engelhardt, is het feit dat er sinds het einde van de Koude Oorlog, toen wij tegenover de Sovjet-Unie stonden, een echte, grote vijand, met een gigantisch kernwapenarsenaal, een wereldmacht, er aan onze bewapening niets is veranderd. De Sovjet-Unie bestaat niet meer, en wij zijn verworden tot “nationaal veiligheidsland,” met een Pentagon-budget, een militaire inlichtingenbureaucratie, een beveiligingsapparaat dat ongelooflijk veel groter is geworden in een wereld met hooguit enkele duizenden verspreide terroristen die ons wat willen aandoen. We zijn niet in staat om een paar weinig beduidende oproeren in het Midden-Oosten de kop in te drukken. Is het niet onvoorstelbaar hoe we zijn uitgegroeid tot deze imperialistische kolossus? Geen enkel ander land dan de VS heeft mondiale ambities, zo voegt Marwan Bishara daar aan toe. En dat wordt niet afgedwongen door vrijhandel, kapitalisme, neoliberalisme, om er maar een etiket op te plakken, maar door militaire middelen van de VS en de NAVO.

De Amerikaanse boodschap aan China is duidelijk: wij geven de wereldmacht niet zonder slag of stoot uit handen. Stephen Walt meent dat die opstelling weinig te maken heeft met Amerikaanse economische belangen op de korte of middenlange termijn. Amerika maakt zich zorgen over de toenemende Chinese macht en dat China zal proberen de VS uit zijn invloedssfeer te verdrijven. Het optreden van de Amerikaanse marine is niet gericht op het veroveren van markten in het Verre Oosten. Susan Glasser stelt dat de VS ook opportunistisch bezig is en tracht in het machtsspel tussen China, India en Japan nauwere banden te smeden met landen die zich zorgen maken over de toenemende Chinese macht in de regio.

De Amerikaanse economische macht

President Obama is zich ervan bewust dat landen die vandaag op onderwijs beter presteren dan de VS morgen de concurrentiestrijd met Amerika zullen winnen. Kinderen maken de toekomst van een land. Maar Amerika gaat daar wel erg slordig mee om. Het kent een van de meest inefficiënte onderwijssystemen van de ontwikkelde wereld. Toch kan de VS nog altijd bogen op 17 van de 20 topuniversiteiten ter wereld en 7 van de 10 meest invloedrijke denktanks. 70% van alle Nobelprijswinnaars werken voor Amerikaanse universiteiten. En dat zijn geen ivoren torens. Dankzij de nauwe banden met de industrie vormen Amerikaanse topuniversiteiten een essentieel onderdeel van de economische machine. Facebook komt uit Harvard. Cisco, Hewlett Packard en Google werden geboren in Stanford. Aan de top lijkt het wel goed te zitten, maar de rest van het onderwijssysteem moet het met te geringe financiële middelen doen en levert onvoldoende gekwalificeerde afgestudeerden af.

Amerika is vastbesloten om op het gebied van soft power de bovenhand te houden. Het besteedt twee maal zoveel als Europa aan onderzoek en ontwikkeling, en vier maal zoveel als China. Zoals de val van de Sovjet-Unie heeft geleerd: een wereldmacht wordt eerder bedreigd op economisch dan op militair vlak. De afgelopen 50 jaar heeft de VS zijn aandeel in de wereldeconomie zien krimpen van de helft naar een kwart. De uit de pan vliegende Amerikaanse schuld, afnemende productiviteit, moegestreden middenklasse en vervallen infrastructuur voorspellen dan ook weinig goeds voor een wereldmacht in de 21e eeuw. Maar een BBP van $15 biljoen en de reservemunt van de wereld in huis is de VS nog altijd de motor van de wereldeconomie. Volgens Oxford-economieprofessor Linda Yueh moet de VS eraan wennen dat veel landen niet alleen een relatie met de VS willen, maar ook met China, hoewel de VS tien maal zo rijk is als China en op veel gebieden de nummer één.

De binnenlandse politieke agenda van de VS ziet er niet positief uit. De grote vraag is of de VS zijn huis in orde krijgt. De afgelopen vier jaar is het huishoudelijk inkomen met bijna 10% afgenomen. Eén op de tien volwassenen is werkloos en één op de zes leeft van voedselbonnen. Met de protestbeweging van de afgelopen maanden komt de Amerikaanse droom op losse schroeven te staan. De mensen zien de hypocrisie van de Amerikaanse politiek die zegt democratie in het Midden-Oosten te willen brengen, maar in eigen land de democratie om zeep helpt. Internationaal staat de VS op tal van gebieden nog altijd sterk. Het land mag dan zijn AAA-rating kwijt zijn, Amerikaanse merken domineren nog altijd de wereld. Coca Cola rijft in de wereld jaarlijks $35 miljard binnen, Microsoft $69 miljard en Apple zelfs $100 miljard. De technologiesector zorgt nog altijd voor heel wat innovatieve producten. Maar op wereldschaal verliest de VS terrein. In 2007 waren de top vijf ondernemingen nog in Amerikaanse handen, vandaag zijn dat er nog maar twee, en de wereld zit niet stil.

Het feit dat de dollar nog altijd wordt gezien als veilige haven geeft reden tot optimisme. Martin Wolf, hoofdeconoom bij de Financial Times, meent dat de Amerikaanse dollar vandaag de minst slechte keuze is. Als de Amerikanen hun binnenlandse situatie niet helemaal in het honderd laten lopen denkt Wolf dat de dollar als reservemunt wel zal overleven omdat er gewoon geen alternatief is. Het beeld is tegenstrijdig: sinds de jaren 1950 heeft geen enkel land economisch in de schaduw van Amerika kunnen staan, en toch lijkt het verval van de VS onvermijdelijk, hoeveel tijd daar ook mee gemoeid is. Voor Susan Glasser is eerder sprake van een geleidelijke ontwikkeling waarin in de wereldorde plaats wordt ingeruimd voor democratische landen als Brazilië en Turkije die toch belangrijke Amerikaanse bondgenoten blijven, dan van een implosie zoals die van de Sovjet-Unie. Tom Engelhard voorziet wel een harde landing voor de VS. Hij wijst op de scherpe polarisatie in de binnenlandse politiek, ziet de presidentsverkiezingen daar niets aan veranderen, en vreest dat de impasse tot 2016 blijft duren.

Volgens Stephen Walt is de zorg over het Amerikaanse verval sinds de jaren 1950 en vooral na de opkomst van Japan als economische macht een weerkerend verschijnsel. Maar Japan heeft de VS niet ingehaald. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de VS er weliswaar relatief op achteruit gegaan, maar was de afgelopen 30 jaar toch nog altijd goed voor een kwart van de wereldeconomie. China lijkt dan van een ander kaliber, maar ook dat land krijgt te maken met problemen als een verouderende bevolking, een mondiger bevolking, ecologische en infrastructuurproblemen. De problematiek is niet zozeer het verval van de VS, maar het feit dat zowat de hele wereld tegen zware problemen aankijkt. Europa heeft op korte termijn geen enkel vooruitzicht op economische groei en zit met zijn Euro in een diepe crisis. Het Midden-Oosten is in beroering sinds de Arabische Lente en de onrust zal daar nog heel wat jaren aanslepen. China krijgt af te rekenen met zijn eigen problemen en Japan zit al 20 jaar in een economische crisis. Iedereen en alles is in crisis, en het een verlamt het ander. Het feit dat het politieke debat dan ook nog eens verloedert blijft zorgbarend.

Cynthia Anloe hekelt de Amerikaanse mentaliteit om altijd en overal de nummer één te willen zijn en blijven. Nederland was in de 17e eeuw ook de nummer één in de wereld en dat land is door het verlies van die status ook niet gefrustreerd geraakt. In de VS leidt de problematiek tot een bedorven cultuur waarin elk maatschappelijk debat bij voorbaat onmogelijk wordt. Investeringen voor infrastructuur krijg je gewoon niet meer op de politieke agenda. Terwijl die toch essentieel zijn. Maar er moet ook een maatschappelijk debat komen dat tot een heel wat realistischer beeld leidt van de plaats van de VS in de wereld.

Volgens Susan Glasser zijn de gemoederen in de VS zo verhit dat de Republikeinen zich hardop afvragen of Obama en de Democratische partij wel voldoende geloven in de Amerikaanse grootsheid. In 2009 zei Obama nog te geloven in de Amerikaanse uitzonderlijkheid. De Britten geloofden destijds ook in Britse uitzonderlijkheid en de Grieken in Griekse uitzonderlijkheid. Maar dat is voor die landen niet goed afgelopen. Amerikanen geloven dat hun land uitzonderlijk is voorbestemd, dat er iets is dat die onze unieke geschiedenis drijft. Onze geschiedenis is inderdaad ongekend. We zijn heel snel opgeklommen naar de nummer één positie. We zijn een continent dat langs twee zijden door oceanen wordt afgeschermd. Dankzij onze economische locomotieffunctie konden wij de wereldorde na de Tweede Wereldoorlog vormgeven rondom onze economische instellingen. Daarmee hebben wij ons heel wat middelen verschaft in een snel veranderende wereld.

Voor Stephen Walt moet de vraag hoe je die Amerikaanse grootsheid het beste meet onderdeel zijn van dat noodzakelijke maatschappelijk debat. De gemiddelde Amerikaanse burger zal misschien de grootsheid van Amerika afmeten aan de omvang van het militair apparaat. Welnu, men kan ook op een heel andere manier aankijken tegen de rol van Amerika in de wereld en tegen de invloed van Amerika die voortvloeit uit de manier waarop we onze samenleving inrichten, een samenleving waar anderen in veel opzichten mee zouden willen wedijveren. In vergelijking met andere geïndustrialiseerde landen zijn Amerikanen harde werkers. Ze werken meer uren, meer weekends, nemen minder vakantie. Dat Amerikanen bevoorrecht zijn geldt maar voor een kleine meerderheid. Maar er moet wel een debat komen over de vraag of we die minderheid niet te rijk hebben laten worden en teveel zeggenschap hebben gegeven. Susan Glasser meent dat er sprake is van een wereldwijde crisis van het kapitalisme. Zij vraagt zich af of de VS zijn attractie als magneet voor het type immigranten dat Amerika heeft grootgemaakt, kwijtraakt aan een land als China, dat honderden miljoenen mensen uit de armoede heeft gehaald.

Tom Engelhardt stelt de problematiek van de opwarming van de aarde aan de orde. Zonder ingrepen zou de temperatuur op aarde tegen het eind van deze eeuw wel eens 11° hoger kunnen zijn. Tegen die achtergrond wordt voor Engelhardt de discussie over wie het voor het zeggen heeft in de wereld nogal academisch. Voor Cynthia Enloe moet het maatschappelijk debat in Amerika zich toespitsen op het zoeken naar een eerlijker model waarin Amerika niet altijd haantje de voorste speelt. Maar Stephen Walt ziet dat niet gebeuren. Amerika zal een antwoord moeten geven op de opkomst van andere machten in de wereld. Dat leidt tot een minder omvangrijke rol van de VS op het wereldtoneel. We zijn al uit Irak vertrokken en straks ook uit Afghanistan en we zullen dit soort projecten niet snel meer ondernemen. Onze aanwezigheid in Europa is al verkleind. We verleggen de aandacht naar Azië waar we voorlopig wel zullen blijven, maar binnen 20 jaar zullen we ook daar een veel bescheidener aanwezigheid van de VS zien. Als dat betekent dat we intussen aandacht besteden aan de opbouw van ons eigen land is er al veel gewonnen.

Tom Engelhardt, die het laatste woord krijgt, meent dat de neiging van Amerika om altijd en overal te willen ingrijpen, zo langzamerhand wel onder controle is. Dat vloeit voort uit het wereldbeeld van vandaag. Amerika mag dan wel praten over bases in Afghanistan na 2014 en 25.000 troepen tot 2020, maar het zal snel blijken dat die ideeën op pure fantasie berusten. Dat is voor Amerika gewoon niet meer op te brengen. De realiteit is dat Amerika aanbotst tegen zijn economische grenzen. Voor Cynthia Enloe is dat een heel wat gezondere situatie. Wat drie hoeraatjes bij Tom Engelhardt uitlokt.

[1] Wikipedia: “Al Jazeera
[2] Wikipedia: “Marwan Bishara
[3] Al Jazeera: “The decline of the American empire
[6] “De defensie-uitgaven van de VS bedragen $1,2 biljoen, 8% van het BNP. Daarvan is 60% ingeschreven op de defensiebegroting. Naar buiten toe spreekt men over “slechts” $685 miljard (4,6% van het BNP),” zie Geopolitiek in perspectief: “God bless America"

dinsdag 27 december 2011

So Iran wins the war

by Michael Meacher


The final pull-out of US troops from Iraq marks the end or perhaps just one stage of the end, of the biggest military disaster since Vietnam. Every US-UK goal behind the invasion has been lost, in some cases humiliatingly. Iran, the target for revenge after the sacking of the US embassy in 1979, emerges as a rising regional superpower with its political establishment now in full control of Iraq. The US goal of semi-permanent military bases in Iraq as the custodians of the oil-fields has been abandoned after demands from Maliki, the Iraqi prime minister, himself heavily pressurised by Iran. The US army is being rushed to the exit before Iraq has the security force strength sufficient to protect it against external aggression. Internally, so far from being the ‘sovereign, stable and self-reliant’ state applauded yesterday by Obama, is in fact rent by schism. If this is winning, what would defeat have looked like?

Iran has its proxies at every force level in Iraq - the Mahdi army militia of the radical Shia leader Moqtada al-Sadr, its own operatives in place in hundreds and maybe thousands throughout Iraq, and the sinister Qassem Suleimani (the military power behind the Khamenei throne) organising as commander of the Quds force many of the bombings and shootings that are still daily fare in Iraq.

Apart from the oil prize, the other central US goal was to set up a permanent platform for the maintenance and enhancement of US influence throughout the Middle East. The reverse has happened. The jihadists are now looking to send fighters into Syria, the Salafists are again active, the Awakening Council that gave immeasurable help to the US general Patraeus in turning the tide against al-Qaeda have been suppressed by Maliki and are now abandoning Iraq, and Kurdistan where so much of the oil lies has declared a de facto independence.

But the biggest defeat of all lies in the shattered reputation of the West. Not only did the greatest military fighting force in the world patently fail to secure anything like victory on its own terms despite a dissipation of blood and treasure costing nearly $1 trillion, but far more seriously the West’s trumpeting of honesty, morality and democracy has taken a fearful beating from which it may never recover. Bush, Cheney and Rumsfeld lied about the collusion between Saddam and al-Qaeda to provide the link needed between the Twin Towers and the invasion of Iraq. Bush and Blair, ever eager to be the foghorn for the dumb ventriloquist, fabricated the evidence to justify a specious ‘war on terror’. Abu Ghraib torture and the physical and sexual abuse of Iraqi prisoners destroyed any idea of Western moral superiority with both CIA and MI5 involvement now well documented as well as out-of-control soldiers. Not until the main perpetrators Bush and Blair are hauled to full account will this stain on Western democracy ever be effaced.

Michael Meacher is a Labour MP for Oldham West and Royton (UK)
This article first appeared on Michael Meacher’s weblog on December 15, 2011

zaterdag 17 december 2011

De strijd van de VS om de wereldhegemonie (2)

Deel 2: Obama’s escalerende confrontatie met Rusland


De militaire omsingeling van Rusland door de regering-Obama kent zijn weerga niet. De VS heeft raketlanceerinrichtingen en luchtmachtbases geïnstalleerd in Polen, Roemenië, Spanje, Tsjechië en Bulgarije. Het arsenaal omvat Patriot PAC-3 luchtverdedigingssystemen in Polen, geavanceerde AN/TPY-2 radarsystemen in Turkije en diverse met SM-3 IA raketten uitgeruste oorlogsschepen in Spanje. Allemaal hoogtechnologische wapens die in enkele minuten hun doel kunnen bereiken. Voorts is Washington bezig met de installatie van nieuwe - of uitbreiding van bestaande - militaire bases in voormalige Sovjetrepublieken in Centraal-Azië. En via de NAVO heeft Washington omvangrijke economische en militaire initiatieven ondernomen tegen belangrijke Russische handelspartners in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De NAVO-oorlog tegen Libië heeft Russische olie- en gasinvesteringen en wapenleveringen ter waarde van vele miljarden dollars om zeep gebracht of tenminste op ijs gezet, en een Rusland-vriendelijk regime vervangen door een stel marionetten. [1]

In Iran hebben de Westerse economische sancties en verholen Amerikaans/Israëlisch terrorisme de lucratieve Russische zaken in nucleaire technologie en olie-joint-ventures ondermijnd. En in Syrië, Rusland’s laatste bondgenoot in de regio, met Tartus als zijn enige marinebasis aan de Middellandse Zee, heeft de NAVO, met Turkije en de dictatoriale sjeikdommen in de Golf aan zijn zijde, harde sancties ingesteld en terreuraanslagen gefinancierd. Rusland ziet nu in dat de samenwerking met de NAVO berust op een totaal verkeerde inschatting van de NAVO-strategie en de imperialistische bedoelingen van Obama. Die samenwerking heeft alleen maar een verzwakking van de eigen economische en defensiepositie tot gevolg gehad. Net als Gorbachev en Jeltsin destijds namen president Medvedev en buitenlandminister Lavrov abusievelijk aan dat steun aan VS/NAVO-optreden tegen Russische handelspartners “reciprociteit” zou opleveren: ontmanteling van het rakettenschild en steun voor toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie. Medvedev ging akkoord met de sancties tegen Iran en Lavrov met de “no-fly zones om Libische burgers te beschermen.”

Pas toen de VS de plaatsing van raketten op een boogscheut van Moskou doordrukte en tegelijk massale aanvallen op het Syrische regime organiseerde schoot het duo Medvedev-Lavrov wakker en verzette het zich tegen VN-sancties. Medvedev dreigde het START kernwapenverdrag op te zeggen en raketten te richten op Berlijn, Parijs en Londen. De beoogde reset van de relaties blijkt een dekmantel geweest te zijn voor de agressieve uitbouw van het Amerikaanse imperium. Elke concessie leidde tot verdere agressie, met als gevolg de omsingeling van Rusland met raketten in het Westen, Amerikaanse bases in zuidwest en centraal Azië, en het verlies van handelsrelaties in het Midden-Oosten. Toen Russische beleidsmakers aandrongen op vervanging van de dromerige Medvedev door de realist Putin lokte dat een golf van kritiek op Putin uit in de Westerse media. En de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton wachtte niet eens de rapportage van de internationale waarnemers bij de Russische parlementsverkiezingen af om te beweren dat die vervalst waren en daarmee oproer in het land uit te lokken. [2] Sterker nog, Clinton deed haar uitspraak toen nog niet eens alle stemmen geteld waren. [3]

Het optreden van Washington maakt van Rusland een tegenstander. “Er komt een Europees raketschild … waar ook Rusland aan deelneemt,” zo liet NAVO-secretaris-generaal Anders Fogh Rasmussen eind vorig jaar nog weten. [4] En NRC jubelde: “Het raketschild moet het symbool worden voor nieuwe Oost-Westverhoudingen.” [5] Welnu, het raketschild is in opbouw, maar de Russen worden geweerd. De nieuwe Westerse dreiging brengt Rusland en China dichter bij elkaar. De combinatie van Russische geavanceerde wapentechnologie en rijke energiebronnen met de dynamische Chinese economie kan zich ruimschoots meten met de in volle crisis verkerende EU en VS. Met de militaire confrontatie schiet Amerika in eigen voet: de toegang tot Russische grondstoffen wordt bemoeilijkt, net als de totstandkoming van een strategisch veiligheidsakkoord tussen de grootmachten. Dat is economisch uiterst nadelig voor de VS. Het kan zich niet langer een drastische inkrimping van zijn krijgsmacht veroorloven. Gegeven de lage “job-elasticiteit” van het leger kost snijden in defensie maar weinig jobs. Maar investering van de vrijkomende middelen in andere sectoren, of terugsluizen naar de economie in de vorm van belastingverlagingen levert netto wel een aanzienlijke stijging op van de werkgelegenheid, [6] iets wat Obama voor zijn herverkiezing hard nodig heeft.

Nadat het tien jaar lang miljarden dollars heeft besteed aan militaire avonturen buiten het gebied waar de wereldpolitiek wordt gemaakt richt Washington zich nu op Azië, waar dynamische economieën sterke groeicijfers laten zien, investeerders tientallen miljarden dollars investeren en de handel met het buitenland drie maal sterker groeit dan die van de EU en de VS. Maar Obama’s nieuwe realisme wordt ondergraven door volslagen verkeerde aannames. Zo poogt hij het economisch machtige Azië aan zich te binden met militaire middelen in plaats van zich in te spannen om het Amerikaanse concurrentievermogen te versterken. Afgezien van wapens, vliegtuigen en landbouwproducten heeft de VS Azië weinig te bieden. Washington zou zijn economie al drastisch moeten reorganiseren, geschoolde arbeid opwaarderen en miljarden dollars overhevelen van het militair apparaat naar innovatieve technologieën. Zo’n ontwikkeling ligt niet in het verschiet. Obama is verknocht aan het militaire-Zionistische-financiële complex waar zijn illustere voorganger Dwight D. Eisenhower zo voor gewaarschuwd heeft. [7]

De Amerikaanse koerswijziging, van gewapend conflict in het Midden-Oosten naar militaire confrontatie in Azië, deugt niet. Het optreden van Washington zal Rusland of China niet verzwakken, laat staan intimideren. Het Amerikaanse beleid moedigt beide landen juist aan om zich meer en meer als tegenstander op te stellen en de VS minder welwillend tegemoet treden als het gaat om steun voor militair optreden waar veelal Israel op aandringt. Intussen heeft Rusland oorlogsschepen naar zijn haven in Syrië gestuurd, geweigerd mee te werken aan een wapenembargo tegen Syrië en Iran, en met terugwerkende kracht zijn gal gespuwd op de NAVO-oorlog in Libië. China en Rusland hebben teveel te verliezen als de opbouw van Amerikaanse militaire voorposten en exclusieve allianties onbeantwoord blijft. Rusland kan evenveel kernraketten richten op het Westen als het Westen in Oost-Europa opstelt. In plaats van het nucleaire evenwicht in zijn voordeel te beslechten drijft Obama’s militaire escalatie Rusland en China alleen maar verder in elkaars armen. Washington schat de disputen tussen China en zijn buurlanden over zeerechten volkomen verkeerd in. Militaire samenwerking van de VS met Azië maakt weinig indruk. China’s economische banden met Azië geven de doorslag.

De Amerikaanse militaire arrogantie jegens Azië heeft ook geleid tot een zware aanvaring met Pakistan, de trouwste Amerikaanse bondgenoot in Zuid-Azië. De NAVO bracht 24 Pakistaanse militairen om het leven en trok een lange neus naar de Pakistaanse generaals. China en Rusland veroordeelden de aanval en wonnen aan invloed. Zo’n Amerika jaagt zijn potentiële bondgenoten in Azië alleen maar tegen zich in het harnas. Die zijn gericht op zakendoen en zullen een Amerikaanse militaire aanwezigheid tolereren om economische voordelen te behalen. Een koude oorlog die de dynamische economische ontwikkeling in Azië verlamt willen ze niet. Obama zal snel leren dat de Aziatische leiders geen permanente bondgenootschappen sluiten, maar permanente belangen nastreven. Voor hen is het een uitgemaakte zaak dat het China is dat vorm geeft aan de nieuwe wereldeconomie en dat Azië in dat gebeuren centraal staat. Washington mag dan een permanente aanwezigheid hebben in de Stille Zuidzee, dat maakt allemaal weinig indruk zolang het er niet in slaagt zijn binnenlandse financiële en economische problemen onder controle te krijgen.

De krampachtige strijd van VS om de wereldhegemonie is destructief en een regelrechte illusie. De wereld evolueert naar multipolaire machtsverhoudingen. De macht moet worden gedeeld. Een recente samenvatting van Amerikaans en internationaal opinieonderzoek bevestigt dat de overgrote meerderheid voorstander is van een wereldorde gebaseerd op internationaal recht en een sterkere rol voor de Verenigde Naties. Amerikaanse zowel als internationale respondenten zeggen dat de VS een minder dominante, maar nog altijd actieve rol moet spelen in wereldaangelegenheden. [8] De VS zou er goed aan doen de opinie van internationale gemeenschap ter harte te nemen. Het moet een einde maken aan het confronterende militarisme en het harmoniemodel omarmen.

[1] James Petras: “Obama Raises the Military Stakes: Confrontation on the Borders with China and Russia
[2] Andrew Osborn: “Putin blames Clinton for provoking Russian riots in Cold War-style outburst
[3] M.K. Bhadrakumar: “Bear nettles the eagle, dragon smiles
[4] Geopolitiek in perspectief: “De NAVO-top in Lissabon
[5] Geopolitiek in perspectief: “De betekenis van de NAVO-top in Lissabon” - Deel 1: instemmende reacties
[6] Miriam Pemberton: “Military Spending is the Weakest Job Creator
[7] Eisenhower's Farewell Address to the Nation, January 17, 1961
[8] World Public Opinion.org: “Review of Polling Finds International and American Support for World Order Based on International Law, Stronger UN

De strijd van de VS om de wereldhegemonie (1)

Deel 1: op weg naar een Koude Oorlog met China?    


In zijn buitenlands beleid kan de regering-Obama nu niet bepaald bogen op een indrukwekkend palmares: nederlagen in Irak en Afghanistan, mislukte pogingen om de marionettenregimes in Jemen, Egypte, Tunesië, Somalië en Zuid-Soedan te stabiliseren. En een interventie in Libië die het VN-mandaat verre overschreed, waarna het land dezelfde lijdensweg lijkt te moeten ondergaan als Irak en Afghanistan: aanslepend geweld tussen allerlei belangengroepen. Het Westen lijkt nog altijd te geloven dat het met militaire middelen de zaken in deze landen naar zijn hand kan zetten. [1] Welnu: de bloedige oorlog om de oliereserves in Irak was volstrekt overbodig. In een toespraak voor de Amerikaanse Kamer van Koophandel in Washington nodigde de Iraakse premier Nouri al-Maliki vorige week probleemloos Amerikaanse ondernemers uit om te investeren in Irak, inclusief … in de oliesector. [2]

Ook elders blijft de VS het conflict zoeken of bestendigen: Pakistan, Iran, Syrië, Venezuela, Cuba, … Obama lijkt niets te leren van zijn buitenlandse fiasco’s. Zijn antwoord op de kwijnende economische macht van de EU en de VS is de verdere omsingeling en provocatie van Rusland en vooral China. Die rijzende wereldmachten moeten in bedwang worden gehouden. Geen geringe opgave voor een aftakelend imperium dat zich laaft aan eeuwige oorlog en in een diepe, uitzichtloze financieel-economische crisis verkeert. China is de tweede economie in de wereld en de grootste Amerikaanse geldschieter, Rusland de belangrijkste leverancier van olie en aardgas van de EU en na de VS de grootste kernwapenmogendheid ter wereld. [3]

Het baanbrekende bezoek van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton aan Myanmar begin december is onderdeel van het complexe schaakspel om de Chinese invloed in de regio te beteugelen. De aankondiging van Clinton’s bezoek aan Myanmar viel samen met het bezoek van Obama aan de havenstad Darwin in het uiterste noorden van Australië aan de Timorzee, waar de VS mariniers stationeert als onderdeel van de strategie om de Chinese ambities in de Zuid-Chinese Zee aan te vechten. Het Amerikaanse initiatief richting Myanmar is een antwoord op de eerste tekenen van hervormingen in dat land, waarvan de belangrijkste de opschorting was van het uiterst impopulaire Chinese stuwdamproject in het noorden van het land. Pikant detail is dat volgens WikiLeaks binnenlandse oppositiegroepen die tegen het project campagne voerden financieel werden gesteund door de Amerikaanse regering.

De VS heeft in Myanmar een unieke kans om Amerikaanse retoriek over mensenrechten en strategisch vernuft met elkaar te verenigen. Maar de Amerikaanse uitgestoken hand is tot mislukken gedoemd als die een dubbele bodem heeft. De Chinese invloed is niet zo eenvoudig te verdrijven. China is Myanmar’s belangrijkste handelspartner. Het is ook de grootste investeerder in Myanmar. Zo bouwt het snelwegen en spoorlijnen die zuidwest China ontsluiten voor producten uit Myanmar. China legt ook oliepijpleidingen en havens aan waardoor het de beschikking krijgt over havens aan de Indische Oceaan. Deze stellen China in staat de controle te ontlopen van de VS op de nauwe zeestraten in de Zuid-Chinese Zee en de straat van Malakka, aanvoerlijnen voor grondstoffen die van levensbelang zijn voor de boomende Chinese economie. De economische belangen tussen China en Myanmar zijn dermate groot dat die niet zullen worden verstoord door een incidenteel geschil. Als de VS zijn kritiek op de mensenrechtensituatie in Myanmar inslikt in ruil voor politieke steun zal het regime zo’n spelletje realpolitik met beide handen aangrijpen om Washington en Beijing tegen elkaar uit te spelen en zelf in het zadel te blijven.

Met zijn verklaring dat Azië de topprioriteit krijgt voor militaire expansie en economische allianties daagt Obama China uit in zijn eigen achtertuin. Het beleid van de ijzeren vuist dat Obama presenteerde in het Australische parlement laat aan duidelijkheid over de Amerikaanse imperialistische doelstellingen niets te wensen over. “Onze duurzame belangen in de regio vereisen onze blijvende aanwezigheid. De VS is een Stille Zuidzee mogendheid en we zijn hier om te blijven. Nu we onze lopende oorlogen beëindigen heb ik mijn national security team opgedragen om van onze aanwezigheid en missie in de Aziatische Stille Zuidzee een topprioriteit te maken. Bijgevolg zal een verlaging van onze defensie-uitgaven niet ten koste gaan van onze aanwezigheid in de Aziatische Stille Zuidzee,” aldus de Amerikaanse president, die de daad bij het woord voegde en een nieuwe militaire overeenkomst met Australië sloot die voorziet in de stationering van Amerikaanse oorlogsschepen, gevechtsvliegtuigen en 2.500 mariniers in Darwin, alles met het oog op China.

In de loop van dit jaar heeft Hillary Clinton uiterst provocerend toenadering gezocht tot Aziatische landen die geschillen hebben met China over zeegrenzen. Zo moedigde zij Vietnam, de Filippijnen en Brunei aan hun eisen nog aan te scherpen. Tegelijkertijd versterkt de VS zijn militaire banden met Japan, Taiwan, Singapore en Zuid-Korea en vergroot het zijn aanwezigheid met oorlogsschepen, kernonderzeeërs en verkenningsvluchten langs de kustwateren van China. En ook op het economische front drijft de VS de druk op China op: het moedigt landen aan om Aziatische multilaterale handelsakkoorden te sluiten die China buiten de boot houden en Amerikaanse multinationals, financiële instellingen en exporteurs bevoordelen, onder de noemer “Trans-Pacific Partnership.” De VS mikt daarbij vooral op kleinere landen, maar Obama probeert ook Japan en Canada te laten toetreden.

Ook de recente aanwezigheid van Obama op de vergadering van de Asia-Pacific Economic Cooperation (APEC) en zijn bezoek aan Indonesië passen in de Amerikaanse pogingen om zijn regionale hegemonie veilig te stellen. Zo hoopt Washington de teloorgang van zijn economische banden tengevolge van de sterke groei in handel en investeringen tussen Oost-Azië en China te beheersen. Hoewel geen van de Amerikaanse initiatieven op zichzelf een directe bedreiging vormt voor de vrede komt het cumulatieve resultaat, in combinatie met de uitbouw van de militaire macht van de VS in de regio, wel neer op een poging om de opkomst van China als regionale en wereldmacht te verhinderen. De militaire omsingeling, de allianties, de uitsluiting van China in regionale economische samenwerkingsverbanden, de interventie in regionale maritieme geschillen en de stationering van hoogtechnologische gevechtsvliegtuigen, dat zijn allemaal maatregelen om het concurrentievermogen van China te ondermijnen en de Amerikaanse economische ondergeschiktheid te compenseren via gesloten politieke en economische netwerken.

Door zijn dominantie in de Zuid-Chinese Zee en aangrenzende wateren te verzekeren probeert de regering-Obama kennelijk het 21e eeuwse energie-equivalent te verwerven van de 20e eeuwse nucleaire afdreiging. Zet ons niet voor het blok, zo impliceert de strategie, of we wurgen uw economie door de afsluiting van uw energietoevoerlijnen. [5] De Amerikaanse militaristische koers in het Verre Oosten en het openlijk aanduiden van China als de vijand is gevaarlijk provocatief. De Chinese leiders zullen zich niet zwak en besluiteloos tonen tegenover de opbouw van Amerikaanse militaire macht in de nabijheid van hun land. Dat betekent dat het Amerikaanse optreden alleen maar kan leiden tot een nieuwe Koude Oorlog, ditmaal in Azië. Een strategie die de nadruk legt op militaire dominantie moet door opkomende wereldmacht China met gelijke munt worden beantwoord. Zo'n strategie is niet verstandig en niet in het belang van de VS op een moment waarop internationale samenwerking van eminent belang is. Amerika doet er veel verstandiger aan om in Azië een open economisch en politiek klimaat uit te bouwen dat uitmunt in Amerikaanse waarden waar Beijing zich alleen maar bij kan aansluiten.

[1] BBC World Service 14/12/2011: “Iraq seeks Investment” (podcast beschikbaar tot 10/1/2012)
[2] David Held en Kristian Coates Ulrichsen: “Wars of Decline: Afghanistan, Iraq and Libya

maandag 12 december 2011

Libya: victory, tragedy, legacy

by Paul Rogers

Supporters of the Libyan leader Muammar Gaddafi attend the funeral of the victims who were killed by the NATO
raid on Friday, in the cemetery of martyrs Al-hncher, Tripoli, Libya, May 14, 2011. (Xinhua/Hamza Turkia)

The western military alliance sees the result of the anti-Gaddafi war as a vindication of its strategy. But the true accounting of Nato’s campaign - including on the ledger of arms companies - tells a different story.

Nato’s eight-month military operation in Libya, mandated by the United Nations, ended on 31 October 2011. The alliance’s secretary-general Anders Fogh Rasmussen, in a “declare victory and leave” mode, pronounced the mission a conspicuous success. Nato would continue to help Libya reform its defence and security sectors, he said, but he expected the UN to lead in the area of international assistance.

The Nato attitude at the war’s conclusion is optimistic, even near-euphoric - a marked contrast to the uncertainties and divisions even of three months earlier. In private, Nato’s leadership may have concerns over parts of the mission. But its official line is that Nato’s Libya operation is a triumph of the sustained use of air-power to achieve a laudable political aim: termination of a brutal regime. The marked contrast to the morass of the alliance’s effort in Afghanistan makes this outcome even more satisfying.

Nato conducted 26,320 sorties, of which 9,658 were strike-sorties, and attacked more than 5,000 targets: a calculation that includes reconnaissance, surveillance, tanker-refuelling and numerous other forms of support. Britain’s defence ministry provides detailed data of its own forces’ actions to the national media; it reports 3,000 sorties, including 2,100 strike-sorties, attacking about 640 targets.

A striking anomaly in both the Nato and the British accounting is the absence of any casualty figures. It is as though in more than 9,000 attacks, no one died.

There are three explanations:

  • The air-strikes were so phenomenally effective that not a single Libyan was killed (pure fiction)
  • The casualties could not be assessed (implausible, given that modern bomb-damage assessment uses multiple and precise surveillance techniques to see if targets are destroyed or if they have to be hit again)
  • The casualties were known, but it was politically inappropriate to release figures (consistent with previous coalition actions, not least in Iraq, where the mantra was “we don't do body counts”).
A bitter legacy

It might be argued that if the number of civilians killed was small, it doesn’t “really” matter. And if Libyan soldiers were being zapped - well, this is war and these things happen; casualty-counting isn't relevant.

Among the many problems with both the policy of war and the attitude towards its victims is the legacy they leave. Every Libyan soldier killed was a person with an extended family and numerous friends, and all those who died in a Nato raid was by definition killed by foreigners. Whatever the undoubted wrongs of the Gaddafi regime, the acute sense of those close to the people who lost their lives is that a foreign intervention was responsible. There seems to be no sense whatsoever within Nato of this aspect or of its long-term implications (see "Every casualty: the human face of war", 15 September 2011).

Moreover, Nato seems to have little awareness of or concern with the security problems the joint Nato/rebel action leaves in its wake. There are already numerous reports of human-rights abuses by rebel elements, including major reprisals against the previously pro-Gaddafi town of Tawargha; as a result, the town of 30,000 people has been abandoned. (see “Libya militia 'terrorises' pro-Gaddafi town of Tawargha”, BBC News, 31 October 2011).

The uncertainties are compounded by the refusal of scores of rebel militias to disarm; in fact, many are taking over districts and, on occasions, competing violently for control (see David D Kirkpatrick, “In Libya, Fighting May Outlast the Revolution”, New York Times, 2 November 2011). There is an evident danger that a security vacuum will develop, as in Afghanistan after the initial campaign that overthrew the Taliban towards the end of 2001. But this situation notwithstanding, Nato's humanitarian mission is finished and the alliance is walking away (see "Libya and a decade's war", 1 April 2011).

A hello to arms

Meanwhile, among the most notable beneficiaries of the Libyan campaign are the arms companies, especially those based in western Europe. The findings of the Campaign Against the Arms Trade and research by Andrew Feinstein illustrate an extraordinary chain of events in this respect.

It started with the Gaddafi regime “coming in from the cold” in recent years and then going on an arms-buying spree. In late 2010, British arms companies were prominent at an arms fair in Tripoli; only a few days before the Nato operations started, French and Italian companies were busily upgrading Libyan air-force and army equipment.

When the war was launched in the third week of March 2011, Nato set to work destroying weapons and equipment across Libya, including stocks recently bought or upgraded. The attacks often used hugely expensive advanced air-to-surface missiles bought from - guess who - European arms companies.

The Royal Air Force alone fired 1,420 precision-guided munitions, including Brimstone and Storm Shadow missiles. The first month of the conflict alone saw sixty Brimstones fired, at a cost of £175,000 ($280,000) each. The Storm Shadow cruise-missile is even more expensive at £790,000 a time. The defence ministry’s early estimate is that up to £140 million may be needed to replace the stocks used in the war.

The new Libyan government, in its effort to rebuild the armed forces, will for its part spend a lot of money to replace the thousands of pieces of equipment destroyed by Nato. Libyan officials clearly acknowledge an intention to favour companies based in countries that contributed to the Nato operation - in many cases, the same companies whose products destroyed the Libyan stocks.

So the circle is completed: Gaddafi buys arms from European companies that then supply Nato with the means to destroy those arms, leaving Nato and Libya alike needing to replace the lost equipment and dealing with the same companies to do so. In this sense Libya is near-perfect confirmation of the old saying: that the cleverest arms-merchants sell to both sides, hope they cancel each other out - and then sell lots more (see "The age of hi-tech war: after Libya", 9 September 2011).

Andrew Feinstein's massive new study of the global arms trade - The Shadow World: Inside the Global Arms Trade (Hamish Hamilton, 2011) - charts much of Libya's arms-buying before the war of 2011. More will emerge in coming months about the post-war bonanza for the arms companies, but there will be very little information about the people killed by their weapons.

Libya could eventually make a peaceful transition to a stable, peaceful and forgiving state. If so, that will rightly be welcomed. But the dark legacies of this short war might yet handicap that process, if not haunt it to its own grave.

Paul Rogers is professor in the department of peace studies at Bradford University. His books include Why We’re Losing the War on Terror (Polity, 2007), and Losing Control: Global Security in the 21st Century (Pluto Press, 3rd edition, 2010).

This article first appeared on openDemocracy November 3, 2011

maandag 5 december 2011

Israëlisch publiek steunt kernwapenvrije zone in het Midden-Oosten

    
Eternal Flame Peace park Hiroshima, Japan. The flame will be put out when the earth will be free from nuclear weapons.

64% van de Israëlische Joden is voor de instelling van een kernwapenvrije zone in het Midden-Oosten. Dat blijkt uit een recent opinieonderzoek [1] dat werd uitgevoerd door het Program on International Policy Attitudes (PIPA), [2] en gepubliceerd op de website van World Public Opinion.org. [3] De onderzoekers wezen er in de questionnaire [4] uitdrukkelijk op dat in zo’n kernwapenvrije zone Israël zowel als Iran zouden moeten afzien van kernwapens.

De druk om tot zo’n kernwapenvrije zone te komen is toegenomen, omdat die een antwoord kan geven op de kans dat Iran kernwapens ontwikkelt, wat tot een wapenwedloop in de regio zou leiden. Volgend jaar organiseert de VN een conferentie waar de mogelijkheid om het Midden-Oosten tot een kernwapenvrije zone uit te roepen aan de orde moet komen. Maar de Israëlische regering blijft zich tegen dit idee verzetten.

De Israëlische bevolking denkt daar kennelijk anders over. Minder dan de helft (43%) steunt een aanval op de Iraanse nucleaire installaties. En de respondenten tonen een realistische kijk op de zaken: 90% zegt dat Iran die uiteindelijk wel zal verwerven.

Israëlische Joden spraken zich niet alleen uit voor de lange termijn doelstelling om kernwapens uit de regio te bannen, maar ook om als tussenstap de eigen nucleaire installaties net als die van Iran transparant te maken. 60% was voorstander van internationale inspecties van “alle installaties waar nucleaire onderdelen kunnen worden geproduceerd of onderhouden” in alle landen in de regio, incl. Israël en Iran.

Volgens PIPA-directeur Steven Kull kunnen onderhandelingen rond het Iraanse nucleaire programma een uiterst positieve wending krijgen mochten Israël en Iran bereid zijn samen te werken in een ontwikkeling om van het Midden-Oosten een kernwapenvrije te maken.

Gegeven het belang van deze problematiek wordt het (Engelstalige) PIPA artikel hieronder integraal weergegeven.

* * *

Israeli Public Supports Middle East Nuclear Free Zone
December 1, 2011

A new poll of Israeli Jews finds that 64% favor establishing a nuclear free zone in the Middle East, even when it was spelled out that this would mean that Israel as well as Iran would give up the option of having nuclear weapons.

Pressure has grown for such a nuclear free zone in response to the potential for Iran acquiring a nuclear weapon, possibly leading to a regional arms race. Next year the United Nations will sponsor a conference devoted to trying to get the possibility of a Middle East Nuclear Free Zone back into play, but the Israeli government continues to resist the idea.

The logic of the Israeli Jewish public is clear. Less than half (43%) say they support an attack on Iran's nuclear facilities. Recently, even leading voices within Israel's defense community have said that such a strike would merely slow, but not stop Iran and that Israeli cities would be vulnerable to retaliation.

At the same time the Israeli public is far from sanguine about Iran's potential for acquiring nuclear weapons. An overwhelming 90% say that it is likely that Iran will eventually acquire nuclear weapons.

Asked which would be better--for both Israel and Iran to have nuclear weapons, or for neither to have nuclear weapons--a robust 65% say that it would be better for neither to have them. Only 19% say it would be better for both to have them.

The poll of 510 Israeli Jews is a joint project of the Program on International Policy Attitudes and the Anwar Sadat Chair at the University of Maryland, and was fielded by the Dahaf Institute in Israel. Interviews were conducted by telephone November 10-16. The margin of error is +/-4.3%.

The results were released in conjunction with the start of the Saban Forum on US-Israeli Relations at the Brookings Institution.

Highly significant to negotiations with Iran, Israeli Jews not only expressed support for the long term goal of eliminating nuclear weapons from the region but also for an interim step of making their nuclear facilities transparent together with Iran.

Asked about having all countries in the region, including Israel as well as Iran, "agree to have a system of full international inspections of all facilities where nuclear components could be built or maintained," 60% favored it.


"If Israel and Iran were to indicate a readiness to join a process toward turning the Middle East nuclear free zone this would be a major game changer in negotiations on Iran's nuclear program," comments Steven Kull director of PIPA.

"I find the findings surprising given the long held assumption that the Israeli public is not prepared to even discuss the nuclear issue given their deep seated sense of insecurity," adds Shibley Telhami, Anwar Sadat Professor for Peace and Development.

[1] http://www.worldpublicopinion.org/pipa/articles/brmiddleeastnafricara/695.php?nid=&id=&pnt=695&lb