woensdag 30 juni 2010

Het Amerikaanse Midden-Oosten beleid op de korrel

Eind december 2008, bij de start van de Israëlische aanval op Gaza, publiceerde The Washington Post een open brief aan de juist verkozen president Obama van Jean-François Angevin-Romey, een uitgetreden hoge Amerikaanse militair. De brief werd verwijderd van de website van The Washington Post, maar tijdig opgepikt door Newsvine, onderdeel van het Amerikaanse nieuwsnetwerk MSNBC. Hieronder een gecondenseerde versie.

Al jaren zie ik hoe de Amerikaanse Midden-Oosten politiek afbreuk doet aan onze veiligheid en ons imago. Ik gaf u mijn stem omdat ik in u de eerste Amerikaanse president zag die het stramien kan doorbreken, die onze koers in het Israëlisch-Palestijns conflict kan verleggen. Die onze macht gebruikt om vorm te geven aan een rechtvaardige en blijvende oplossing. De geschiedenis leert dat zo’n oplossing een multi-etnische staat is met gelijke rechten en kansen voor allen. Gegeven de geschiedenis van de staat Israel kan die zo’n bestuur nooit voorzien. Onze steun aan Israel brengt risico’s met zich mee voor veiligheid en imago van de VS en, hoe ironisch, voor de Joodse wereldgemeenschap.

Het bezielen van mensen is een essentieel onderdeel van de taken van een leider. Geen enkele Amerikaanse politieke leider heeft echter de moed gehad zijn kiezers te zeggen waar het op staat: de VS steunt een land dat door etnische zuivering is ontstaan. Een land dat door militaire agressie onwettig zijn grondgebied uitbreidde en zich staande houdt met staatsterrorisme tegen miljoenen mensen onder militaire bezetting. Dat deze mensen onwettig aanhoudt, opsluit, martelt en van zijn elementaire rechten berooft.

Om het te maken in de politiek moet men zowat alle kritiek op Israel inslikken. Dat deze het etiket “antisemitisme” krijgt is even terecht als anti-Nazi “anti-Duits” te noemen of anti-apartheid “anti-blank”. Waarom krijgt Israel een voorkeursbehandeling? Ik adviseer u komaf te maken met de hypocrisie in het Amerikaanse politieke jargon, te beginnen met het misbruik van de term “terrorisme”. Daar moet ook staatsterrorisme onder worden verstaan. Dat richt immers de meeste ellende aan, van de terreurbombardementen in de Tweede Wereldoorlog tot die in Vietnam, en nu ook in Irak, Afghanistan, en vandaag Gaza. Wij en onze Westerse bondgenoten lijken enkel oog te hebben voor het staatsterrorisme in “ontwikkelingslanden”. Waarom verhinderen wij dat van oorlogsmisdaden beschuldigde Amerikanen voor de internationale gerechtshoven worden gebracht die nota bene met onze steun zijn gesticht?

Dat wij Hamas aanmerken als terreurorganisatie is hypocriet. Welke vergelijking wij ook maken, van het Franse Verzet en het Getto van Warschau tot de ANC, Hamas is een verzetsbeweging, terwijl het met de bezetter collaborerende Fatah een treffende gelijkenis vertoont met het Franse Vichy-regime uit de Tweede Wereldoorlog. De weinig doeltreffende beschietingen van Hamas op burgerdoelen zijn het gevolg van een gebrek aan middelen om het tegen de bezetter op te nemen. Terwijl wij volop militaire steun verlenen aan het Israëlische leger blijft het Palestijns Verzet van elke steun verstoken.

De internationale gemeenschap moet dringend ingrijpen in het Israel-Palestina conflict. De ontwikkelingen in Gaza vergen een door de VS gesteunde resolutie die oproept tot de inzet van vredestroepen, gemandateerd om van Israel en Palestina een multi-etnische staat te smeden met hulp van een economisch en sociaal hulppakket type Marshallplan. Alleen al de waterbronnen in de regio vergen een gezamenlijk beheer. Onze inlichtingendiensten weten al lang dat de annexatie van de rivier de Litani in Libanon het echte motief was voor de Israëlische invallen in dat land. Zonder internationale interventie kan een onderhandelde oplossing alleen maar tot stand komen via herstel van het militair evenwicht. Dat zet Israel aan om serieus te onderhandelen. Gebrek aan militair evenwicht verlengt het gewapend conflict en leidt tot wanhoopstactieken als zelfmoordaanslagen. Het Palestijns Verzet moet worden bevoorraad met draagbare antitankwapens en luchtdoelraketten zoals de VS die leverde aan de Afghaanse Mujaheddin tegen de Sovjet bezetter. Door vandaag het Palestijns Verzet elke steun te onthouden schrijven de Arabische staten een hoofdstuk in hun geschiedenis dat zij wel eens bitter zouden kunnen betreuren.

De in Frankrijk geboren Jean-François Angevin-Romey emigreerde naar Amerika nadat zijn familie onder het etiket “terrorist” was uitgeroeid in het verzet tegen de Nazi bezetting. Hij begon zijn loopbaan in Vietnam. Kolonel Romey was buitenlandspecialist bij de Special Forces van het Amerikaanse leger, waar hij zich bezighield met asymmetrische oorlogsvoering. Hij is medestichter van Corporate Operational Strategies, een firma die zich bezighoudt met de beveiliging van internationale organisaties, treedt op als gastdocent, schrijft en neemt deel aan debatten over politiek-militaire en geopolitieke onderwerpen. Hij was onderzoeker in het Ruanda Tribunaal en nam deel aan vredesmissies in Afrika. In dienst van de VN hield hij zich bezig met de beveiliging van buitenlandse vestigingen van IMF en World Bank, speciaal die in Afghanistan, waar hij in 2006 de beveiliging opzette van het USAID programma in de zuidelijke regio’s.

Op 22 juli 2009 nam Romey deel aan een interessant debat op France24. La Libre Belgique citeert daaruit de volgende uitspraken: “Het Westen heeft geen enkel recht om in Irak te blijven. Het Iraakse verzet heeft evenveel recht tegenover een bezettingsmacht als het Franse verzet in 40-45. Het is maar normaal dat Iran het Iraakse verzet steunt, zoals de geallieerden destijds het Franse verzet steunden. De VS, die door het uitschakelen van Mossadegh een staatsgreep in Iran uitlokte, moet dat land om vergiffenis vragen voor alle ellende die daaruit voortvloeide. De burgeroorlog die op het vertrek van de VS uit Irak en Afghanistan volgt moet aan de locale bevolking worden overgelaten, zoals dat in 1945 in Frankrijk en bij het vertrek van de Fransen uit Algerije gebeurde. De problemen met de Moslimwereld kunnen maar worden opgelost door het aanknopen van normale betrekkingen met Rusland en Iran, twee staten in de regio waar men niet omheen kan. De twee staten die verantwoordelijk zijn voor het grootste aantal doden sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog zijn de VS en het regime in Tel Aviv”.

Dat de visie van Jean-François Angevin-Romey op het Israel-Palestina conflict vandaag nog 100% actueel is blijkt wel uit het artikel "Israel: the writing on the wall" van Gilbert Achcar, hoogleraar aan de universiteit van Londen. De belangrijkste passage daarin luidt: "Over the last decades Israel has managed to antagonize a formidable range of forces that were not part of its enemy spectrum until then. It has already lost quite a few teeth in attempting to subdue Lebanon, where it faced the firm resistance spirit of Hezbollah combatants resorting to their ‘asymmetric’ advantage as guerrilla fighters in defending their land against a conventional army. The increasing levels of hatred sown in the whole Middle East by western invasions, as well as by Israeli violence, are fostering the rise of an ‘apocalyptic terrorism’ that contemplates resorting to weapons of mass destruction as another ‘asymmetric’ means of offsetting the overwhelming military superiority of its enemies. Last but certainly not least, Israel is now facing the prospect, in the short or medium term, of a nuclear-armed Iran - a development that would bring the region dangerously close to a nuclear holocaust if Israel keeps threatening to launch military strikes".

zondag 27 juni 2010

The EU Should Do More to Help Shut Down Guantanamo

(article by guest author Gregg Dubow)

If EU member states take on more detainees, they will not only solidify the EU’s human rights record, but also reduce security threats, while stepping up pressure on the US government to act. Europe’s stature as a beacon of human rights stands to gain as a result.

President Obama's announcement on 22 January 2009 to close the Guantanamo Bay Detention Facility within a year led many to believe it was going to be a done deal. However, sixteen months on this deal has yet to be clinched. The latest efforts by the Obama administration to resolve this issue recently hit a major roadblock as a proposal to transfer Guantanamo detainees to a maximum security facility in the USA was shelved after the House Armed Services Committee unanimously voted not to fund the Obama proposal. In light of the lack of action undertaken by US authorities, the question arises as to whether the EU should step up pledges to facilitate the closing of Guantanamo.

The EU proclaims human rights as universal and indivisible and has an excellent track record in offering political asylum. Although the EU passed a resolution in 2009 requesting its members to assist US efforts, only a dozen detainees have been transferred to EU countries according to the EU Council. By taking on more detainees, Europe's stature as a beacon of human rights would only increase. In addition, EU acceptance of more detainees could eventually ease up domestic and international pressure on a President Obama that Europe welcomed as a breath of fresh air for international relations. That impetus of constructive cooperation among all nations means little without more action. Bilateral negotiations between the US and individual EU countries on measures to gradually reduce the number of detainees and resettle them in Europe would help restore credibility to the Western notions of the rule of law and justice. Mutual security interests also stand to gain by eliminating what has been a rallying cry for terrorists around the world. Another pressing argument for more EU engagement is the prospect of U.S. prisoner transfers to countries with weak human rights records. If detainees were transferred to such countries, human rights abuses could take place on a greater scale than what is occurring now.

Some critics argue that Europe is not responsible for cleaning up an American made mess. Many EU governments have already pledged military, logistical and financial support to American military operations and cannot justify further assistance to a cranky and skeptical electorate. Coordinating security within the EU is another challenge due to the Schengen agreement allowing people free movement among EU countries once settled there. Another argument put forth is that taking on detainees would strain relations and economic ties with other countries, especially with China on the issue of resettling Uighers.

While the EU could be doing more, US domestic politics is not exactly moving forward to resolve this issue. Republican conservatives are fear mongering on the premise of the security threat that would be imposed should detainees be housed on American soil. Another lurking factor is the upcoming 2010 mid-term elections. The Obama administration, with a Democratic majority in Congress, stands to lose that majority due to domestic issues. As a result, many Democrats are simply hesitant to address the Guantanamo issue for fear of spurring a larger Republican voter turnout at the polls.

The new US national security strategy has stressed building a broader coalition of actors to advance universal values. The EU should rise to the occasion and show more political will in facilitating the closing of Guantanamo. This would not only promote those universal values but also enhance long term collective security on both sides of the Atlantic in the ongoing war on terror. More proactive measures by the EU could also step up pressure on the US to pull its weight on this issue. It is time that substantive cooperative action is taken to fulfill Obama's pledge.

Gregg Dubow holds a BS from West Chester University (UK) with a major in criminal justice. He is a language trainer based in southern Germany, currently studying International Relations as segway into a different career.

woensdag 23 juni 2010

Israëlische bevolking onkundig van etnische zuivering van 1948

In het artikel “Wat bezielt Israel” zegt de in 1954 in Haifa (Israel) geboren Joodse historicus Ilan Pappe, die sinds 1984 lector was aan de universiteit van Haifa en in 2007 uitweek naar een leerstoel in Engeland, dat de Israëlische bevolking niet op de hoogte is van de etnische zuivering van 1948 en van 40 jaar systematische schending van de rechten van miljoenen mensen door zijn eigen overheid. Pappe, die er op de Nederlandse Wikipedia minder goed van af komt dan op de Engelstalige, meent dat de mentaliteit in Israel moet veranderen. De historicus vindt dat men in zijn geboorteland 60 jaar geschiedenis onder ogen moet zien. Maar een mentaliteit veranderen vergt opvoeding en voorlichting, waar het in Israel aan blijkt te ontbreken. Het onderwijs in Israel besteedt immers nauwelijks aandacht aan de ontstaansgeschiedenis van de staat. Maar er wordt wel gehamerd op de Holocaust, met al zijn gruwelijke “technische” details.

Pappe krijgt steun uit onverdachte hoek. Al in 2005 vroeg één van Israëls prominentste historici, Hanna Yablonka, in een artikel in Haaretz aandacht voor de eenzijdige voorlichting. “Het is wel erg gemakkelijk om een gebeuren [de Holocaust] in te roepen waarin wij alleen maar gelijk hadden en de wereld alleen maar schuldig en fout was”, luidt de subtitel van haar artikel. In toenemende mate worden symbolen van de Holocaust gebruikt in het politieke debat, aldus de historica. Als voorbeeld noemt zij het feit dat Joodse kolonisten die zich in Palestijns gebied vestigen hun identiteitsnummer op hun arm schrijven. Dat zij daarmee Holocaust-overlevenden op het hart trappen, daar heeft men geen boodschap aan. In haar artikel bepleit Yablonka, die een leerstoel heeft aan de Ben-Gurion universiteit, een publiek debat over “alles wat de Holocaust bij ons oproept”. De vraag waarom de Holocaust wordt gebruikt in het politieke debat moet worden opgehelderd. En er moet worden onderzocht waarom ons onderwijssysteem faalt als het over de Holocaust gaat, aldus Yablonka.

De historica stelt dat de Holocaust al heel lang een essentieel element is in de Israëlische nationale identiteit. Het beeld dat in Israel wordt gekoesterd is dat van een Joods volk dat slachtoffer is van een nooit en nergens geëvenaard onheil, aangericht door Duitse moordzuchtigheid met medewerking of tenminste onverschilligheid van de Europese bevolking. In dat beeld staat het Joodse volk steeds in zijn recht en is het aanklager. De wereld moet zich schamen. Tegen deze achtergrond is het wel erg gemakkelijk om in het debat over bij voorbeeld de Zesdaagse oorlog een beroep te doen op een gebeurtenis waarin wij enkel gelijk hadden en de wereld ongelijk. Het debat over de lessen van de Holocaust holt de betekenis daarvan uit en leidt tot het kuddegedrag om dat thema uit te buiten. Het is verbazend en beangstigend dat dit vooral de onwetendheid in de hand werkt: hoewel tienduizenden middelbare scholieren naar de kampen in Polen reizen, daarvoor de nodige voorbereiding ondergaan, de Holocaust als verplicht examenvak krijgen voorgeschoteld en jaarlijks de Holocaust Dag beleven kent men nog altijd niet de feiten, noch de essentiële betekenis van de gebeurtenis.

Toen een jonge kolonist het nummer op zijn arm uitlegde met “men kon het getto ook alleen maar in en uit met een nummer op de arm” (bron: Yedioth Ahronoth van 15 juli 2005) was dat voor Yablonka geen incident. Voor een generatie jongeren lijkt de vergelijking van de Joodse kolonisten met de slachtoffers van de Holocaust een tweede natuur. Het zijn mensen die de feiten niet kennen en door de nadruk op de gruwelijke "technische" details van de Holocaust in het onderwijs worden gevoed door de “pornografie van de Holocaust”. Voor Yablonka moet dat te denken geven, maar het Ministerie van Onderwijs ziet het probleem niet. Yablonka bepleit een heroverweging van de reizen naar Polen, het lesmateriaal, de Holocaust Dag en de retoriek van de Israëlische leiders. Indien de vergelijking opgaat, en het juist is dat overlevenden financieel werden gecompenseerd en voor redelijke vervangende huisvesting werd gezorgd, was de Holocaust dan echt zo verschrikkelijk, zo vraagt Yablonka zich af. Waar kunnen wij als nakomelingen ons nog op beroepen als de mensen met de nummers op hun arm en de herinnering in hun geheugen gegrift, niet meer onder ons zijn? Aan dat bewustwordingsproces moet worden gewerkt, juist nu de overlevenden verdwijnen en er mensen opstaan die de Holocaust verdraaien.

In zijn recent artikel “Studying details of Shoah has no educational value” in Haaretz treedt Or Kashti de stellingen van professor Yablonka bij. Waarna Haaretz er in een commentaarstuk op wijst dat Likud onderwijsminister Gideon Sa'ar, net als zijn voorgangers, heeft getracht het geschiedenisonderwijs te beïnvloeden in het voordeel van zijn ideologie. Vorig jaar moest de term Nakba (catastrofe, de verdrijving en onteigening van honderdduizenden Palestijnen in 1948) uit de geschiedenisboekjes worden geschrapt, en de “ontsloten steden in de periferie” meer aandacht krijgen. Een beleid dat professor Yablonka fel bekritiseert. Bij de 62e verjaardag van de onafhankelijkheid moet Israel toch kunnen omgaan met een volwassen voorstelling van zijn geschiedenis in de schoolklas, aldus Haaretz. Tenslotte wijst Haaretz columnist Gideon Levy op het hypocriete, valse en deprimerende beeld van de wereld dat wordt gecreëerd door de hetzes tegen allerlei landen, instellingen en mensen, van Turkije tot Zweden, van het Hooggerechtshof tot de media, van Richard Goldstone tot Barack Obama. De Israëlische patriot is geen schurk, hij is alleen maar gehersenspoeld, aldus Levy, die daarmee tot dezelfde conclusie komt als Ilan Pappe: de mentaliteit in Israel moet veranderen.

zaterdag 19 juni 2010

Hoe kijkt de wereld aan tegen het nieuwe Turkije?

Sinds het debacle rond het Gaza hulpkonvooi en het Turks-Braziliaans initiatief rond het Iraanse nucleaire programma wordt Turkije met argusogen gevolgd. MO wijst op het offensief van haviken in de VS, waarbij zelfs stemmen opgaan om Turkije uit de NAVO te zetten. Zo wijst het Joods Instituut voor Nationale Veiligheid (JINSA) - dat wordt bestuurd door neoconservatieve zwaargewichten die achter de invasie van Irak zaten, zoals Richard Perle, James Woolsey en John Bolton - erop dat Turkije als NAVO-lid inlichtingen krijgt die met terrorisme en Iran te maken hebben. En de neoconservatieve Wall Street Journal (WSJ) opent bijna dagelijks het vuur op Turkije. De krant spreekt over “een diepgewortelde haat tegenover de Joodse staat, opvallende sympathieën voor radicale regimes … en een houding tegenover extremistische groeperingen … die aan medeplichtigheid grenst”. In opiniebijdragen werden premier Erdogan en buitenlandminister Davutoglu “demagogen” genoemd die “de ergste elementen in hun eigen land en in het Midden-Oosten aanspreken”. Professor Eliot Cohen van de Johns Hopkins University vat het als volgt samen: “… hebben van Turkije een staat gemaakt die vaak ronduit vijandig is, niet enkel tegen Israël maar ook tegen Amerikaanse doelstellingen en belangen”.

Robert Pollock maakt het wel heel bont. Zo meent hij dat de Turkse vredesactivisten in de Israëlische troepen die hun schip aanvielen "de wederopstanding van de SS van Hitler" zagen. Hij schrijft dat de Turkse gang van zaken de laatste jaren neerkomt op “nationaal verval in krankzinnigheid” en suggereert dat de Turkse overheid de berichtgeving sterk censureert, “waarbij in vergelijking Italiaanse communisten rechts lijken”. Toen het VS-leger begin 2003 de toegang tot Irak vanuit het noorden werd geweigerd zwegen de Turkse media daar zedig over, zo klaagt Pollock. "Maar de lezers kregen wel voortdurend verhalen opgedist over verzonnen gruwelen die door VS troepen in Irak zouden zijn begaan, vaak met de suggestie dat zij optraden als vechtmachine voor de Joden". Pollock haalt nog enkele “feiten” aan en concludeert dat het “geen overdrijving [is] dat zulk antisemitisch voer sinds het Derde Rijk niet meer is opgediend aan het massapubliek”. En in één adem stelt de WSJ redacteur dat Turkije “geen geloofwaardige oppositie [heeft] sinds de corrupte seculiere partijen in 2002 het van Erdogan verloren”. Ook het feit dat Erdogan één van de eerste wereldleiders was die het Hamasbewind in Gaza erkenden zit Pollock dwars, juist omdat dezelfde Erdogan “Israel namens Hamas provoceert”. Om te besluiten met: “[de Turkse leiders] zijn demagogen die een beroep doen op de slechtste elementen in eigen land en in het Midden-Oosten”.

Efraim Inbar, directeur van het Begin-Sadat (BESA) Centrum voor Strategische Studies in Israel, schrijft in The Australian een scherp opiniestuk, waarin hij de Turkse premier Tayyip Erdogan ervan beschuldigt af en toe antisemitische uitspraken te doen. Volgens Inbar bekoelden de relaties tussen Ankara en Israel vooral na de Gaza oorlog van begin 2009, terwijl recent “het feit dat Washington een zwakke president heeft die hartelijke betrekkingen met de Moslimwereld - ten koste van Israel - benadrukt, moedigt Turkije aan om afstand te nemen van de Joodse staat”. En, zo gaat Inbar verder, “de vijandige houding van Turkije jegens Israel wijkt af van die van het Westen jegens Hamas. Turkije groeit ook naar Syrië toe, dat anti-Amerikaans is, en richting het Iraanse kamp. Het kondigde aan dat het geen sancties tegen Iran zou steunen en heeft samen met Brazilië gepoogd Iran te verlossen uit zijn benarde diplomatieke positie wegens zijn nucleaire programma. Turkije heeft ook de banden aangehaald met Rusland, dat de rol van de VS op het wereldtoneel wil beteugelen”. En met de verzuchting “de hoop op verandering is niet gebaseerd op de mogelijkheid van een militaire coup” denkt Inbar terug aan het leger, “dat de seculier-democratische aard van het bewind in de grondwet heeft verankerd, [maar] zijn positie de laatste jaren heeft zien verzwakken“. Inbar spreekt het vermoeden uit dat “Erdogan de relatie met Israel heeft laten verslechteren om publieke steun te verwerven nu hij er in de peilingen zo slecht voorstaat”. Waarna hij afsluit met de woorden dat “alleen de Turken hun toekomst kunnen bepalen” en met goed gevoel voor drama dat de “strategische gevolgen voor een anti-Amerikaans Turkije verstrekkend zullen zijn”.

Dat Turkije wel degelijk vrijheid van meningsuiting kent blijkt uit een kritisch artikel van Semih Idiz in de Turkse krant Hurriyet, dat het in België verschijnende Joods Actueel gretig aanhaalt. Idiz beschuldigt Erdogan van populisme en het uitmelken van de Marmara crisis voor electorale doeleinden. De AKP zou oppositie duchten van de People's Party (CHP) en concurrent-Islamitische partij SAADET. Idiz wijst er wat zuur op dat de internationale successen van de AKP vooral te danken zijn aan voorbereidend werk van de regering Ecevit. In een lezersreactie merkt Mehmet koeltjes op dat elke Turkse regering zich in zijn buitenlands beleid onafhankelijker zal opstellen, ook ten opzichte van grootmacht Amerika. Mehmet wijst tevens op de “kruistocht” van de VS in Pakistan, Afghanistan, elders in het Midden-Oosten en de rest van de wereld.

Het feit dat sommige media zo inhakken op Turkije duidt erop dat men de ontwikkeling met lede ogen aanziet. De Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten neemt af, het machtsevenwicht verschuift in het voordeel van Turkije en Israel raakt steeds verder geïsoleerd. Laten wij het dus maar houden bij de analyse van John Feffer zoals verwoord in het artikel “Hoe ver reiken de ambities van Turkije?” (Geopolitiek in perspectief, 18 juni 2010). De geopolitieke veranderingen in het Midden-Oosten zijn niet te stuiten, of Turkije nu een Islamitische regering heeft of een seculiere.

vrijdag 18 juni 2010

Hoe ver reiken de ambities van Turkije?

In een opmerkelijk essay vraagt John Feffer, topman van de Amerikaanse denktank Foreign Policy in Focus aandacht voor Turkije, de 17e economie ter wereld, gelegen op het kruispunt van Europa, het Midden-Oosten en Centraal Azië en zelfbewust genoeg om te bemiddelen in conflicten. Door Turkse tussenkomst werd een doorbraak bereikt in de nucleaire crisis met Iran. Ankara steunde het hulpkonvooi dat de blokkade op Gaza wilde doorbreken. Initiatieven waarmee Turkije uit de schaduw treedt, op weg naar een prominente plaats op het wereldtoneel. Een nieuw-Ottomaans vuur beheerst Turkije. Ooit gedomineerd door het leger, ontwikkelt het zich binnen de rechtsstaat tot een moderne Islamitische democratie. Het breekt met een halve eeuw onderdanigheid aan de VS en schept zijn eigen geopolitieke rol.

Sinds Ataturk het land in 1924 wakker schudde speelde het leger de eerste viool. In 1997 greep het nog de macht en leek het land terug te glijden naar de toestanden van weleer: oorlog met de Koerden, spanning met Rusland over Tsjetsjenië, ruzie met Griekenland over de Egeïsche Zee, en bijna oorlog met Syrië dat de Koerdische separatist Ocalan onderdak verleende. Maar die coup bleek een laatste amechtige poging om de onstuitbare politieke en economische ontwikkeling onder controle te brengen. Al snel gaven de militairen zich gewonnen, om in 2002 plaats te maken voor de op de Islam geïnspireerde Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij (AKP), die na de verkiezingen van 2007 zijn machtsbasis nog kon versterken.

Tot voor kort lag Turkije nog moeilijk bij de landen die ooit tot het Ottomaanse rijk behoorden. Maar de AKP kon met een charme-offensief de wrok wegnemen. Het zag het nut van een “stille opkomst” in een tijd van Amerikaanse dominantie. Buitenlandminister Davutoglu kondigde een “nul problemen” politiek met de buurlanden af en kon zo een Turkse invloedssfeer opbouwen. Turkije maakte duidelijk zich niet te zullen bemoeien met binnenlandse aangelegenheden van de partners. Het herstelde de relaties in de regio en sloot vriendschappen elders. De detente met Koerdistan in Irak ging samen met betere relaties met de Koerdische bevolking. Er kwam een Koerdisch TV station en een Koerdische faculteit aan een universiteit. Allemaal moeilijk te verkopen aan de Turkse nationalisten. Zo verbood een rechter de Koerdische partij en voerde het leger aanvallen uit op PKK doelen in Irak. Maar de AKP blijft hervormingen doordrukken, waaronder een grondwetswijziging waarmee militairen voor een burgerlijk hof kunnen worden berecht. Het uitschakelen van “interne vijanden” staat hoog op de agenda. Zo neemt de politieke stabiliteit toe en vergroot de kans op het EU lidmaatschap.

Turkije maakt geen geheim van zijn mondiale ambities. De banden met Griekenland, Armenië, Syrië, Rusland en Iran werden aangehaald. Bevriend met iedereen en aanvaard als belangrijke regionale speler kan Turkije als bemiddelaar optreden, zelfs waar het recent nog persona non grata was. En niet alleen in de regio. Met Brazilië ontwierp het een verrassend compromis rond het Iraanse nucleaire programma. En met Spanje werd binnen de VN de “Alliantie der Beschavingen” gelanceerd om bruggen te slaan tussen de Islam en het Westen. Turkije spande zich in voor opheffing van de blokkade op Gaza, maakte de weg vrij voor de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Irak, bracht Syrië en Israel rond de tafel, loste de heisa rond de Deense Mohammed cartoon op en organiseerde VN vergaderingen over Somalië. Tijdens de regering Bush wist Turkije het evenwicht te bewaren. En ook nu zijn er spanningen rond de Armeense genocide. Washington kijkt met argusogen naar de groeiende rol van Turkije in het Midden-Oosten. Vooral de toenadering tot Syrië steekt. Turkije moet dus listig handelen om als NAVO lid te concurreren met de Amerikaanse macht in de regio. Turkije blijft een belangrijke partner van de VS, maar tegelijk probeert het zijn voordeel te doen met de afnemende invloed van de VS in de wereld.

Dé uitdaging voor Turkije is de relatie met Israel. Met de Gaza oorlog van 2009 en de botsing tussen Erdogan en Peres in Davos begon een proces dat de voormalige bondgenoten uit elkaar trekt, maar toenemende Arabische steun voor Turkije oplevert. Gezamenlijke militaire oefeningen werden afgelast en lucratieve wapencontracten raakten op losse schroeven. Met het debacle rond het Gaza konvooi lijkt de kloof onoverbrugbaar. Nu Israel zich steeds verder isoleert en Amerikaanse bemiddeling in opspraak raakt komt Turkije versterkt uit het verschuivend regionaal machtsevenwicht. Het zou wel eens de enige macht kunnen zijn die vrede in het Midden-Oosten tot stand kan brengen. Europese leiders als Nicholas Sarkozy zijn tegen Turkse toetreding tot de EU en de Islamfobie zwakt het enthousiasme voor Turkije af. Ook in Turkije neemt de publieke steun voor toetreding af. De Turkse toenadering tot het Midden-Oosten, Centraal Azië en Noord Afrika is deels een reactie op de geslonken EU optie. Een initiatief dat oplevert. Zonder eigen energiebronnen is Turkije erin geslaagd een maximaal aantal olie- en gasleidingen over zijn grondgebied te krijgen. En de Turkse cultuur sijpelt via TV-series die de moderne Islam uitdragen door in het Midden Oosten.

Voor sommige critici duidt de confrontatie met Israel erop dat Turkije bezig is het Islamitische kalifaat te herstellen. Zo meent Midden-Oosten historicus Bernard Lewis dat het Turks fundamentalisme uitgroeit tot het niveau van Iran, zelfs nu het duidelijk is dat de Isla-mitische Republiek zich in omgekeerde richting beweegt. Een elementaire misinterpretatie van de AKP en zijn intenties. Het Islamisme in het hedendaagse Turkije heeft zowat evenveel invloed als het communisme in China. Het gaat deze landen niet om de ideologie, maar om de macht van de partij. Bill Clinton zei in 1999 dat de 21e eeuw “Turkije’s eeuw” kon worden als het hervormingen doorvoerde. Nu Turkije dat advies heeft gevolgd staan Europa en de VS voor de keus. Met Turkije als partner slaagt de VS er eerder in het conflict met Iran, de Iraakse binnenlandse problematiek, het Israel-Palestina conflict en de sluimerende conflicten elders in de Moslimwereld op te lossen. Met het economisch dynamisme en de nieuwe mondiale geloofwaardigheid van Turkije aan boord kan de verstarde EU ontwaken. In beide opties ziet John Feffer de Turkse invloed in de wereld toenemen.

woensdag 16 juni 2010

Unloose the Gordian Knot in the Levant

(article by guest author Samir Orfali)

A message to geo-strategic pressure lines of Iran: remember the tale of the Gordian Knot. A bold move by Israel’s Prime Minister Binyamin Netanyahu, or a ‘diplomatic stroke’, could reverse Iran’s approach and indeed re-establish US leverage in the region.

On an occasion in April, Syria's President Bashar Al-Assad criticized US policies on Iraq, namely, by calling the invasion "misguided" and going into detail by pointing out that the ensuing vacuum had been filled by Iran's delicate network of proxies and alliances that form a "Gordian Knot" today. The ancient myth of the "Gordian Knot" describes Alexander the Great, who after finding no end to the knot cut it with one stroke to become king of Asia Minor.

On the macro level, the main threats to NATO interests in the area are a) an Israeli attack on Iranian nuclear installations that would set the region ablaze and, in the worst-case scenario, would force the US out of the region and b) a new crisis, such a deepening of the Israeli-Islamic rift fuelled by the humanitarian situation in Gaza and dominated by a self-declared Islamic party, such as Hamas and its sponsor "The Muslim Brotherhood" today. Religion-based politics have increasingly challenged US policies in the Islamic world because of domestic dividends as well as the geo-strategic self-interest of the respective players. The urgency of both dead-end scenarios a) and b) has been intensified as well by Syria as Israel:

• Syria, increasingly courted and protected by China's Silk Road approach to the region, faces allegations that say it delivered Scud missiles to Hezbollah, a charge Damascus vehemently denies. Nevertheless, even rumours of one-ton payload in the hands of Hezbollah continue to puzzle Israel in the wake of the 2006 war, and force its government to act. Hezbollah-rockets that could hit Tel-Aviv shorten Israel's fuse on a direct assault on Iran significantly.

• Israel, witnessing ultra-right currents among its ruling coalition, issued a military order allowing its military to deport or imprison tens of thousands of Palestinians of the West Bank. Therefore fears of a third Nakba (Catastrophe) arise in Jordan, a staunch NATO ally. Jordan worries that additional Palestinian refugees will flow into the already water-poor country and threaten its delicate tribal Palestinian-Jordanian demographics. Right-wing Islamist currents among Jordan's developing party-system make waves by "remembering" King Abdullah of Jordan and his claim on the Kingdom's "strategic interests" with regard to Jerusalem and "solidarity" with Palestine. Signs of a widening vacuum!

In summary new and old players on the ground, such as China and Iran [see a], and soaring religious currents [see b] after toppling Saddam's regime in Iraq are lethal to NATO interests in the region. The US's main ally in the region, Netanyahu, however, faces a strategic as well as personal quagmire: On the one hand, Labor ministers threaten to quit the coalition if tangible developments on the Peace Process do not occur soon. On the other hand, Netanyahu may loose the support of ultra right wing parties, like Israel Beiteinu and Shas that categorically oppose a settlement freeze.

However, the single solution to bring the peace process back on track, namely, leaving the ultra right-wing parties, would put Kadimas Zipi Livni in a position to challenge his chair. Nevertheless, the clock is ticking to avert both tendencies or at least contain them sufficiently by a) building a stable democracy in Iraq in order to create a publicly perceivable success story after all and, b) appeasing the drums of war, hence supporting secular and potential democratic states and civil societies in the region, such as Israel, Jordan, Lebanon, Iraq, Syria, and Turkey and gaining tangible diplomatic leverage among them. However, Iran needs to be contained as progress on both fronts is determined by Teheran.

Therefore, giving "Richard Nixon goes to China" momentum in the Middle East, like Netanyahu making a surprise visit to Damascus making a peace offer would most likely unravel the "Gordian Knot" that protects Iran's Ahmadinejad today. This would pay the US a handsome dividend by providing credibility to the Obama Administration in the Middle East in general and strengthen its leverage over Iran by containing its influence in Asia Minor. Asking Mr. Ambassador Ford to join Prime Minister Netanyahu at his commencement of work would re-establish the trust of the Israeli public in the Obama Administration and, to a much lesser extent, surprise the Arab public.

By strengthening the resolve of Syria's President Bashar Al-Assad, and allowing him to reform, or even mediate, with regard to Iran and Lebanon, would give Netanyahu the strength to challenge Tzipi Livni in coalition talks. The new coalition between Kadima, Labour and Likud could have the Chuzpe to implement a policy based on the Arab Peace Initiative, such as full withdrawal to the 1967 cease fire line and a compromise settlement with the Palestinians in the diaspora.

Samir Orfali is a student of Economics at the University of Hagen based in Amman, Jordan / Damascus, Syria and Berlin. He co-moderates the Forum Liberal und International and the Syrian Business Club at Xing.

dinsdag 15 juni 2010

Waarom Israel in de crisis rond het hulpkonvooi voor geweld koos

Het militarisme waarmee de Israëlische samenleving is doordrenkt, de manipulatie van de publieke opinie, de noodzaak van een mentaliteitsverandering en de naïviteit van de internationale gemeenschap, dat zijn de punten die Ilan Pappe aanvoert ter verklaring van het agressieve optreden van Israel tegen het hulpkonvooi naar Gaza. De Britse Midden-Oosten deskundige Patrick Seale benadert de zaak vanuit geopolitieke hoek en wijst op de twee veiligheidsdoctrines die de Israëlische leiders volgen. Eén tegen de Palestijnen, en één tegen Israëls tegenstanders in het Midden-Oosten: Iran, plus diens Arabische bondgenoten Syrië, Hezbollah en Hamas. De strategie van Israel tegen de Palestijnen is bekend: vanaf het begin van het Zionistische project heeft het hen willen verslaan en verjagen. Sinds de oorlog van 1967 is het nederzettingen-beleid onder Israëlische regeringen van elke politieke kleur met kracht voortgezet.

De hunkering naar een Groot-Israel tussen Jordaan en Middellandse Zee beperkt zich niet tot messiaanse fanatici en ultrarechtse nationalisten, maar bestaat vandaag op ruimere schaal dan ooit. Om zijn expansionistische ambities te realiseren is Israel altijd serieuze onderhandelingen met de Palestijnen uit de weg gegaan, waarmee het kon voorkomen veroverd land te moeten teruggeven. Israel haat gematigde Palestijnen die, zoals Mahmoud Abbas, de onfortuinlijke president van de Palestijnse Autoriteit, bereid zijn te onderhandelen. Het heeft liever te maken met Palestijnse radicalen als Hamas, met wie onderhandelingen gewoon niet mogelijk zijn. Een maar al te bekend deuntje legt het spelletje bloot: “Hoe kan men nu onderhandelen met iemand die je wil doden?”

Men moet de Israëlische aanval op het hulpkonvooi zien als een poging om de Palestijnen te radicaliseren. Zo krijgt Israel de kans de indirecte onderhandelingen waar George Mitchell, de Midden-Oosten afgezant van president Barack Obama, zich zo voor inspant, nog voor die zijn begonnen te kelderen. En zo komt Mahmoud Abbas onder grote druk om zich terug te trekken, of het risico te lopen door de ontvlamde Palestijnse en Arabische publieke opinie te worden afgeschilderd als verrader. Israel rekent erop dat de storm snel gaat liggen, zodat weer veel tijd is gewonnen voor verdere expansie. Net als de bloedige Gaza oorlog zal deze zaak wel snel in de vergetelheid raken. Intussen duurt de belegering van Gaza voort en blijven de Palestijnen verdeeld. De internationale gemeenschap raast en tiert, maar doet uiteindelijk niets en Israel kan gewoon zijn nederzettingen blijven uitbreiden. Ongetwijfeld speculeert premier Benyamin Netanyahu erop dat president Obama geen vuist maakt voor de verkiezingen van november of zelfs daarna als de democraten verliezen.

De Zionistische veiligheidsdoctrine lag al vast voor de stichting van de staat Israel door David Ben-Gurion, de eerste premier. Om zijn veiligheid en overleving in een vijandige omgeving te garanderen moest Israel militair de baas van de regio zijn, sterker dan welke coalitie van tegenstanders ook. Israel mag zich nooit zwak tonen en nooit nalaten om op elke uitdaging krachtig te reageren, zelfs als die wordt gesteld door ongewapende pro-Palestijnse vredesactivisten. “Nooit meer!” is de slagzin van een strijdlustige en onverstoorbare Joodse staat. Om zijn militaire heerschappij over de regio te behouden zette Israel - met inzet van zijn handlangers in het Pentagon en rond de vicepresident - Amerika in 2003 tot oorlog aan met Irak, waarbij het ongegeneerd de bewijzen vervalste dat Irak beschikte over massavernietigingswapens. Vanuit Israëlisch - en mogelijk ook Amerikaans - standpunt was de oorlog een succes omdat die elke Iraakse dreiging tenminste een generatie lang had tenietgedaan.

Vandaag ziet Israel in Iran zijn belangrijkste bedreiging. Als het de Iraanse nucleaire installaties aanvalt wil het zeker zijn dat Amerika meedoet, het werk afmaakt en Israel beschermt tegen elke tegenactie. Om zich van die Amerikaanse steun te verzekeren moet het zich vastberaden tonen om elke bedreiging van zijn suprematie, hoe nietig ook, de kop in te drukken. De aanval op het Gaza konvooi moet daarom misschien worden gezien als politieke en psychologische voorbereiding voor een aanval op Iran. In Netanyahu’s denktrant, en ook in die van Obama, sluit de strijd van Israel met de Palestijnen aan op het geschil met Iran. Voor Netanyahu natuurlijk een uiterst riskante en kostbare strategie. Israel ligt nu overhoop met een groot deel van de wereld. De haat tegen de Joodse staat neemt toe, en niet alleen onder Moslims, wat gepaard gaat met de onvermijdelijke dosis antisemitisme. De “ontwettiging” van Israel - waar veel Joodse intellectuelen in de VS en Europa zich zorgen over maken - zal alleen maar toenemen.

Israel zal wel zwichten onder de internationale druk en de belegering van Gaza opheffen. Egypte komt onder druk van zijn bevolking om de betrekkingen met Israel te verbreken. De Egyptische president Husni Mubarak, die door veel Arabieren van medeplichtigheid met de blokkade van Gaza wordt beschuldigd, liet de Rafa grensovergang al openstellen voor hulpgoederen. Jordanië, dat goede relaties met Israel onderhoudt, zou ook gedwongen kunnen worden om zich van Israel te distantiëren. En ook Turkije, ooit Israëls bondgenoot, behoort nu tot het vijandige kamp. Dat is de zwaarste prijs die Israel moet betalen voor de gewelddadige onderdrukking van de Palestijnen, voor zijn honger naar land en zijn buitensporige regionale ambities. De crisis is uitgegroeid tot een strijd om regionale hegemonie tussen Israel en Turkije. Ter illustratie wijst Patrick Seale op de uitspraak van de rechtse Israëlische commentator Mordechai Kedar op Ynet vorige week: “Wie is de baas in deze regio?... De macht van het Ottomaanse Rijk, dat er opnieuw naar streeft de lakens uit te delen in het Midden-Oosten ... moet aan de kust van Gaza de kop worden ingedrukt”.

Ook de VS zal een zware prijs moeten betalen voor het agressieve gedrag van Israel. Zijn moeilijke bondgenoot is een last geworden. Ziedaar Obama’s dilemma. Als hij Israel het vuur aan de schenen legt, wat hij ongetwijfeld graag doet, loopt hij binnenlandse politieke schade op. Treedt hij niet op, dan beschadigt hij zijn reputatie in het buitenland. Blijft de vraag of de internationale crisis zal leiden tot een binnenlandse crisis in Israel. Het is niet uitgesloten dat de Israëlische publieke opinie, verontrust door de wereldwijde vijandige reacties en bang om de Amerikaanse steun te verliezen, in opstand komt tegen de onverzoenlijke en gevaarlijke politiek van Netanyahu. Die zou wel eens tot aftreden gedwongen kunnen worden en nieuwe verkiezingen onder ogen moeten zien. Een uitkomst waar Obama misschien om bidt.

maandag 14 juni 2010

Wat bezielt Israel?

In een wereld waarin kritiek op Israel gemakkelijk wordt verguisd publiceert een dappere heraldscotland het artikel “What drives Israel” van Ilan Pappe, de in Israel opgegroeide professor geschiedenis aan de Britse University of Exeter en auteur van o.a. "The Ethnic Cleansing Of Palestine". Pappe meent dat de Israëlische verontwaardiging misschien het verbluffendste aspect aan de zaak van het hulpkonvooi naar Gaza is. Deze verontwaardiging, die in de Westerse media nauwelijks aan bod komt, uitte zich in marsen ter ere van de "moedige" commando’s en door demonstraties van scholieren tegen “de nieuwe golf antisemitisme”. Pappe draagt drie factoren aan die aan de basis liggen van dit fenomeen.

De eerste factor is de gedachte dat wat ooit Palestina was nu - op grond van heilig en onweerlegbaar recht - aan het Joodse volk toekomt. Misschien is dit recht niet absoluut, maar de droom is niet opgegeven. Elke afwijzing van een Israëlisch voorstel wordt dus gezien als ondankbaarheid jegens de "enige democratie in het Midden-Oosten”. Beschaafd gedrag wordt beantwoord met vijandschap, zo wordt gedacht. In alles wat de wereld tegen Israel onderneemt ziet men antisemisme. Het beeld is dat de Palestijnen de beschaafde Joden enkel verwierpen omdat ze Joden waren, niet wegens de diefstal van land en water, de deportatie in 1948 van de halve Palestijnse bevolking, de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en recent de blokkade van Gaza. Vandaar de gedachte dat enkel geweld een halt kan toeroepen aan de Palestijnen, "die uit zijn op de vernietiging van Israel".

De tweede factor is het vermeende Islamitische plan om het Joods geloof en de Joodse natie te vernietigen. Een fobie die als feit wordt gepresenteerd en voortdurend gevoed en gemanipuleerd door Joodse academici. De meeste Israëlische Joden informeren zich via de traditionele media die de feiten verzwijgen. Men is niet op de hoogte van de etnische zuivering van 1948, met alle ellende voor de Palestijnen van dien. En men weet niets over 40 jaar systematische schending van de rechten van miljoenen mensen door zijn eigen overheid. De rapporten over de erbarmelijke toestand in de Gazastrook kent men al helemaal niet. Wat men kent is het beeld van een land dat wordt aangevallen door fanatieke antisemieten. Onze elitecommando’s worden niet ingezet tegen ongewapende mensenrechtenactivisten, zo denkt men.

Pappe, die als Joods-Israelisch historicus onderzoek deed naar de gebeurtenissen in 1948, wijst op manipulatie van de geschiedschrijving. Niet overtuigd van de officiële uitleg over de aanval op Libanon in 1982 en het Israëlische Intifada optreden in 1987 wees hij de ideologie van zijn land van de hand. De prijs die hij moest betalen was voorspelbaar: veroordeeld en verbannen. Pappe gaf zijn positie als hoogleraar aan de universiteit van Haifa op en vertrok naar een leerstoel in Engeland, waar opvattingen die in Israel als landverraad worden bestempeld vrijwel unaniem worden gedeeld. Pappe schrijft zijn “bekering” toe aan zijn contacten met Palestijnse intellectuelen en zijn post-doctorale studies in Groot-Brittannië.

Israel is in veel opzichten een Pruisische kolonistenstaat. Een koloniaal beleid, gekruid met militarisme. Dat is het derde aspect om het Israëlische antwoord op het hulpkonvooi naar Gaza te kunnen begrijpen. Het leger domineert het politieke, culturele en economische leven. Defensieminister Ehud Barak was ooit commandant van een militaire eenheid - identiek aan die welke het konvooi aanviel - waarin ook Benjamin Netanyahu, nu eerste minister, diende. Belangrijke achtergrondinformatie om het Zionistische antwoord op de "ernstige dreiging" van het hulpkonvooi te kunnen begrijpen. Misschien moet men in Israel geboren zijn om de militaristische mentaliteit te kunnen begrijpen, en het feit dat de internationale gemeenschap op een verkeerd spoor zit. Want met meer Palestijnse concessies komt er geen oplossing voor het territoriale conflict.

De gedachte dat een uiterste inspanning kan leiden tot een twee-staten oplossing is naïef. De oplossing die Israel voorstaat is voor de Palestijnse Autoriteit noch voor Hamas aanvaardbaar: enclaves in ruil voor beëindiging van de strijd voor een eigen staat. Of men nu voor een één- of twee-staten oplossing kiest, de mentaliteit zal moeten veranderen. Men moet 60 jaar geschiedenis onder ogen zien. Sinds 1948 hebben de Palestijnen zich verzet tegen de etnische zuivering van hun land. De helft werd het land uitgezet, 80% van hun geboorteland ging verloren en in 1967 nog eens 20%. Zonder de vastberaden Palestijnse nationale beweging zou Israel het historische Palestina helemaal hebben ingenomen en de Palestijnen naar de vergetelheid verbannen.

Een mentaliteit veranderen vergt opvoeding en voorlichting. Er zijn groeperingen in Israel die deze weg al zijn ingeslagen. Maar intussen moet de blokkade van Gaza worden opgeheven. Israel zoekt voortdurend zijn limieten op. Dat kan tot een nieuwe oorlog leiden, met alle risico's voor de stabiliteit van de wereld van dien. Dat het Westen kan optreden bewijzen de sancties tegen Zuid-Afrika en Servië. Druk op Israel kan de boodschap overbrengen dat zijn handelwijze onaanvaardbaar is voor een wereld waar Israel graag toe wil behoren. De wereld moet Israel de weg te wijzen naar normalisering en erkenning, in ruil voor afstand van zijn praktijken. Terugtrekking van het leger uit bezet gebied, opheffing van de blokkade van Gaza en opschorting van de discriminerende wetgeving tegen de Palestijnen zijn belangrijke stappen op weg naar vrede. Maar ook het vraagstuk van de Palestijnse vluchtelingen moet op de agenda. Wie hiertoe het initiatief neemt verdient de steun van de internationale gemeenschap en van de bevolking tussen Jordaan en Middellandse Zee.

Tot hier een samenvatting van het indrukwekkend essay van Ilan Pappe, waarvan de essentiële boodschap is dat de mentaliteit in Israel moet veranderen. Maar die boodschap geldt evenzeer “grote broer” VS, waar de machtige Israel lobby een juiste oordeelsvorming verhindert, en voor Europa, met permanente Veiligheidsraadleden Groot-Brittannië en Frankrijk voorop. En, waarom niet, voor gidsland Nederland, groot maar o zo blind verdediger van Israel.

vrijdag 11 juni 2010

Komt Israel met het incident op zee ongestraft weg?

De gewelddadige aanval van Israel op het hulpkonvooi naar Gaza op 31 mei is wereldwijd vrijwel unaniem veroordeeld. Men kan nu eenmaal moeilijk zeeroverij in internationale wateren verdedigen, zeker als daar doden en gewonden bij vallen. Het disproportionele geweld dat bewust werd uitgeoefend leidt wereldwijd terecht tot verontwaardiging. En tot de vraag: ”moet Israel een prijs betalen voor deze bloedige overval?” Ondanks alle internationale verontwaardiging en ondanks de gehavende relaties met Turkije en de Arabische wereld is het antwoord op deze vraag volgens Alain Gresh op Le Monde Diplomatique naar alle waarschijnlijkheid: “nee”.

De Veiligheidsraad kwam niet verder dan een Verklaring van de Voorzitter waarin wordt aangedrongen op een “onafhankelijk en onpartijdig” onderzoek, maar het woord “internationaal” zorgvuldig mijdt. De VS deed er alles aan om de tekst zoveel mogelijk af te zwakken. En Catherine Ashton, de Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlandse Beleid van de EU, eiste in een schriftelijke verklaring wel “een onpartijdig onderzoek”, maar voor de TV voegde zij daar onmiddellijk aan toe “door Israel”. En zo kan Israel dat onderzoek dus zelf uitvoeren, wat natuurlijk tot niets leidt. De verklaring van de Veiligheidsraad roept wel op tot opheffing van de blokkade van Gaza, maar dat betekent slechts een herhaling van de drie jaar geleden unaniem aangenomen Resoluties van de Veiligheidsraad die nooit werden uitgevoerd. Een maat voor niets dus.

Het is hartverscheurend te zien hoe Israel door zowel de VS als de EU in koor wordt beloond voor zijn onverzoenlijkheid. Toen het onlangs lid mocht worden van de OESO vierde de Israelische premier die mijlpaal met een triomfantelijk bezoek aan Parijs. Heeft de toelating tot de OESO voor hem gefungeerd als het groene licht voor de aanval van 31 mei? Eind 2008 werd de relatie tussen de EU en Israel opgewaar-deerd tot een status die alleen grote mogendheden toekomt. En twee weken later schond Israel de wapenstilstandsovereenkomst met Hamas en viel het Gaza binnen. Ook hier kan men zich de vraag stellen of het EU besluit niet als het groene licht fungeerde.

Hoe het ook zij, de Israelische aanval op het hulpkonvooi blijft niet zonder gevolgen. Wereldwijd groeit het beeld van Israel als een land dat zich buiten de wet stelt. Israel verliest in Turkije zijn machtigste bondgenoot in de moslimwereld. En de gematigde Arabische landen voelen zich in hun vredesstrategie door Israel geschoffeerd. Het feit dat Egypte onmiddellijk de Rafah grensovergang opende luidde voor die landen de alarmbel. Maar of ze daar verdere conclusies aan verbinden valt te betwijfelen. Veel zal afhangen van de reactie van de bevolking.

Sommige internationale media houden het bij een Israelische “blunder” en het verslechterend imago van het land. Het Nederlandse NRC Handelsblad, dat in zijn beginselverklaring fier meldt dat het aan kwaliteits-journalistiek doet en het “achterhalen en duiden van de waarheid” en het ”[bijdragen] aan de onafhankelijke controle van de macht” als haar taken ziet, is hier een schrijnend voorbeeld van. Maar hoe verachtelijk de aanval op het hulpkonvooi ook was, al te gemakkelijk wordt vergeten dat de blokkade van Gaza de echte oorlogsmisdaad is. Het staat vast dat Israel slechts mondjesmaat goederen naar Gaza doorlaat. In april passeerden nog geen 3.000 vrachtwagens de grens, terwijl dat er, voor de machtsovername door Hamas juni 2007, gemiddeld 12.000 per maand waren. Gaza ontvangt dus maar 25% van wat het nodig heeft. Wijlen premier Yitzhak Rabin heeft ooit gezegd dat hij ervan droomde Gaza te zien wegzinken in de Middellandse Zee. Welnu, internationale veroordeling of niet, met Gaza gaat het volgens Alain Gresh die kant op.

Phyllis Bennis denkt daar anders over. Die roept op tot aanhoudende druk om de door de VS gesteunde Israelische blokkade van Gaza te doorbreken. Volgens Bennis zal de bloedige aanval op het hulpkonvooi de geschiedenis in gaan als het omslagpunt in wat VN mensenrechtenrapporteur Richard Falk “Israels strijd om legitimiteit” noemt. Een strijd die Israel nu toch wel heeft verloren, aldus Bennis, die aandringt op een internationaal onderzoek, stopzetting van de gigantische Amerikaanse militaire steun aan Israel en vervolging van de Israelische militaire en politieke leiders. Zolang regeringen en de VN in gebreke blijven moet de wereldwijde burgermaatschappij tussenkomen met acties gericht op boycot, terugtrekking van investeringen en sancties, om Israel aan te zetten een eind te maken aan de bezetting en zijn apartheidsbeleid. Het tijdelijk verzachten van de blokkade volstaat niet, nu de zaak in beweging is moeten we doordrukken. Voldoende druk vanuit het middenveld kan regeringen aanzetten tot akte. “Zo winnen we de strijd om legitimiteit, die Israel met zijn bezettings- en apartheidsbeleid al aan het verliezen is”, aldus een strijdbare Bennis.

En ook Britse kwaliteitskrant The Independent vindt dat Israel gehoor moet geven aan de wereldopinie en de blokkade moet opgeven. Paul Woodward tenslotte wijst in War in Context op het hysterische geloof in Israel dat het voortbestaan van de Joodse staat voort-durend in gevaar is, wat elke onderhandelde regeling van het conflict blokkeert. Woodward meent dat het de hoogste tijd is dat de Joodse Israeli’s zich de vraag stellen hoe men in deze wereld waardig kan leven als men niet in staat is boven deze angst uit te stijgen. Nooit vergeten en nooit vergeven, ooit een instinctieve leuze gericht op zelfbehoud, is verworden tot een verlammende zelfbeperking. Genezen van - en komaf maken met - het trauma van de Holocaust, dat is toch een nuttige en noodzakelijke opdracht van de Joden aan zichzelf. Kan men dat niet opbrengen, dan wordt de afstand tussen Israel en de rest van de wereld alleen maar groter, waarbij elk gevoel van menselijkheid in dat diepe gat verdwijnt, aldus Woodward.

woensdag 9 juni 2010

Violence between Kuchi-Taliban and Hazara a new cause for concern

(article by guest author Timor Sharan)

The violence in Afghanistan has taken a new dangerous dimension with Taliban using nomad Pashtun-Kuchi as part of their plain to aggravate ethnic tensions between the former and the Hazara community. This issue needs urgent attention from the Afghan government and the international community, lets open conflict between the two groups develop.

In the last weeks, the Afghan media has highlighted intense violence in the centre of the country, where thousands of Hazara villagers have been forced out of their homes. This year, with the help of Taliban and neighbouring Pashtun-districts the Kuchi have forcefully evacuated, according to some estimates, up to 300 Hazara villages, subsequently burning and looting their homes, agriculture lands and administrative buildings. This continuous aggression since 2006 is well reflected in the 2009 United Nations Environment Programme report, which highlighted the "significant loss of [Hazara] life and property. The worst violence has been since 2007 when Kuchi took over administrative offices and hoisted Taliban flags."

The Kuchi-Hazara dispute is around competing rights to use the pastures and watering sites. Its origins is in an edict issued by Amir Abdul Rahman in 1894, which gifted lands throughout Hazarajat (Central highlands) to those Kuchi clans that had assisted him in defeating the rebellious Hazara. In 1927 those land grants were cancelled by King Amanullah who ordered their reissue as use rights confined to high altitude pastures. Hazara were to have secure control of settlements adjacent to grazing lands. However, according to Pashtun custom a community pasture extends only as far as a man' shout extends when he is standing at the last house in the village. This remains the land law today as most recently amended (July 2008).

The Afghan government and international community's unwillingness to resolve this issue has alienated both Hazara and Kuchi communities. Many minorities feel that the government is siding with the Pashtun-Kuchis. This week, the Hazara community in response launched one of the biggest demonstrations across the world - from Kabul to London to Istanbul- and demanded the immediate settlement of this issue. Meanwhile, all 30 Hazara and 10 Kuchi MPs walked out of parliament in protest last week.

As the UNDP 2009 report concluded, the armed conflict has reached a level where it can easily evolve into inter-ethnic conflict that can engage further Taliban and possibly support from a neighbouring country on the side of the Hazara. This should serve as a warning to the international community, which has for so long overlooked the significance of such ethnic tensions. This violence can further fragment the Afghan society, which can bring the country to the brink of civil war like in Iraq. Moreover, this can provide opportunities for local warlords and strongmen to exploit this opportunity to further aggravate the dispute. During the last Hazara protests in Kabul and London, the demonstrators demanded the immediate resignation of the two main Hazara leaders: Khalili, the second vice-president, and Mohaqeq, the leader of Hazara MPs in parliament. These events have coerced these leaders into hard-line positions to show their supporters they are fighting for the rights of their people.

Poorer Hazara and Kuchi who genuinely depend upon pasture access to survive are placed at risk by decisions being made by these power-holders who do not have majority's interests at heart. It is clear that this issue needs urgent and immediate attention. Otherwise, the dispute can become an open conflict between Afghanistan's two main ethnic groups, which can easily bring in outside actors, such as the Taliban or even neighbouring countries.

There is a need for a long term establishment of a community-based approach and pasture-by-pasture resolution process and an immediate resettlement of Pashtun-Kuchis according to Article 14 of the Afghan Constitution.

Timor Sharan is a British-Afghan, holding an MPhil in Development Studies and a BA in International Relations and Politics from British universities. In 2008, he returned to Afghanistan to work for the Afghanistan Research and Evaluation Unit (AREU) on the Mutual Accountability and Aid Effectiveness project and then joined EUREKA Research to co-supervise the UNODC’s 2009 Afghanistan Food Insecurity and Poppy Cultivation Assessment report. The author is currently pursuing a PhD at the University of Exeter (UK) focusing on post-conflict intervention and state-building in Afghanistan.

dinsdag 8 juni 2010

The Israeli Attack on Humanitarian Aid Ships: An EU Perspective

(article by guest author Mustafa Kutlay)

It was reported on Monday, May 31, that the Israeli forces stormed one of the six ships carrying humanitarian aid to Gaza. This operation is a clear breach of international law. The EU should show her unequivocal resistance to the violation of international law by condemning Israel.

Monday, May 31, Israeli forces stormed one of six ships carrying humanitarian aid to Gaza, klling 10 people and wounding many. Since the Israeli officials work hard to avoid any news release, the exact figures are not known by the world media.

The professional Israeli armed forces attacked civilians, who had no guns, no rockets, not even knives. This is a clear breach of the human rights and international law, say many experts. Yet, having taken the past events into consideration, it is not a new thing for Israel.

As everybody followed from the media, on the 8th day of the air and sea strikes in January 2009, Israel sent 20,000 soldiers and hundreds of tanks to ‘annihilate' Hamas. In fact, Israel used collective punishment strategy under the disguise of the Ben Gurionism Doctrine. That is why, it bombed the refugee camps and UN Schools, the places in which too many children and women shelter. As a result many innocent civilians died, many of them wounded. Moreover, the rudimentary infrastructure in the region collapsed.

As a result, the latest attack by Israel military forces was not a surprise for anybody. What should be the real surprise for the world, I think, are the attitudes of international community, especially the EU. The EU in the previous attacks in 2009 showed a reluctance stance and fragmented reaction. Even some officials condemned Hamas unilaterally and straightforwardly rejected Israel's responsibility in killing the civilians. For example, the term presidency of the EU at that time, Czech Republic has tacitly approved the actions of the Israeli soldiers by saying that Israel's actions are "defensive, not offensive. Then, Angela Merkel accused Hamas as the sole responsible of the existing tragedy.

These statements were quite destructive for the credibility and reputation of the EU, because the EC legislation is based on two basic pillars which are proportionality and subsidiarity. While taking any kind of legal action, EU takes these concepts into consideration at first hand. However, regarding the Gaza tragedy, it was the proportionality principle that the Israeli tanks tramped over.

Reactions from the EU

One more time, we have witnessed that the Israeli forces violated the proportionality principle by killing 10 unarmed civilians carrying humanitarian aid, according to latest reports. This time, the attitude of the international community, especially the EU, should be unequivocal. The international community should position itself against Israel's extreme use of military power and should condemn the violation of international human rights. According to recent statements, Catherine Ashton officially condemned Israel on behalf of the EU and extended her sympathies to the families of the dead and wounded and is demanding a full inquiry into the circumstances of how this event happened. German Foreign Minister Guido Westerwelle, French Foreign Minister Bernard Kouchner, and Spain, which holds the rotating EU presidency, also condemned the Israel attacks unequivocally.

This time the EU should continue on the line of the first statements made by the abovementioned leaders. This time the EU should show her unequivocal resistance to the violation of international law by condemning Israel's illegal and unethical military operation.

Mustafa Kutlay is a researcher at the International Strategic Research Organization (USAK) of Ankara, Turkey. A non-partisan, non-profit and non-governmental research organisation established in 2004, USAK is Turkey's foremost source of independent and balanced information on international relations and security issues affecting Turkey and its region.

zaterdag 5 juni 2010

Halve of misleidende informatie over Israel

Zoals in het artikel “Wereldwijde veroordeling van het optreden van Israel” van 1 juni 2010 gemeld sloot NRC (op zijn website) zich - tot het moment van publiceren van dat artikel - niet aan bij de wereldwijde veroordeling. Het kwam niet verder dan het artikel “Irrationele enteractie”. Waarin de krant stelt dat er “eigenlijk geen enkel land ter wereld [is] dat de Israëlische actie niet heeft veroordeeld”, zonder zelf ook een veroordeling uit te spreken. En het woordje “eigenlijk” is er toch te veel aan. Een land dat de actie niet heeft veroordeeld is immers … Nederland! Zie de verklaring van demissionair buitenlandminister Verhagen. Ook de opmerking “... Amerika heeft in de Veiligheidsraad een resolutie gesteund waarin een echt onafhankelijk onderzoek wordt geëist” roept vraagtekens op. Amerika laat zo’n onderzoek immers over aan Israel. De verdachte die zijn eigen (eventuele) misdaden mag onderzoeken. Dat NRC zo’n opmerking plaatst zonder enige kanttekening geeft te denken. En ook tot vandaag krijgt NRC geen veroordeling over de lippen. Al waar het nog mee afkomt is de publicatie van de verklaring de VN Veiligheidsraad over “de Israëlische aanval op het pro-Palestijnse hulpkonvooi voor Gaza”. Opnieuw zonder een standpunt van de krant. Waar kwaliteitskranten Trouw, Volkskrant, De Morgen en De Standaard in redactionele artikelen onmiddellijk de Israëlische actie veroordelen volstaat NRC met achtergrondinformatie en een lauw commentaarstuk waarin het spreekt over “fouten” van Israel en betreurenswaardige imagoschade voor het land.

Wel publiceert NRC 1 juni 2010 het artikel “De ratio verzwolgen” van columniste Elsbeth Etty, dat stevige kritiek uit op het optreden van Israel. Blind geweld en bloedvergieten door Israëlische commando’s op volle zee, zo luidt het. De regering Netanyahu reageert met grof en ontoelaatbaar geweld op een zelf gecreëerde uitdaging: verlies van eer en prestige, en daarmee een gevoelige symbolische politieke nederlaag als de actievoerders erin zouden slagen de blokkade te breken. Indien het waar is dat de opvarenden alleen passief verzet boden is dit een internationale misdaad, die de toekomst van Israel zelf raakt, aldus Etty. Tot daar straffe taal, maar daarna komen de “mitsen en maren”. Want de columniste komt niet verder dan “Netanyahu en de zijnen heeft de inwoners van Gaza hulp ontzegd”. Welnu, in Gaza zit men niet op "hulp" van de gijzelnemer te wachten, maar op open grenzen om de wederopbouw aan te pakken. Etty krijgt geen veroordeling over haar lippen voor de onwettige blokkade, de bloedige oorlog begin 2009 en de boycot van het Goldstone-rapport. Vertwijfeld vraagt de NRC columniste zich af of Israel zich dat allemaal kan veroorloven zonder zijn eigen bestaansgrond in het geding te brengen. Zij verdedigt het recht van Israel op “veiligheid en zelfverdediging” en stelt dat het land zich mag en moet verdedigen tegen terroristen. Wie die "terroristen" dan wel zijn vermeldt zij niet.

Ook elders gaan media met een grote boog om de echte problematiek heen. Dat bracht de Amerikaanse emeritus professor Jerome Slater ertoe om de “onverantwoordelijkheid van de New York Times (NYT) publiekelijk aan de kaak te stellen". Slater verwijst naar een redactioneel artikel in de NYT waarin de krant Hamas omschrijft als “een organisatie die uit is op de vernietiging van Israel”. Voor de professor op het eerste gezicht een onschuldige passage, tenzij je toevallig de werkelijkheid kent. En, zo doceert de professor, die werkelijkheid is dat de Israëlische economische wurggreep extra werd aangeschroefd na de machtsovername van Hamas juni 2007, maar al begon in februari 2006, als antwoord op de overwinning van Hamas na vrije verkiezingen. Bovendien nam Hamas een aantal geheime en openlijke initiatieven gericht op de regering Bush en op Israel, waarbij het duidelijk maakte een politieke oplossing te willen voor het conflict Israel-Palestina. Die initiatieven werden niet alleen genegeerd of smalend afgedaan als “trucjes”, uit vertrouwelijke documenten weten we nu dat de regering Bush na deze verkiezingen een interne Palestijnse coup tegen Hamas aanmoedigde (David Rose, “The Gaza Bombshell,” Vanity Fair, april 2008). Een zaak die verborgen bleef voor de Amerikaanse bevolking, maar zonder enige twijfel niet voor Hamas. Mogelijk is de volledige machtsovername precies het antwoord op dat coup plan.

De NYT verzwijgt dus het overvloedig bewijsmateriaal waaruit blijkt dat Hamas stap voor stap afstand heeft genomen van zijn Handvest - waarin het inderdaad zegt de vernietiging van Israel na te streven - en is opgeschoven naar een pragmatischer, de facto aanvaarding van een twee-staten oplossing gebaseerd op het Israel van voor de 1967 oorlog. Daarmee volgt Hamas in feite precies de door de PLO van Yasir Arafat uitgestippelde weg, die geleidelijk afstand nam van zijn oorspronkelijk radicalisme en onverzoenlijkheid, en opschoof naar aanvaarding van een twee-staten oplossing, maar pas nadat Israel bereid was te onderhandelen, officieel afstand deed van de in zijn Handvest opgenomen oproep tot de vernietiging van Israel.

Slater vat de houding van de NYT als volgt samen: de krant is ofwel bezig met ernstige en opzettelijke misleiding, ofwel onvergeeflijk onwetend over de werkelijke gang van zaken. En dat is absoluut niets nieuws voor de NYT, dat in zijn berichtgeving en commentaar-stukken over het Israel-Palestina conflict regelmatig misdaden tegen waarheidsgetrouwe journalistiek pleegt. Gaat NRC ook die kant op?